Emissiehandel

HvJ EU, 8 september 2011. Europese Commissie tegen Nederland

Zaak C-279/08. De Nederlandse regeling voor de handel in stikstofdioxide (NOx-regeling) bevat staatssteun. De regeling is wel verenigbaar met de interne markt. Dat kwam uit de lange procedure bij het Europese Hof van Justitie, dat op 8 september uitspraak deed in deze zaak. Het Hof houdt hiermee de conclusie en goedkeuring van de Europese Commissie in 2003 (C-(2003)761) in stand. Wel zou Nederland wijzigingen van de regeling moeten aanmelden bij de Commissie.

De NOx-regeling
De NOx-regeling geldt voor grote industriële installaties met een capaciteit van meer dan 20 Megawatt thermische energie, dat zijn ongeveer 250 ondernemingen in Nederland. De Nederlandse regering stelt op grond van deze regeling vast hoeveel stikstofdioxide er maximaal mag worden uitgestoten door deze ondernemingen. Wanneer zo’n onderneming onder dit maximum blijft, mogen zij het overschot als emissierecht verkopen. De bedrijven die deze rechten verkopen, kunnen hiermee flinke winst maken. Bovendien kunnen ondernemingen aan een geldboete ontsnappen door emissierechten te kopen.

De Commissie stelde dat hier sprake was van staatssteun, maar keurde de regeling toch goed op basis van de uitzondering in het Verdrag. Nederland was het niet eens met de Commissie dat de regeling staatssteun bevat en stelde in 2003 beroep in bij het Gerecht van eerste aanleg.

Het Gerecht
Het Gerecht stelde dat er bij deze regeling sprake was van voordeel voor ondernemingen, omdat Nederland bewust afzag van staatsinkomsten. De ondernemingen kunnen de emissierechten onderling verhandelen, waardoor de rechten een marktwaarde krijgen. Daarnaast kunnen de ondernemingen de rechten op elk moment verkopen. Op deze manier vormt de regeling een voordeel voor de betrokken ondernemingen dat met staatsmiddelen is bekostigd.

Het Gerecht stelde echter dat er geen sprake was van staatssteun, omdat de regeling niet selectief is. De regeling zou op een objectief criterium voor NOx-emissies zijn gebaseerd. Ook zou de regeling gerechtvaardigd zijn vanuit het oogpunt van milieubescherming, gezien de hoge NOx-emissies van de betrokken ondernemingen.

De Commissie en Nederland waren het allebei niet met deze uitspraak eens en stelden beroep in bij het Europese Hof van Justitie. Nederland argumenteerde dat er geen sprake was van met staatsmiddelen bekostigd voordeel. De Commissie vond dat de maatregel wel selectief is en dat er wel sprake was van staatssteun.

Het Hof
Het Hof geeft de Commissie gelijk en concludeert dat er staatssteun is gemoeid met de NOx-regeling. Volgens het Hof moet gekeken worden naar de gevolgen van de regeling en niet naar de doelstelling, in dit geval milieu. Anders dan het Gerecht, vindt het Hof dat de regeling selectief is. De regeling levert een voordeel op voor een beperkte groep grote ondernemingen met een hoge uitstoot. De regeling geeft deze ondernemingen de mogelijkheid te kiezen tussen de kosten die ze willen dragen; interne bedrijfsvoeringkosten om emissies te beperken of de aankoop van emissierechten.

Net als de Commissie en het Gerecht is het Hof van mening dat er staatsmiddelen gemoeid zijn met de regeling. De overheid biedt via de regeling gratis verhandelbare emissierechten aan ondernemingen, terwijl Nederland de rechten zelf had kunnen veilen of verkopen. Nederland derft hiermee inkomsten. Nederland heeft volgens het Hof hiermee bewust afstand gedaan van staatsinkomsten.

HvJ EU, 26 mei 2011. Stichting Natuur en Milieu e.a. tegen College van Gedeputeerde Staten van Groningen en van Zuid-Holland

Gevoegde zaken C-165/09 t/m C-167/09. Bij de verlening van een individuele milieuvergunning voor industriële installaties hoeft geen rekening te worden gehouden met het nationale emissieplafond voor luchtverontreinigende stoffen. Dit stelde het Europese Hof van Justitie (HvJ) recent in een uitspraak over Nederlandse kolencentrales. Lidstaten zijn volgens de NEC-richtlijn wel verplicht voldoende maatregelen te treffen, zodat het nationale emissieplafond niet wordt overschreden. Voor decentrale overheden is deze uitspraak van belang omdat zij milieuvergunningen verlenen.

