EUrrest
EUrrest

December 2012

december 2012

Milieuorganisaties kunnen voortaan milieubesluiten van EU-instellingen, die gericht zijn op de lidstaten en hun decentrale overheden, aanvechten. Het Gerecht verklaart in deze zaak dat de voorwaarde (rechtstreeks en individueel geraakt worden) van art. 263 VWEU ook geldt voor maatregelen die niet tot de verzoeker zijn gericht, maar hem wel rechtstreeks raken. Europese milieuregels worden uiteindelijk via nationale wetgeving op decentraal niveau geïmplementeerd. Decentrale overheden moeten in de implementatie van besluiten vanuit de EU rekening houden met het recht dat milieuorganisaties en burgers hebben om besluitvorming van de EU aan te vechten bij de Europese rechter.

1. Gerecht van de EU, 14 juni 2012 Vereniging Milieudefensie/Commissie

Zaak T-396/09.

2. Beleidsdossiers en thematiek

Milieu en klimaat
Europees recht en beleid decentraal

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Milieu

Op 28 juni 2007 is de Aarhus-verordening van kracht geworden. De verordening bindt instellingen en organen van de EU aan het Verdrag van Aarhus. Het doel van het verdrag is het waarborgen van het recht op toegang van burgers en organisaties tot milieu-informatie, het recht op inspraak in de besluitvorming en de toegang tot de rechter bij milieuaangelegenheden. In Nederland is het verdrag geïmplementeerd middels de Uitvoeringswet Verdrag van Aarhus. Overheden zijn verplicht om hun burgers voor te lichten over de rechten die zij kunnen ontlenen aan de Wet milieubeheer en de Wet openbaarheid bestuur.

Europees recht algemeen

EU-burgers en organisaties kunnen onder artikel 263 VWEU in beroep gaan tegen handelingen die een EU-instelling neemt, als deze handelingen gericht zijn tot burgers en organisaties of hen rechtstreeks en individueel raken. In alle andere gevallen kunnen burgers en organisaties alleen besluiten aanvechten bij de nationale rechter, die vervolgens prejudiciële vragen kan stellen aan het Hof.

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag

De Europese Commissie heeft in 2009 uitstel verleend aan Nederland om te voldoen aan richtlijn 2008/50/EG. Deze richtlijn schrijft normen op het gebied van stikstofdioxide en fijnstof voor. De Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht hebben deze beslissing van de Commissie aangevochten. Volgens de Commissie kunnen deze milieuorganisaties als non-gouvernementele partijen de richtlijn niet aanvechten en zij verklaart daarom de partijen niet-ontvankelijk. De milieuorganisaties vragen vervolgens de Europese rechter om de beschikking van de Commissie nietig te verklaren. Zij willen dat de Commissie inhoudelijk naar hun bezwaar kijkt.

De Commissie baseert haar beschikking op de volgende redenering:

Wanneer een niet-gouvernementele organisatie een administratieve handeling over milieurecht heeft verricht, kan deze een instelling van de EU (hier de Commissie) verzoeken haar besluit te herzien. ‘Administratieve handeling’ wordt uitgelegd als een maatregel van individuele strekking. Een algemene (milieu)maatregel kan dus niet aangevochten worden, een individuele maatregel wel. Volgens de Commissie gaat het hier om een maatregel van algemene strekking. Het verzoek van de partijen wordt afgewezen.

De milieuorganisaties stappen naar de Europese rechter en stellen:
1. Dat het hier wel gaat om een individuele maatregel, en;
2. Dat het begrip ‘handelen’ moet worden uitgelegd zoals het staat in het Verdrag van Aarhus.

De Commissie stelt:
3. Dat het hier om een maatregel van algemene strekking gaat.

De Raad van de Europese Unie ondersteunt de Commissie en voegt als opmerking toe:
4. Dat de partijen deze zaak voor de nationale rechter hadden moeten brengen in plaats van voor de Europese rechter. Het Gerecht toetst bovenstaande punten aan het Verdrag van Aarhus, de Aarhus-verordening, richtlijn 2008/50 en art. 263 VWEU.

5. Samenvatting uitspraak

Algemene versus individuele maatregel (punt 1 en 3)

Het Gerecht geeft de milieuorganisaties in het eerste punt ongelijk en stelt dat om een algemene maatregel gaat. Deze kan niet worden  eschouwd als een administratieve handeling, zoals de Commissie redeneert (punt drie).

5.1.Handeling in het Verdrag van Aarhus versus handeling in de verordening (punt 2)

Het Gerecht geeft de milieuorganisaties in het tweede punt gelijk. Het Verdrag van Aarhus heeft voorrang op de richtlijn. In de richtlijn wordt een handeling uitgelegd als administratieve handeling, waar alleen individuele maatregelen mee worden bedoeld. De richtlijn verwijst rechtstreeks naar het Verdrag van Aarhus, waarin het begrip handelen niet expliciet wordt uitgelegd. Het begrip moet dus door de rechter worden gelezen in het licht van de doelstellingen van dit verdrag. Hieruit volgt dat het begrip ‘handeling’ niet alleen betrekking heeft op maatregelen van individuele strekking, maar ook op handelingen van algemene strekking.

5.2.Nationale rechter versus Europese rechter (punt 4)

Een niet-gouvernementele organisatie kan alleen indirect een maatregel van de Commissie aanvechten, door naar de nationale rechter te stappen. Volgens de Aarhus-verordening kan de rechter vervolgens een prejudiciële vraag stellen aan de Europese rechter. Ook art. 263 VWEU geeft aan dat burgers en organisaties beslissingen van EU-instellingen alleen kunnen aanvechten als zij rechtstreeks of individueel worden geraakt of als de maatregel tot hen gericht is. Volgens de Raad en het Parlement moet het begrip ‘handelen’ uit het Verdrag van Aarhus worden beperkt tot maatregelen van individuele strekking, zoals de bedoeling is van de eisen uit het beroep tot nietigverklaring, artikel 263 VWEU. Uit dit artikel volgt dat de verzoeker door de bestreden handeling individueel en rechtstreeks moet worden geraakt.

Het Gerecht geeft de Raad hierin geen gelijk, om de volgende redenen:

– EU-instellingen moeten art. 263 VWEU in acht nemen. Of de strekking van de maatregel individueel of algemeen is, maakt hierbij niet uit. Door het begrip ‘handelen’ te beperken tot individuele strekking, wordt niet gewaarborgd dat aan de voorwaarden van art. 263 VWEU wordt voldaan;
– Niet elke richtlijn heeft op elk gebied een nationale uitvoeringsmaatregel, die aangevochten kan worden. Als er geen nationale uitvoeringsmaatregel is, is er geen mogelijkheid om de richtlijn aan te vechten bij de nationale rechter. De Raad heeft ook niet aangetoond hoe de milieuorganisaties deze zaak bij de nationale rechter hadden kunnen aanvechten.

6. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

Milieuorganisaties kunnen voortaan milieubesluiten van EU-instellingen die gericht zijn op lidstaten en hun decentrale overheden aanvechten. Het Gerecht verklaart in deze zaak dat de voorwaarde van art. 263 VWEU (rechtstreeks en individueel geraakt worden) ook geldt voor maatregelen die niet tot de verzoeker zijn gericht, maar hem wel rechtstreeks raken. Europese milieuregels worden via nationale wetgeving op decentraal niveau geïmplementeerd. Decentrale overheden moeten in de implementatie van besluiten vanuit de EU rekening houden met het recht dat milieuorganisaties en burgers hebben om besluitvorming van de EU aan te vechten bij de Europese rechter. De Europese rechter toetst de rechtmatigheid van een bepaling uit een verordening of richtlijn aan een internationaal verdrag, wanneer die verordening of richtlijn bedoeld is om de verplichtingen uit dat internationale verdrag te implementeren.

Meer informatie

Milieu en klimaat
Europees recht en beleid decentraal
Richtlijn 2008/50/EG, luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa
Verdrag van Aarhus
Praktische gids, over toegang tot informatie, inspraak en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op communautair niveau
Aarhus-verordening
Handreiking, over de verplichtingen die voor nationale en regionale overheden voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus

Reacties en disclaimer
Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

November 2012

november 2012

Een Italiaanse regeling op grond waarvan bij een openbare aanbestedingsprocedure alleen een concessie kan worden verleend aan een vennootschap die beschikt over een minimaal volgestort kapitaal van € 10 miljoen is in strijd met het vrij verkeer van diensten en het vrij verkeer van vestiging. Deze uitspraak is relevant voor decentrale overheden omdat zij bij het opleggen van eisen in aanbestedingsprocedures rekening moeten houden met de vrij verkeersregels. Het Hof heeft in dit arrest duidelijk de stappen uiteengezet die zij volgt bij het toetsen van eisen bij aanbestedingsprocedures aan de vrij verkeersbepalingen.

1. Hof van Justitie, 10 mei 2012. Duomo Gpa e.a.

Gevoegde zaken C-357/10, C-358/10 en C-359/10.

2. Beleidsdossiers en thematiek

Aanbestedingen 
Vrij Verkeer
Dienstenrichtlijn

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Aan de aanbestedingsrichtlijnen en het nationale aanbestedingsrecht liggen de bepalingen van het EU-Werkingsverdrag ten grondslag (het vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en de vrijheid van vestiging en de daarvan afgeleide beginselen). Aanbestedende diensten, waaronder decentrale overheden, moeten deze in elke fase van de aanbestedingsprocedure naleven.

Wanneer een decentrale overheid bij een aanbesteding eisen oplegt die het vrij verkeer (potentieel) belemmeren, dan toetst het Hof deze eisen aan de toepasselijke vrij verkeersbepalingen en aan de Dienstenrichtlijn

3.1 Toetsen van eisen aan de vrij verkeersbepalingen

De vrij verkeersbepalingen zijn niet van toepassing bij een zuiver interne situatie. Is er sprake van een grensoverschrijdende situatie, dan kijkt het Hof of de desbetreffende bepaling een belemmering van één van de vier vrijheden vormt.

Wanneer het een belemmering vormt, onderzoekt het Hof in hoeverre de bepaling kan worden gerechtvaardigd op grond van het Verdrag, dan wel haar rechtvaardiging kan vinden in dwingende redenen van algemeen belang. Daarna toetst het Hof of de maatregel geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaat dan daartoe nodig is.

3.2 Dienstenrichtlijn

Om voor 2010 tot een echte interne markt te komen, is op 28 december 2006 de Dienstenrichtlijn (2006/123/EG) in werking getreden. Deze moest eind 2009 in de lidstaten geïmplementeerd zijn. De Dienstenrichtlijn stelt algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten vast. Decentrale overheden mogen geen eisen vaststellen die in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn.

Toetsing van belemmeringen van het vrije dienstenverkeer en het vrij verkeer van vestiging aan de Dienstenrichtlijn werkt in hoofdlijnen hetzelfde als toetsing aan de Verdragsbepalingen. Punt 6 gaat in op de verschillen.