Nationale emissieplafonds in NEC-richtlijn
De Richtlijn Nationale Emissieplafonds (NEC-richtlijn) bevat Europese plafonds voor een aantal verzurende en luchtverontreinigende stoffen. Doel van de NEC-richtlijn is grootschalige luchtverontreiniging en verzuring in Europa terug te dringen, met het oog op bescherming van de menselijke gezondheid en van natuurwaarden.

Arrest
Op 26 mei 2011 gaf het HvJ in Luxemburg antwoord op een aantal prejudiciële vragen die de Raad van State in 2009 aan het Hof heeft gesteld. Deze vragen kwamen voort uit drie zaken waarin milieuvergunningen zijn verleend voor twee elektriciteitscentrales op de Maasvlakte in Rotterdam en een elektriciteitscentrale aan de Eemshaven in Eemsmond. De vergunningen zijn verleend door respectievelijk de provincies Zuid-Holland en Groningen.

Onder meer Greenpeace Nederland, de Stichting Natuur en Milieu en een aantal particulieren stelden beroep in tegen deze vergunningen. Volgens hen hadden de provinciebesturen bij de vergunningverlening rekening moeten houden met de nationale emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen uit de Europese NEC-richtlijn. Door het verlenen van nieuwe vergunningen zouden deze emissieplafonds worden overschreden.

Een van de vragen die de Raad van State aan het Hof heeft voorgelegd is of en zo ja, in hoeverre, bij het beslissen op een aanvraag om een milieuvergunning rekening moet worden gehouden met de nationale emissieplafonds van de NEC-richtlijn.

Het Hof heeft uitgesproken dat een lidstaat bij vergunningverlening voor een industriële installatie niet verplicht is de nationale emissieplafonds uit de NEC-richtlijn als voorwaarde te betrekken in de beslissing. Wel moeten lidstaten zich volgens het Hof houden aan de verplichting uit de NEC-richtlijn om in het kader van nationale programma’s beleid op te stellen en maatregelen te nemen, die ‘in hun geheel genomen’ de emissies beperken en het nationale emissieplafond uit de NEC-richtlijn eind 2010 niet wordt overschreden.

Vervolg in Nederland
De Raad van State had de prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ om uitspraak te kunnen doen in de nationale zaak. Deze kan nu worden hervat. Tijdens de zitting krijgen de partijen de gelegenheid te reageren op de antwoorden van het Europese Hof. Daarna zal de Raad een uitspraak doen. Ook in andere zaken die bij de Raad lopen speelt de NEC-richtlijn een belangrijke rol.

Milieustrafrecht

HvJ EU, 13 september 2005. Commissie tegen Raad

Zaak C-176/03. Door een uitspraak van het Europese Hof van Justitie is vast komen te staan dat de Europese Commissie bevoegd is om de lidstaten strafrechtelijke verplichtingen op te leggen als dat noodzakelijk is om het milieu te beschermen.

Kaderbesluit
Door deze uitspraak is het Kaderbesluit van de Raad van 2004 over dit onderwerp nietig verklaard en in 2008 vervangen door de eerder aangehaalde richtlijn van de Commissie.

Mensenhandel jurisprudentie

EHRM, 7 januari 2010. Rantsev tegen Cyprus en Rusland

Zaak Rantsev tegen Cyprus en Rusland. In deze zaak bepaalt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat lidstaten mensenhandel volledig moeten aanpakken. Daarbij is internationale samenwerking gewenst.

EHRM, 25 juli 2005. Siliadin tegen Frankrijk

Zaak Siliadin tegen Frankrijk. In deze uitspraak bevestigde het EHRM dat een lidstaat aansprakelijk gehouden kan worden voor een schending van een door het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermde recht door een particulier.

Rentepercentages

Europese Commissie, 27 oktober 2010. Nitrogénmüvek tegen Hongarije

Zaak C-14/09. In deze zaak geeft de Commissie het volgende voorbeeld van de toepassing van referentiepercentages:

Om te bepalen of een lening staatssteun inhoudt, past de Commissie in de Mededeling referentiepercentages een maatstaf toe voor marktrentetarieven. Er kunnen verschillende marges worden toegepast op het basistarief van de lening. Deze marges zij afhankelijk van de beoordeling van de crediteur en de beschikbare zekerheden.

Lening niet marktconform

In het Terugvorderingbesluit Nitrogénmüvek tegen Hongarije was de lening niet marktconform. De totale daadwerkelijke financieringskosten (4.362%) lagen onder het benchmark referentietarief van die dag (8.99%). Er was sprake van een niet marktconform voordeel. Het actuele marktpercentage van de rente lag op 4.99%. Op basis van de referentie- en disconteringspercentages van de Commissie, moest hierbij een referentiepercentage van 4% worden opgeteld.

Nadeelcompensatie

Europese Commissie, 16 juni 2004. Akzo Nobel

Steunmaatregel N-304/2003. Akzo Nobel is producent van o.a. chloor, vervoerde chloor regelmatig per spoor. Na klachten over de veiligheid hiervan is besloten de productie te verplaatsen, waardoor er alleen in zeldzame gevallen nog chloor per spoor vervoerd mag worden.

Schadevergoeding
De Europese Commissie bepaalde dat een schadevergoeding geen selectief voordeel voor Akzo met zich meebrengt. De vergoeding dient ter compensatie van de schade ten gevolge van een overheidsingrijpen. De schadevergoeding moet het directe resultaat zij van dit overheidsingrijpen en wordt bepaald op grond van een schadevergoedingsregeling gebaseerd op het eigendomsrecht.

Staatssteun vermijden
De onteigeningswet biedt voldoende wettelijke grondslag om staatssteun te vermijden. Wel verplicht de Commissie de autoriteiten wettelijk om te proberen een oplossing te vinden met Akzo, voordat tot onteigening kan worden overgegaan.

Onteigening
In het kader van onteigeningen, wordt er vaak in der minne geschikt (bemiddeld), zodat een onteigeningsprocedure bij de rechter wordt voorkomen. De onteigeningswet bepaalt dit. Nadelig bij deze schikking, is dat aan de schadeloosstelling geen overheidsbesluit ten grondslag ligt. Daardoor is de afwezigheid van staatssteun minder goed verdedigbaar, omdat dit voor de Commissie noodzakelijk is bij het toekennen van de schadeloosstelling.

Europese Commissie, 20 december 2006. Bedrijfsverplaatsing Steenbergen

Besluit N-575/2006. Autodemontagebedrijf Steenbergen veroorzaakte in een woonwijk in Steenbergen geluid- en stankoverlast. Het bedrijf had sinds 1983 een milieuvergunning en overtrad geen nationale regelgeving. Ook waren er geen regels die een maximum stelden aan het geluid.

Geen rechtsgrondslag
De provincie Gelderland en de gemeente Zevenaar (waaronder Steenbergen valt) hadden geen rechtsgrondslag om een einde te maken aan de situatie zonder een schadevergoeding uit te keren. Ook al zou het bestemmingsplan aangepast worden, waren er geen juridische middelen om de vergunning in te trekken.

Schadevergoeding
De enige mogelijkheid was om Steenbergen verzoeken te vertrekken en een schadevergoeding aan te bieden. Hiermee stemde Steenbergen in. De schadevergoeding viel onder de Circulaire schadevergoedingen Wet milieubeheer, van het ministerie van VROM.

Onafhankelijke taxateur
Het schadebedrag werd door een onafhankelijke taxateur vastgesteld, op grond van systematiek bij onteigeningen. Hierbij werden de omvang en de rechten van de huidige locatie, vergeleken met de nieuwe locatie en werden de voordelen van verplaatsing daar vanaf getrokken.

Geen staatssteun
80% van de in aanmerking genomen kosten werd uiteindelijk vergoed. De Commissie oordeelde dat deze schadevergoeding geen staatssteun was in de zin van art. 107 lid 1 VWEU. De vergoeding aan Steenbergen was in overeenstemming met het nationaal recht.

Volgens de Commissie waren de provincie en gemeente in deze zaak verplicht een van te voren vastgestelde compensatie te betalen aan de onderneming. Ook moest de compensatie toepasbaar zijn voor alle ondernemingen in alle sectoren in Nederland.