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag

In de zaak Duomo Gpa stond een Italiaanse regeling ter discussie. In Italië mogen provincies en gemeenten het vaststellen en innen van lokale belastingen overdragen aan derde partijen. Gunning van dergelijke opdrachten vindt plaats via het verlenen van een concessie. Ondernemingen die in aanmerking willen komen voor deze opdracht, moeten zich inschrijven in een register. Om toegelaten te worden tot dat register, moeten zij beschikken over een volgestort maatschappelijk kapitaal van € 10 miljoen .

Ondernemingen die hierover niet beschikken komen niet in aanmerking voor de opdracht en worden uitgesloten van de aanbestedingsprocedure. Nadat verschillende partijen beroep tegen uitsluiting instelden, heeft het Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia het Hof twee prejudiciële vragen gesteld die identiek waren voor de drie hoofdgedingen. Het ging om de volgende vragen:

1. Is de Italiaanse regeling, op grond waarvan bij een openbare aanbestedingsprocedure alleen een concessie kan worden verleend aan een vennootschap die beschikt over een minimaal volgestort kapitaal van € 10 miljoen, in strijd met art. 15 en 16 van de Dienstenrichtlijn?
2. Is de Italiaanse regeling, op grond waarvan bij een openbare aanbestedingsprocedure alleen een concessie kan worden verleend aan een vennootschap die beschikt over een minimaal volgestort kapitaal van € 10 miljoen , in strijd met de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU) en de vrijheid van dienstverrichting (art. 56 VWEU)?

5. Samenvatting uitspraak

Omdat de feiten zich voordeden voor 28 december 2009 (de uiterste datum voor omzetting van de Dienstenrichtlijn), gaat het Hof slechts in op de tweede prejudiciële vraag. Opvallend is dat de Advocaat-Generaal de regeling juist wel aan de Dienstenrichtlijn toetst (zie punt 6). Het Hof toetst de Italiaanse eis volgens de stappen die hierboven onder punt 3 besproken zijn:

5.1 Zuiver interne situatie?

Het Hof concludeert dat ook ondernemingen die in andere lidstaten dan Italië gevestigd zijn mogelijk in aanmerking komen voor de concessies. Er is daarom geen sprake van een zuiver interne situatie. Het Hof is bevoegd de Italiaanse regeling te toetsen aan de vrij verkeersbepalingen.

5.2 Belemmering?

De Italiaanse regeling beperkt de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting. Als voorwaarde geldt immers de verplichting een minimaal volgestort kapitaal te hebben, en daarnaast worden particuliere marktdeelnemers die de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde activiteiten willen uitoefenen ertoe gedwongen rechtspersoonlijkheid aan te nemen.

5.3 Rechtvaardigingsgrond?

Door de Italiaanse autoriteiten is als rechtvaardiging voor de maatregel aangevoerd dat het minimumkapitaalvereiste nodig is om de financiële belangen van de gemeenten die de diensten van vaststelling en inning van belastingen uitbesteden, te beschermen tegen het risico dat de concessiehoudende vennootschappen de geïnde bedragen op het daarvoor bestemde tijdstip niet aan de schatkist kunnen overmaken vanwege insolvabiliteit.

Het Hof stelt dat deze rechtvaardigingsgrond als een dwingende reden van algemeen belang en dus als rechtvaardigingsgrond gebruikt kan worden.

5.4 Geschikt en evenredig?

Vervolgens stelt het Hof echter dat de Italiaanse regeling veel verder gaat dan het doel van bescherming van de overheidsdienst tegen niet-nakoming door de concessiehouder. De verwijzende rechter heeft opgemerkt dat bepaalde andere voorzorgsmaatregelen genomen kunnen worden die de overheidsdienst op een meer evenredige wijze kunnen beschermen tegen niet nakoming door de concessiehouders.

5.5 Uitspraak

De Italiaanse regeling omvat beperkingen van de vrijheid van dienstverrichting en vestiging die onevenredig en dus ongerechtvaardigd zijn.

6. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

Deze uitspraak is relevant voor decentrale overheden, omdat zij bij het opleggen van eisen in aanbestedingsprocedures rekening moeten houden met de vrij verkeersregels. In dit arrest is duidelijk te zien hoe het aanbestedingsrecht en het vrij verkeersrecht elkaar raken. Het aanbestedingsrecht moet dan ook door decentrale overheden niet als een op zichzelf staand rechtsgebied gezien worden.

In het arrest zet het Hof duidelijk de stappen uiteen die zij volgt bij het toetsen van eisen bij aanbestedingsprocedures aan de vrij verkeersbepalingen. Decentrale overheden kunnen op diezelfde manier ook zelf eisen, die zij ondernemers op willen leggen bij een aanbesteding, toetsen aan de vrij verkeersregels en zo bepalen of zij deze wel of niet op kunnen leggen.

6.1 Dienstenrichtlijn

Zoals gezegd is het opvallend in deze zaak dat het Hof concludeert dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is en toetst aan de vrij verkeersbepalingen terwijl de Advocaat-Generaal (AG) in zijn conclusie juist wel aan de Dienstenrichtlijn toetst. Art. 15 lid 6 van de Dienstenrichtlijn stelt dat uiterlijk op 28 december 2006 de lidstaten geen nieuwe eisen stellen die het vrij verrichten van diensten beperken, tenzij deze gerechtvaardigd kunnen worden. Omdat de Italiaanse eis na deze datum is ingevoerd toetst de AG de Italiaanse regeling wel aan de Dienstenrichtlijn. Het Hof gaat hier verder niet op in.

Omdat in de toekomst steeds vaker eisen gericht op dienstverleners aan de orde zullen zijn die na 2009 zijn ingevoerd en dan ook door het Hof aan de Dienstenrichtlijn getoetst zullen worden, is het voor decentrale overheden interessant te weten hoe dan getoetst wordt. Daarom zal hieronder de toetsing van de Italiaanse regeling aan de Dienstenrichtlijn door de AG besproken worden.

6.2 Vrijheid van vestiging

De AG toetst de Italiaanse regeling eerst aan het vrij verkeer van vestiging. Artikel 15 Drl. heeft betrekking op eisen die de vrijheid van vestiging in beginsel beperken maar die wel gerechtvaardigd kunnen worden. In artikel 15 lid 2 sub c worden ‘eisen aangaande het aandeelhouderschap van een onderneming’ genoemd. De Italiaanse regeling kan daaronder worden begrepen. Vervolgens moet dan gekeken worden of de regeling voldoet aan de voorwaarden van art. 15 lid 3: non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig. De AG komt tot dezelfde conclusie als het Hof: de bepaling is niet evenredig en daarmee ongerechtvaardigd.

6.3 Vrijheid van dienstverrichting

In de Dienstenrichtlijn is een opmerkelijk verschil te vinden tussen de vrijheid van vestiging (art. 15) en de vrijheid van dienstverrichting (art. 16). Dit verschil betreft de definitie van de eis van noodzakelijkheid. Op het gebied van de vrijheid van dienstverrichting is deze definitie aanzienlijk strikter dan op het gebied van de vrijheid van vestiging. Anders dan in artikel 15, wordt in artikel 16 niet in algemene zin verwezen naar de in de rechtspraak nader omschreven gegronde redenen van algemeen belang. In plaats daarvan worden slechts vier doelstellingen opgenomen die deze eis kunnen rechtvaardigen: redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Het is voor decentrale overheden belangrijk te beseffen dat eisen opgelegd aan dienstverleners dus maar op grond van vier redenen gerechtvaardigd kunnen worden. Dit is een inperking ten opzichte van toetsing aan de vrij verkeersbepalingen in het Verdrag. Ook bij toetsen aan art. 16 komt de AG tot de conclusie dat de Italiaanse regeling ongerechtvaardigd is.

Meer informatie

Conclusie Advocaat-Generaal in de zaak Duomo Gpa, 16 november 2011
Jurisprudentie vrij verkeer van diensten
Grondbeginselen vrij verkeer

Reacties en disclaimer
Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Oktober 2012

oktober 2012

Kan een decentrale overheid de exploitatie door derden van een databank, die is samengesteld op basis van een wettelijke taak, verbieden? Deze vraag staat centraal in dit arrest. De uitspraak van het Europese Hof is relevant voor decentrale overheden, omdat zij werken met grote databanken. Met de vlucht die open data en het hergebruik van overheidsinformatie op dit moment neemt, is de vraag uit dit arrest des te relevanter.

1. Hof van Justitie, 12 juli 2012, Compass-Datenbank GmbH tegen de Republiek Oostenrijk.

Zaak C-138/11.

2. Beleidsdossiers en thematiek

Europees Mededingingsrecht (overheid als onderneming) 
Informatiemaatschappij:
Open data.

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Provincies, gemeenten, waterschappen en uitvoeringsorganisaties beheren vanuit hun publieke taak grote databanken met gegevens over burgers, bedrijven, milieu en ruimtelijke ordening. Vaak zijn die gegevens tegen een vergoeding in te zien door het publiek. Maar het verdere gebruik door derden is niet altijd in het belang van de ondernemingen en burgers wier gegevens in de databank staan. 3.1. Relevantie open data Bescherming van de gegevens in overheidsdatabanken wordt des te relevanter door de vlucht die open data en het hergebruik van overheidsinformatie op dit moment neemt. De Europese Commissie wil het gebruik van overheidsdata namelijk verder stimuleren. Hiertoe wordt het Europese open data pakket herzien.

3.2. Relevantie databankenrecht

De Europese databankenrichtlijn (96/9/EG), in Nederland geïmplementeerd in de Databankenwet, geeft beschermt databanken en de bijbehorende gegevensverzamelingen tegen ongewenst gebruik door derden. Deze richtlijn geeft producenten van databanken het exclusieve recht te verbieden dat de inhoud van de databank of een substantieel deel ervan zonder zijn toestemming opgevraagd of hergebruikt wordt door derden (artikel 7, lid 1).

Om te vallen onder de bescherming van de Databankenrichtlijn moet de producent van de databank substantieel geïnvesteerd hebben in de verkrijging, controle of presentatie van een databank. Volgens nationale rechtspraak kunnen overheden hier echter geen gebruik van maken. Overheden worden doorgaans niet als risicodrager en daarmee niet als producent in de zin van richtlijn gezien.

Relevantie mededingingsrecht

Als decentrale overheden economische activiteiten verrichten, moeten zij zich aan de Europese mededingingsregels houden om verstoringen van de handel te voorkomen. Als het Europese Hof het samenstellen en bijhouden van databanken door de overheid als economische activiteit beschouwt, zou dat mogelijk kunnen betekenen dat overheden op grond van het mededingingsrecht exploitatie door derden zouden moeten toestaan. Een overheid die zich op de markt begeeft mag bijvoorbeeld geen misbruik maken van een eventuele machtspositie (artikel 102 VWEU). Er is onder andere sprake van misbruik als de machtspositie wordt gebruikt om concurrenten van de markt uit te sluiten.