Citynet Amsterdam

Europese Commissie tegen Nederland, 20 december 2006. Besluit Besluit C53/2006. In deze beschikking omlijnt de Europese Commissie het begrip MEIP aan de hand van vier criteria. Het is tot nu toe het enige breedbandbesluit waarin het MEIP werd getoetst.

(meer…)

Openbare infrastructuur

Europese Commissie, 24 april 2007. Aanleg tweede maasvlakte

Steunmaatregel N 60/2006. In deze beschikking maakte de Europese Commissie duidelijk in hoeverre investeringen in openbare infrastructuur geen staatssteun zijn. Het is de taak van de overheid om zorg te dragen voor het open houden van openbare vaarwegen. Er moet gezorgd worden voor een voor iedereen, op gelijke voorwaarden, toegankelijke algemene openbare infastructuur, die de markt niet op commerciële voorwaarden kan verschaffen. In dat geval is er sprake van een typische taak van de overheid en is de controle op staatssteun is niet van toepassing.

De Commissie is van oordeel dat overheidsinvesteringen in vaarwegen naar zee openbare faciliteiten voor vervoer over land binnen het havengebied en andere maritieme infrastructuur, die de maritieme gemeenschap als geheel ten goede komen, over het algemeen geen staatsteun is.

Infrastructuur
De Nederlandse staat zal bijdragen aan de aanleg van de infrastructuur die niet commercieel kan worden geëxploiteerd (een zeewering, een spoorbaan, een weg, pijpleidingen en kabelgoten, het doortrekken en verbreden van de bestaande zeevaarttoegang). Deze bijdrage heeft geen betrekking op investeringen in havenfaciliteiten die inkomsten voor het Havenbedrijf kunnen genereren (bijvoorbeeld door het aanrekenen van commerciële vergoedingen voor het gebruik van faciliteiten, het verhuren van nieuwe terminals enz.).

Grondprijs
Het Havenbedrijf heeft een markconforme prijs betaald voor de pacht van de gronden waarop de haven zal worden uitgebreid. Daarom is de Commissie tot de conclusie genomen dat deze maatregel geen staatssteun in de zin van art. 107 lid 1 VWEU inhoudt.

Market Economy Investor Principle
Het Rijk betaalt ook een marktprijs voor de nieuwe aandelen en zal delen in de inkomsten van het Havenbedrijf Rotterdam. De Commissie heeft vastgesteld dat het besluit van de Nederlandse overheid op winstvooruitzichten berust. Daar de Nederlandse overheid bij de aankoop van aandelen als een particuliere investeerder handelt, wordt deze aankoop evenmin als staatssteun beschouwd.

Europese Commissie, 21 oktober 2008. Ahoy en de gemeente Rotterdam

Zaak C-4/08. De Europese Commissie heeft op 21 oktober 2008 een investering van € 42 miljoen door Rotterdam in de renovatie en uitbreiding van het Sportpaleis, een onderdeel van het Ahoy’-complex, goedgekeurd. Een diepgaand onderzoek heeft uitgewezen dat de investering geen onrechtmatig voordeel toekent aan de exploitant van het complex of aan enige andere onderneming, omdat de overeenkomsten met de gemeente Rotterdam tegen marktvoorwaarden (het zogenaamde market economy investor principle) zijn gesloten.

Geen staatssteun
De Commissie heeft geconcludeerd dat de maatregel geen staatssteun inhoudt. Deze zaak is interessant voor andere decentrale overheden die investeren in accommodaties voor culturele, sport- en recreatie-evenementen.

Aansprakelijkheid EU recht en beleid

Aansprakelijkheid door particulieren en ondernemingen

Het Europese Hof van Justitie dat in het verleden verschillende uitspraken heeft gedaan waaruit de verantwoordelijkheden van decentrale overheden ten opzichte van het Europees recht kunnen worden afgeleid.

Francovich arrest

In het arrest Francovich (zaken C-6/90 en C-9/90) heeft het Hof zich uitgesproken over aansprakelijkheid als lidstaten richtlijnen niet tijdig omzetten in nationale wetgeving. In zulke gevallen kan de lidstaat bij de nationale rechter onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk worden gesteld door particulieren voor schade die zij hiervan ondervinden.