Hiernaast heeft de Nederlandse regering gedragsregels geïntroduceerd voor overheden die marktactiviteiten ondernemen. Deze regels staan in de wet Markt en Overheid, die op 1 juli 2012 in werking trad. Zo stelt deze wet gedragsregels vast voor het hergebruik van gegevens verkregen voor de uitvoering van de publieke taak.

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag

4.1 De feiten

Partijen

Het Oberste Gerichtshof van Oostenrijk heeft een prejudiciële vraag aan het Europees Hof gesteld naar aanleiding van een zaak aangespannen door Compass-Datenbank GmbH tegen de Oostenrijkse overheid. Compass-Datenbank is een bedrijf dat een elektronische, economische databank exploiteert voor het verstrekken van informatiediensten aan andere bedrijven. Het bedrijf wil gegevens uit het Oostenrijkse handels- en ondernemingsregister (Firmenbuch) gebruiken om de eigen databank actueel te houden. Volgens Oostenrijkse wetgeving is dat niet toegestaan op basis van de bescherming van de Europese databankenrichtlijn.

Argumentatie

Om exploitatie van het Firmenbuch af te dwingen, roept Compass-Datenbank het Europees mededingingsrecht in. In de zaak komen de volgende argumenten naar voren:

– De Oostenrijkse overheid verricht een economische activiteit, onder andere omdat derden een vergoeding moeten betalen voor inzage in het Firmenbuch, en moet daarom deels worden gezien als onderneming;
– De overheid ‘monopoliseert’ de gegevens uit het Firmenbuch en maakt zo misbruik van haar ‘machtspositie’;
– De overheid roept de bescherming van het intellectuele eigendomsrecht en de Europese databankenrichtlijn in. Daarmee beroept de overheid zich niet op publiek-, maar op privaatrecht. Ook daarom kan de overheid deels als onderneming worden gezien;
– Volgens de Europese richtlijn hergebruik overheidsinformatie zouden ondernemingen overheidsinformatie ten volle moeten kunnen benutten om de interne marktwerking te bevorderen.

Volgens Compass-Datenbank is de Oostenrijkse overheid als onderneming op de markt vanuit mededingingsrechtelijk perspectief dus verplicht exploitatie van het Firmenbuch ‘tegen een passende vergoeding’ toe te staan.

4.2 Prejudiciële vragen

Het Oberste Gerichtshof van Oostenrijk stelde drie prejudiciële vragen aan het Europees Hof:

1. Verricht een overheidsinstantie een economische activiteit wanneer zij:
a) gegevens, die ondernemingen wettelijk verplicht zijn aan te leveren, opslaat in een databank, en:
b) tegen een vergoeding inzage verleent in die gegevens, maar verdergaande vormen van gebruik verbiedt?
2. Is er sprake van een economische activiteit wanneer een overheidsinstantie exploitatie van de databank verbiedt op basis van de Europese databankenrichtlijn?
3. Zo ja, moet het Europees mededingingsrecht inderdaad worden toegepast, hoewel er geen markt bestaat en de gegevens in het kader van overheidsactiviteiten worden verzameld en opgeslagen?

5. Samenvatting uitspraak

Het Europese Hof beschouwt het samenstellen en publiekelijk beschikbaar maken van een databank door de overheid op basis van een wettelijke taak niet als economische activiteit. Het Europees mededingingsrecht kan daarom niet worden ingeroepen om toestemming te verkrijgen voor exploitatie van het Firmenbuch. Met de uitspraak erkent het Europees Hof impliciet dat ook overheden zich kunnen beroepen op de bescherming van de Europese databankenrichtlijn.

5.1 Economische activiteit ja of nee?

Uit eerdere rechtspraak volgt dat activiteiten in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag geen economisch karakter hebben. Een overheid kan wel deels als onderneming worden aangemerkt, als de economische activiteit volledig losstaat van haar publieke taak. Het verzamelen van gegevens van ondernemingen op grond van een wettelijke plicht behoort volgens het Hof tot de uitoefening openbaar gezag en is dus niet economisch. Ook het toegankelijk maken en houden van het Firmenbuch voor het publiek is geen economische activiteit. Het vragen van een wettelijk vastgestelde vergoeding voor een activiteit, in dit geval inzage in het Firmenbuch, is volgens het Europese Hof niet voldoende om de activiteit als economisch te betitelen.

5.2 Beroep op bescherming Europese databankenrichtlijn

Een overheidsinstantie mag volgens het Europees Hof het hergebruik van gegevens in een databank verbieden. Dit om tegemoet te komen aan het belang van ondernemingen dat de informatie niet buiten de databank wordt gebruikt. Het beroep van de Oostenrijkse overheid op het (private) intellectueel eigendomsrecht en de bescherming van de Europese databankenrichtlijn betekent echter niet dat het beschermen van de gegevens als economische activiteit moet worden gezien.

Verder speelt de Europese Richtlijn hergebruik overheidsinformatie in deze zaak volgens het Hof geen rol. Deze richtlijn stelt het toestaan van gebruik van overheidsgegevens immers niet verplicht.

6. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

6.1 Europese databankenrichtlijn

De uitspraak is relevant voor decentrale overheden, omdat zij werken met grote databanken. Dat geldt ook voor uitvoerende organisaties zoals de Kamer van Koophandel en het Kadaster. Voorbeelden van grote databanken zijn de Gemeenschappelijke Basisregistratie (GBR), de databank Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving, de databank van het CBS met gegevens over burgers, bedrijven en organisaties, het Provinciaal Georegister, de Landelijke database overstromingsrisico’s en de inzameling van gegevens over de kwaliteit van water door waterschappen. In haar uitspraak stelt het Europees Hof impliciet dat overheden zich ook kunnen beroepen op de bescherming van de Europese databankenrichtlijn.

6.2 Europees mededingingsrecht

Het Europese Hof beschouwt het samenstellen en publiekelijk beschikbaar maken van een databank door de overheid op basis van een wettelijke taak niet als economische activiteit. Het Europees mededingingsrecht kan daarom niet worden ingeroepen om de overheid te verplichten gebruik door derden toe te staan.

Meer informatie

Europese databankenrichtlijn
Annotatie Mark Jansen van Dirk Zwager
Praktijkvraag Inzameling gegevens door waterschappen ‘INSPIRE-compliant’?

Reacties en disclaimer
Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

September 2012

september 2012

Het besluit over staatssteun voor het gebiedsontwikkelingsproject Kanaalzone Apeldoorn geeft een goede kijk op de wijze waarop de Commissie steunmaatregelen voor herontwikkelingsprojecten beoordeelt. Belangrijk punt bij de goedkeuring van onrendabele topfinanciering is dat stedelijke herontwikkeling een publiek belang dient en bijdraagt aan de Europese doelstellingen op het gebied van sociale en economische cohesie.

1. Besluit Europese Commissie, 5 oktober 2011. Grondverkoop en woningbouw Apeldoorn.

Steunmaatregel SA 31877.

2. Beleidsdossier en thematiek

Staatssteun en gebiedsontwikkeling:

Grondtransacties;
Onrendabele topfinanciering;
Woningcorporaties;
Milieusteun.

3. Relevantie voor decentrale overheden

3.1. Grondtransacties door decentrale overheden

Bij transacties met onroerend goed biedt de Mededeling van de Commissie over staatssteun en grondtransacties mogelijkheden om deze marktconform vorm te geven. Grondtransacties worden marktconform beschouwd als zij tot stand komen via een openbare biedprocedure of een onafhankelijke taxatie voorafgaand aan de grondtransactie. In de afgelopen jaren is de Mededeling grondtransacties in zowel de nationale en Europese rechtspraak, als in de besluitpraktijk van de Commissie, veelvuldig toegepast bij de toetsing van de marktconformiteit bij grondtransacties tussen decentrale overheden en ondernemingen.

3.2 Exploitatietekort herontwikkelingsproject

Herontwikkelingsprojecten kampen vaak met een exploitatieverlies dat inherent is aan de hoge ontwikkelingskosten. Vaak richten dergelijke projecten zich op de revitalisering, leefbaarheid en veiligheid van stadswijken of dorpskernen. In sommige gevallen is realisatie van deze gebiedsontwikkelingsprojecten economisch niet haalbaar tenzij een gemeente of provincie het exploitatietekort afdekt. De Europese Commissie heeft in haar besluitpraktijk de revitalisering van stedelijke en/of landelijke gebieden als EU-doelstelling bestempeld. Het exploitatietekort van herontwikkelingsprojecten (de zogenaamde onrendabele top) die economische en sociale cohesie versterken mag onder een aantal strikte voorwaarden gefinancierd worden op basis van de besluitpraktijk van de Europese Commissie.

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag

In de gemeente Apeldoorn zal het voormalige industriële gebied geherstructureerd worden om woningbouw mogelijk te maken. Voor het project Kanaalzone Zuid zijn de provincie Gelderland en gemeente Apeldoorn een grondexploitatieproject aangegaan met de woningcorporaties Stichting De Woonmensen en Woonstichting Ons Huis. Door middel van onteigening worden de kavels door de gemeente verkregen. Daarna worden deze kavels bouw- en woonrijp gemaakt. De woningcorporaties gaan sociale huurwoningen en commerciële woningen bouwen op het terrein. Hierbij is de financiering van de sociale woningbouw onder de DAEB-vrijstelling geplaatst.

De gemeente Apeldoorn heeft de reële marktwaarde laten taxeren aan de hand van de residuele grondwaardeberekening.

De Commissie heeft onderzocht of de volgende zaken in overeenstemming waren met de staatssteunregels:

– De marktconformiteit van de grondtransacties;
– De steun voor de bodemsanering;
– De steun voor het exploitatieverlies van het herontwikkelingsproject.

5. Samenvatting besluit

De Europese Commissie heeft het herontwikkelingsproject goedgekeurd.

Ten eerste oordeelde zij dat de grondtransacties die onderdeel waren van de grondexploitatie, marktconform waren. Hiermee heeft de Commissie voor het eerst expliciet de residuele grondwaardeberekening goedgekeurd. De onrendabele top van het project bestaat uit een exploitatietekort voor de woningcorporaties. De compensatie van het exploitatietekort van dit project werd door de Commissie goedgekeurd op basis van artikel 107 lid 3(c) VWEU.

Tot slot keurde Brussel de bodemsanering goed op basis van artikel 107 lid 3(c) VWEU en de milieurichtsnoeren. Belangrijk punt bij de goedkeuring van deze steunmaatregelen is dat stedelijke herontwikkeling een publiek belang dient en bijdraagt aan de Europese doelstellingen op het gebied van sociale en economische cohesie. 5.1 Grondtransacties Bij de aankoop van gronden kan een onderscheid gemaakt worden tussen terreinen die verontreinigd zijn door de industrie en terreinen die dat niet zijn. De aankoop van gronden door de gemeente werd getoetst aan de Mededeling Grondtransacties.

De gemeente Apeldoorn heeft de reële marktwaarde laten taxeren aan de hand van de residuele grondwaardeberekening. De residuele grondwaarde wordt bepaald door de kosten die gemaakt moeten worden om vastgoed te realiseren – de stichtingskosten – af te trekken van de opbrengsten van het vastgoed.