In het geval van het Francovich-arrest verzuimde de nationale wetgever een richtlijn tijdig om te zetten in nationaal recht. Indien de omzettingsfout bij de decentrale overheid ligt, bepaalt het nationale recht hoe de aansprakelijkheid is geregeld. De Europese Unie bepaalt niet hoe de interne verhoudingen binnen de lidstaten georganiseerd moeten zijn.

Konle arrest

In het arrest Konle (zaak C-302/97) werd de aansprakelijkheid van decentrale overheden nog eens duidelijk belicht. In deze zaak ging het om Oostenrijk, een land met een federale structuur. In Oostenrijk waren vergunningsvereisten gesteld aan de aankoop van grond. Er moest aangetoond worden dat de aankoop niet zou dienen voor de verkrijging van een tweede huis. Enkel Oostenrijkers waren van deze vergunningsverplichting vrijgesteld.

Ter discussie stond de vraag of deze vergunningsvereisten in strijd waren met de Verdragsbepalingen over de vrijheid van vestiging van EU-onderdanen. Het Hof zei: ‘lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de schade wordt vergoed die aan particulieren wordt toegebracht door een schending van het Europees recht, ongeacht welk overheidsorgaan dit recht heeft geschonden en welk overheidsorgaan in beginsel volgens het recht van de betrokken lidstaat deze schade dient te vergoeden’. Een lidstaat kan zich dus niet beroepen op de verdeling van bevoegdheid en aansprakelijkheid in zijn nationale rechtsorde om zelf aansprakelijkheid te voorkomen.

Naar aanleiding van deze jurisprudentie van het Hof zijn er drie voorwaarden voor aansprakelijkheid van een (decentrale) overheid:

1. de geschonden regel strekt ertoe rechten aan particulieren toe te kennen;
2. de schending kan aan de lidstaat worden toegerekend;
3. er is een direct causaal verband tussen de schending en de schade.

(Bron: F. Ambtenbrink en H.H.B. Vedder, ‘Recht van de Europese Unie’, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2006, p. 263)

HvJEU, LPN tegen Commissie, 14 november 2013

Zaken C 514/11 P en C 605/11 P. De Europese Commissie is niet verplicht om het onderzoeksdossier in een niet-nakomingsprocedure openbaar te maken. Dit geldt ook wanneer een klacht is geseponeerd en de Commissie geen formele inbreukprocedure bij het EU-Hof heeft ingesteld.

Feiten
LPN is een Portugese milieuorganisatie. In april 2003 heeft zij een klacht bij de Europese Commissie ingediend waarin zij stelt dat Portugal richtlijn 92/43/EEG inzake instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna heeft geschonden bij het stuwdamproject in de rivier Sabor in Portugal. Hierop startte de Commissie een niet-nakomingsprocedure tegen Portugal.

LPN verzocht de Commissie inzage te geven in de documenten over de behandeling van haar klacht. Deze inzage werd door de Commissie geweigerd. Ook nadat de Commissie de klacht over het stuwdamproject had geseponeerd kreeg LPN geen volledige toegang tot alle documenten. Hierop verzocht LPN het Gerecht om nietigverklaring van dit besluit van de Commissie. Het Gerecht verwierp het beroep van LPN.

Toegang tot documenten
Het Hof wijst erop dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of zetel in een lidstaat in beginsel het recht heeft op toegang tot documenten van de Unie instellingen.

Uitzonderingen
De instellingen mogen de toegang tot een document weigeren op grond van artikel 4 lid 2 van verordening 1049/2001, inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, wanneer dit de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits zou ondermijnen tenzij een hoger openbaar belang de openbaarmaking van een document vereist. De betrokken instelling moet dan wel motiveren in welk opzicht de toegang tot een document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van het belang dat beschermd wordt door de in dat artikel neergelegde uitzonderingen.

Algemene aanname
Het Hof heeft echter erkend dat de betrokken instelling zich in dit verband mag baseren op algemene aannames die gelden voor bepaalde categorieën documenten.

Er moet worden nagegaan of er een algemene aanname moet worden erkend dat de openbaarmaking van de documenten van de niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase in dergelijke omstandigheden de bescherming van het doel van onderzoeken ondermijnt.

Geen recht tot inzage
Het Hof wijst erop dat het Unierecht een particulier in niet-nakomingsprocedures niet het recht geeft om het dossier in te zien, ook al leidde zijn klacht tot de procedure. Het is daarbij niet van belang dat de klager optreedt tot verdediging van een persoonlijk of openbaar belang.