De Commissie heeft vastgesteld dat deze methode tot een marktconform resultaat leidde. De Commissie stelde tevens vast dat de aankoop van de verontreinigde terreinen door de gemeente en de woningcorporaties geen staatssteun opleverde. Bij het project was slechts één onderneming betrokken die wettelijk aansprakelijk was voor de veroorzaakte verontreiniging. Aan deze onderneming werd een lagere prijs betaald voor de verontreinigde terreinen. Dit was gerechtvaardigd omdat de saneringskosten in de aankoopprijs verrekend werden.

5.2 Saneringsactiviteiten

Als niet kan worden vastgesteld of de voormalige eigenaren van verontreinigde terreinen wettelijk aansprakelijk zijn voor de verontreiniging, mag volgens de milieurichtsnoeren staatssteun voor bodemsanering verleend worden. Daarom oordeelde de Commissie dat voor het herontwikkelingsproject steun voor bodemsanering verleend mocht worden.

5.3 Onrendabele top herontwikkelingsproject

Er wordt gesproken van onrendabele topfinanciering als er sprake is van steun om het (onrendabele) verschil tussen de ontwikkelingskosten en de uiteindelijke marktwaarde bij verkoop (door de ondernemingen) te dekken. Bij dit herontwikkelingsproject was er een dergelijk exploitatietekort. De Commissie stelt dat het project bijdraagt aan sociale en economische cohesie. Zonder financiering van de gemeente en provincie aan de woningcorporaties zou realisatie van het project economisch niet haalbaar zijn geweest.

Verder is de steun ook proportioneel omdat deze slechts een gedeelte van het exploitatietekort dekt. Tot slot ziet de gemeente toe op het voorkomen van overcompensatie van het exploitatietekort. Als de woningcorporaties hogere opbrengsten uit het project ontvangen dan berekend is, moet dit bedrag terug betaald worden aan de gemeente Apeldoorn en de provincie Gelderland. Hiermee heeft de Commissie geoordeeld dat de steun in overeenkomst is met artikel 107 lid 3 (c) VWEU.

6. Uitlichting decentrale relevantie besluit

6.1 Taxatiemethodes

De mededeling van de Commissie schrijft niet een specifieke taxatiemethode voor. Dit is de beleidsruimte van de lidstaten. De Commissie heeft in de toepassing van de Mededeling grondtransacties ruimte geboden voor de verschillende taxatiemethoden in de lidstaten en in Nederland zelf.

Uit de laatste rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat het de overheden van de lidstaten een bepaalde beleidsruimte laat in het berekeningssysteem van de grondwaarde, zolang deze berekeningsmethode tot een ‘reële marktwaarde’ leidt (Hof van Justitie EU, 16 december 2010, zaak C-239/09, Seydaland).

6.2 Onrendabele topfinanciering

Uit de besluitpraktijk van de Commissie volgt dat onrendabele topprojecten met in overeenstemming met de staatssteunregels kunnen worden gebracht (zie onder meer steunmaatregel N 555/2008, Nederland, Centrumplan gemeente Mill en St. Hubert). Van belang is dat voldaan wordt aan een aantal aspecten.

Allereerst moet er sprake zijn van een publiek belang dat aansluit op een Europese doelstelling, zoals het bevorderen van sociale cohesie. Daarnaast moet er een marktfalen worden vastgesteld. Een gemeente of provincie moet aantonen dat zonder een (gedeeltelijke) dekking van het exploitatieverlies het project dat een publiek belang dient niet kan worden gerealiseerd. Belangrijk is dat alleen een minimum noodzakelijke bijdrage door de decentrale overheid wordt gefinancierd. Hierbij is het ook van belang om aan de hand van een onafhankelijke taxatie de onrendabele kostenposten in kaart te brengen. De steun mag namelijk slechts de werkelijke projectverliezen compenseren.

Na afloop van een dergelijk project dient een taxatie gemaakt te worden van de daadwerkelijke onrendabele top. Als er sprake is van overcompensatie moet deze terugbetaald te worden door de ontvanger. Hiervoor moet ook een terugbetalingsclausule worden opgesteld die verzekert dat te veel betaalde steun terugbetaald zal worden.

7. Meer informatie

7.1 Links

Handreiking grondtransacties en staatssteun, ministerie van VROM
Vademecum over gebiedsontwikkeling, Europese Commissie

7.2. Literatuur

Vastgoedtransacties sneller staatssteunproof‘, Tijdschrift voor Bouwrecht (nr. 6/2011). A.D.L. Knook,  p. 374-380.
‘Mededeling staatssteun bij verkoop van grond en gebouwen: simpel maar effectief?’, Tijdschrift voor Staatssteun (nr.1/ 2011). L. de Jong- Goris,  p. 5- 12.
’Beleidskansen bij de staatssteunregels’, Pluk de vruchten van de interne markt, SDU 2011. M. Aalbers, B. Hessel.

Reacties en disclaimer
Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Augustus 2012

augustus 2012

Het eisen van een keurmerk bij het aanbesteden van koffieautomaten is niet toegestaan. Dit volgt uit een uitspraak die het Europese Hof in mei 2012 deed tegen Nederland over de aanbesteding van koffieautomaten door de provincie Noord-Holland. Wel mogen de voor die milieukeur vastgelegde eisen gebruikt worden als technische specificatie.

1. Hof van Justitie EU, 10 mei 2012. Europese Commissie- Koninkrijk der Nederlanden (koffieautomaten Noord-Holland)

Zaak C-368/10

2. Beleidsdossier en thematiek:

Europees aanbesteden;
Technische specificaties;
Gunningscriteria;
Duurzaam aanbesteden.