De Commissie moet namelijk nagaan of tegen deze lidstaat moet worden opgetreden, bepalen welke bepalingen hij heeft geschonden en op welk tijdstip de niet-nakomingsprocedure tegen deze lidstaat moet worden ingeleid.

Precontentieuze procedure
De precontentieuze procedure heeft tot doel de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen de krachtens het Unierecht op hem rustende verplichtingen na te komen en verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven.

Openbaarmaking van de documenten van een niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase kan bovendien de aard en het verloop van deze procedure wijzigen. Het kan dan nog moeilijker blijken om onderhandelingen aan te knopen en een schikking tussen de Commissie en de betrokken lidstaat tot beëindiging van een verweten niet-nakoming te treffen zodat het Unierecht kan worden nageleefd en verdere stappen kunnen worden vermeden.

Unieke categorie
Alle documenten van het dossier betreffende een precontentieuze fase van een niet-nakomingsprocedure vormen een unieke categorie. Hiervoor geldt een algemene aanname dat openbaarmaking van deze documenten in beginsel zou leiden tot ondermijning van de bescherming van het doel van onderzoeken.

Conclusie
Hieruit volgt volgens het Hof dat kan worden aangenomen dat de openbaarmaking van de documenten van een niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase ervan de aard van deze procedure dreigt aan te tasten en het verloop ervan te wijzigen.

Het Hof voegt hieraan toe dat deze algemene aanname niet uitsluit dat kan worden aangetoond dat een bepaald document waarvan openbaarmaking is gevraagd, niet onder die aanname valt of dat een hoger openbaar belang openbaarmaking van het betrokken document gebiedt.

Bovendien is de Commissie niet gehouden haar besluit te baseren op deze algemene aanname. Zij kan de in een verzoek om toegang bedoelde documenten steeds concreet onderzoeken en een dergelijke motivering geven. Wanneer zij vaststelt dat de dossierstukken volledig of gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt is zij verplicht tot openbaarmaking.

Rechtstreekse werking

Rechtstreekse werking van richtlijnen

De arresten van Duyn (41/74) en Ratti (148/78) betreffen jurisprudentie aangaande implementatietermijnen van Europese richtlijnen:

In de zaak van Duyn (41/74) uit 1974 bepaalde het HvJ EG onder meer dat het toenmalige artikel 48 EEG-Verdrag (nu artikel 45 VWEU, betreffende het vrij verkeer van werknemers) rechtstreekse werking had in de rechtsorden van de lidstaten en voor particulieren rechten doet ontstaan, welke de nationale rechter dient te handhaven.

Na het verstrijken van de implementatietermijn van een richtlijn mag een lidstaat zijn nationale, nog niet aan die richtlijn aangepaste, wetgeving niet toepassen op degene die overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn handelt. Dit heeft het Hof uitgemaakt in de zaak Ratti (148/78) uit 1979.

De zaak Ratti draaide om een richtlijn waarin gedetailleerde regels werden gesteld met betrekking tot de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (Richtlijn 73/173/EEG). Tullio Ratti, een producent van oplosmiddelen en vernissen, werd in Italië vervolgd omdat hij had verzuimd zijn producten conform de (strengere) Italiaanse regels te verpakken en te etiketteren. Hoewel de implementatietermijn ten tijde van deze feiten al was verstreken, was de Italiaanse wetgeving nog niet aangepast aan de richtlijn. Ratti handelde naar de eisen van de richtlijn, maar overtrad daarmee de Italiaanse wet. Hij betoogde voor het Hof dat de Italiaanse wetgever niet bevoegd was tot het stellen van strengere eisen.

In de zaak Becker (8/81) uit 1981 gaat het HvJ EG in overweging 17 en volgende in op rechtstreekse werking van richtlijnen (in casu een belastingrichtlijn) en bepaalt het Hof onder meer dat bijzondere problemen ontstaan indien een lidstaat niet op tijd richtlijnen implementeert in de nationale rechtsorde. Overweging 25 stelt dat ‘wanneer dus de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig lijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, kunnen de particulieren zich op die bepalingen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is. Hetzelfde geldt wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de Staat kunnen doen gelden”.

De zaak Kolpinghuis (80/86) uit 1987 gaat over de uitspraak van het HvJ EG betreffende het vraagstuk van omgekeerde verticale rechtstreekse werking en bepaalt ‘dat een nationale overheid zich niet ten laste van een particulier op een bepaling van een richtlijn kan beroepen, ten aanzien waarvan de noodzakelijke omzetting in nationaal recht nog niet heeft plaatsgevonden. Bij de toepassing van zijn nationale wetgeving moet de nationale rechter van een Lid-Staat deze wetgeving uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, ten einde het in artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag bedoelde resultaat te bereiken, doch een richtlijn kan niet uit zichzelf en onafhankelijk van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet bepalend zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met haar bepalingen handelen.Voor de hiervoor bij de beantwoording van de vragen gegeven oplossingen maakt het geen verschil uit, of de voor de Lid-Staat geldende termijn van de verplichting tot aanpassing van de nationale wetgeving op de relevante datum nog niet was verstreken’.

Zaak Wells (C-201/02) uit 2004, ook over omgekeerde verticale rechtstreekse werking, betrof te late implementatie van de Europese milieueffectenbeoordelingsrichtlijn in Engeland. Het HvJ EG bepaalde: ‘Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, in samenhang met artikel 4, lid 2, daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat bij de toepassing van bepalingen als Section 22 van de Planning and Compensation Act 1991 (wet ruimtelijke ordening en vergoedingen van 1991) en Schedule 2 van deze wet, de besluiten van de bevoegde instanties die tot gevolg hebben dat een mijnexploitatie kan worden hervat, tezamen een „vergunning” vormen in de zin van artikel 1, lid 2, van de genoemde richtlijn, zodat de bevoegde instanties in voorkomend geval verplicht zijn een milieueffectbeoordeling van deze exploitatie te verrichten. Bij een vergunningprocedure in verschillende fasen moet deze beoordeling in beginsel worden verricht zodra het mogelijk is alle milieueffecten die het project kan hebben, te onderscheiden en te beoordelen.
2) In omstandigheden als die van het hoofdgeding kan een particulier zich in voorkomend geval beroepen op artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337, in samenhang met de artikelen 1, lid 2, en 4, lid 2, daarvan.
3) Krachtens artikel 10 EG-Verdrag zijn de bevoegde autoriteiten verplicht in het kader van hun bevoegdheden alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen om het verzuim van een beoordeling van de milieueffecten van een project in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 te herstellen.

De in dit verband toepasselijke procedurevoorschriften behoren krachtens het beginsel van procesautonomie van de lidstaten tot de interne rechtsorde van elke lidstaat, mits evenwel die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Dienaangaande staat het aan de nationale rechter om uit te maken of het naar nationaal recht mogelijk is een reeds verleende vergunning in te trekken of op te schorten teneinde dit project overeenkomstig de vereisten van richtlijn 85/337 aan een beoordeling van de milieueffecten ervan te onderwerpen, dan wel of, als alternatief, de particulier, indien hij daarmee instemt, vergoeding van de geleden schade kan vorderen.’

In de gevoegde zaak Pfeiffer (C-397/01 en C-403/01) uit 2004 bepaalt het HvJ EG nogmaals dat voor richtlijnen en besluiten van de EU, waarvoor omzetting in nationaal recht nog nodig is, geldt dat zij mogelijk rechtstreekse werking hebben wanneer hun bepalingen onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.

De uitspraak van kortgedingrechter Den Haag van 31 maart 2015 (ECLI:NL:RBDHA: 2015:3522) betreft een voorbeeld van een uitspraak van een Nederlandse rechter over (rechtstreekse) werking van de Europese Tabaksproductenrichtlijn. De Nederlandse regels voor elektronische sigaretten in de Warenwet blijven overeind, zo bepaalde de kortgedingrechter in Den Haag. De Elektronische Sigaretten Bond Nederland (Esigbond) en een aantal van haar leden, die handelen in e-sigaretten, hadden in een kort geding tegen de Staat gevraagd om onderdelen van de Warenwet buiten werking te stellen. Deze zijn volgens hen in strijd met Europese regelgeving. De kortgedingrechter is hier niet in mee gegaan. Nederland mag volgens de kortgedingrechter al veiligheidseisen stellen aan e-sigaretten vooruitlopend op de invoering van nieuwe Europese regels in Nederland. Het belangrijkste argument van de bond tegen onderdelen van de Warenwet was dat deze strijdig zijn met de Europese richtlijn die vanaf 20 mei 2016 de bestaande regels in afzonderlijke lidstaten op één lijn moet zien te krijgen. De kortgedingrechter is van oordeel dat deze Europese richtlijn niet verbiedt aan Nederland om al eerder dergelijke maatregelen te treffen, zoals de Esigbond betoogde.