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Het aspect duurzaamheid speelt een steeds belangrijkere rol binnen overheidsaanbestedingen. Decentrale overheden voelen steeds vaker de behoefte om binnen het inkoop- en aanbestedingsbeleid aandacht te besteden aan duurzame inkoop. Ook in Europa staat duurzaam inkopen sinds enkele jaren hoog op de agenda. De Europese Commissie ziet duurzaam inkopen als instrument om duurzame economische groei te bevorderen.

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag:

Op 16 augustus 2008 is in het Publicatieblad van de EU een aankondiging van gunning van een overheidsopdracht van de provincie Noord-Holland gepubliceerd. De opdracht behelst de levering en het beheer van koffieautomaten.

De provincie heeft in de technische specificaties de keurmerken Max Havelaar en EKO (of keurmerken met vergelijkbare of dezelfde uitgangspunten) voorgeschreven. Ter toetsing van de bekwaamheid van de ondernemers vroeg de provincie criteria en bewijzen betreffende duurzaam inkopen en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bij het formuleren van de gunningscriteria heeft  e provincie een verwijzing naar het Max Havelaar en/of EKO keurmerk (of keurmerken met dezelfde uitgangspunten) opgenomen.

De Europese Commissie meent dat door deze handelswijze de provincie niet heeft voldaan aan verplichtingen die op grond van de aanbestedingsrichtlijn op de provincie rusten. Meer specifiek zou  het gaan om schending van artikel 2 (transparantie en non-discriminatie), artikel 23 (technische specificaties), artikel 44 (geschiktheidseisen) en artikel 53 (gunningscriteria).

De Commissie stelt na aanmaning van- en een reactie daarop van Nederland (in 2009) in 2010 beroep in bij het Europese Hof. Het Hof doet in mei 2012 uitspraak en stelt dat de provincie niet heeft voldaan aan haar aanbestedingsverplichtingen.

5. Samenvatting uitspraak:

Doordat de provincie in de offerteaanvraag van inschrijvers verlangt dat:

1. Zij voldoen aan de ‘criteria van duurzaam inkopen en maatschappelijk verantwoord ondernemen’
2. Zij ‘bijdragen aan het duurzamer maken van de koffiemarkt en aan een milieutechnisch, sociaal en economisch verantwoorde koffieproductie’ en
3. in hun offerte aangeven ‘op welke wijze zij invulling geven’ aan de bedoelde criteria en ‘op welke wijze zij bijdragen’ tot de door de aanbestedende dienst aangegeven doelstellingen inzake de koffiemarkt en koffieproductie heeft de provincie een clausule vastgesteld die niet voldoet aan de transparantieplicht uit artikel 2 van aanbestedingsrichtlijn 2004/18.

6. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak:

6.1. Technische specificaties bij fairtrade producten

Voor decentrale overheden die bij aanbestedingen rekening willen houden met duurzame, milieu of sociale criteria bevat deze uitspraak een nadere invulling.

Ten eerste is duidelijk geworden met deze zaak dat het vereiste van een aanbestedende dienst dat een product een fairtrade product is niet wordt gezien als een technische specificatie. Dit wordt eerder gezien als een bijzondere uitvoeringsvoorwaarde in het contract. Wel staat het Hof toe dat het fairtrade karakter van een product onderwerp wordt van het gunningscriterium voor een contract. Verder is het eisen van een keurmerk als zodanig (in dit geval EKO of Max Havelaar) niet toegestaan. Wel mogen de voor die milieukeur geldende eisen gebruikt worden als technische specificatie. Verder kunnen technische specificaties worden aangegeven in termen van prestatie-eisen en functionele eisen. Deze eisen kunnen milieukenmerken bevatten. Doordat het EKO-keurmerk op milieukenmerken is gebaseerd en voldoet aan de in de richtlijn vermelde voorwaarden is het een ‘milieukeur’ in de zin van de aanbestedingsrichtlijn. Het Max Havelaar keurmerk duidt fairtradeproducten aan.

Bij de toekenning van het keurmerk worden vier criteria gehanteerd:

– De betaalde prijs moet alle kosten dekken;
– Die prijs moet een toeslag op de marktkoersen bevatten;
– De productie moet worden voorgefinancierd en;
– De importeur moet een langdurige handelsrelatie met de producenten hebben.

Deze vier criteria stroken niet met de definitie van technische specificatie in de aanbestedingsrichtlijn. Deze voorziet namelijk uitsluitend op de kenmerken van de producten zelf en de vervaardiging, de verpakking en het gebruik ervan. De definitie van technische specificatie gaat niet over de voorwaarden waaronder de leverancier de producten van de producent heeft betrokken. Het Max Havelaar keurmerk moet daarom als een voorwaarde voor de uitvoering voor een opdracht en niet als technische specificatie worden aangemerkt.

6.2. Gunningscriteria bij keurmerken

Tot slot mag een gunningscriterium wel inhouden dat een fairtradeproduct de voorkeur krijgt. Dit mag echter alleen geeist worden voor de in het kader van de opdracht te leveren producten. En niet voor het algemene inkoopbeleid van inschrijvers. Bij het formuleren van een gunningscriterium voor een fairtrade product mag geen keurmerk genoemd worden. Wel is het toegestaan de eisen van het keurmerk te noemen.

Meer informatie

– Inbreukprocedures, Aanbestedingen;
Milieucriteria, Aanbestedingen;
– Sociale en milieucriteria, jurisprudentie.

Reacties en disclaimer
Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

X