Zie ook de rechtspraak onder aansprakelijkheid decentrale overheid in het dossier Europees recht en beleid (onder meer Francovich arrest en Konle).

Zie ook de rechtspraak in het milieudossier Europa decentraal over rechtstreekse werking van milieurichtlijnen.

Zie ook de rechtspraak in het Europa decentraal dossier aanbestedingsrichtlijnen, rechtstreekse werking, jurisprudentie over rechtstreekse werking aanbestedingsrichtlijnen.

Verdragsbeginselen

HvJ, 6 oktober 2016, Tecnoedi Costruzioni Srl tegen Comune di Fossano

Zaak C-318/15. Het Europese Hof van Justitie heeft in dit arrest geoordeeld dat de aanwezigheid van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet snel moet worden aangenomen. Dit heeft tot gevolg dat er voor onderdrempelige opdrachten geen Europese  aanbestedingsplicht geldt. Om het grensoverschrijdend belang aan te nemen moeten er concrete aanwijzingen zijn. De enkele omstandigheid dat het werk moet worden uitgevoerd 200 km nabij de grens en er nationale inschrijvers zijn die verder dan 200 km (in hetzelfde land) zijn gevestigd, is onvoldoende.

Lees hier verder.

HvJ EU, 8 mei 2014. Idrodinamica Spurgo Velox srl e.a. tegen Acquedotto Pugliesa SpA

Zaak C-161/13. In deze zaak gaat het om de gunning van een opdracht voor rioolwaterzuivering door een Italiaans overheidsorgaan aan een tijdelijk samenwerkingsverband. Het Hof buigt zich over de rechtmatigheid van de procedure en het rechtszekerheidsbeginsel.

Lees hier verder.

HvJ EU, 10 juli 2014. Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici tegen Comune di Milano

Zaak C-358/12.  Deze zaak gaat over het evenredigheidsbeginsel. Het Hof buigt zich over de vraag of dat beginsel in de weg staat aan een nationale regeling die verplicht stelt dat een inschrijver die een inbreuk heeft begaan op het gebied van de storting van sociale zekerheidsbijdragen moet worden uitgesloten van de gunningsprocedure.

Lees hier verder.

HvJ EU, 15 juli 2010. Europese Commissie tegen Bondsrepubliek Duitsland

Zaak C-271/08. In deze zaak gaat het om een aantal gemeenten die een dienstenovereenkomst voor bedrijfspensioenvoorziening Europees hadden moeten aanbesteden. Het Hof gaat in op de vraag of verzekeringsovereenkomsten aanbestedingsplichtige opdrachten zijn. Hierbij gaat het Hof ook in op het evenredigheidsbeginsel.

Lees hier verder.

HvJ EU, 23 december 2009. Serrantoni en Consorzio stabile edili

Zaak C-376/08. In deze zaak ging het om een geding tussen de bouwonderneming Serrantoni en de gemeente Milaan. Milaan had Serrantoni uitgesloten van deelneming aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor werken. Deze had namelijk een Italiaanse regeling overtreden. Het Hof gaat onder andere in op de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid.

Lees hier verder.

HvJ EU, 19 mei 2009. Assitur

Zaak C-538/07. In Italiaanse wetgeving waren andere uitsluitingsgronden opgenomen dan die in de Europese aanbestedingsrichtlijnen staan. Volgens Italiaanse wetgeving mogen ondernemingen die een afhankelijkheidsrelatie tot elkaar hebben, niet tegelijk aan een aanbesteding deelnemen. Het Hof beoordeelt of deze regeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Lees hier verder.

HvJ EG, 15 mei 2008. Torine tegen Secap en Santorso

Gevoegde zaken C-147/06 en C-148/06.
Op grond van een Italiaanse wet moesten abnormaal lage inschrijvingen automatisch worden uitgesloten. In deze zaak ging het om een opdracht met een waarde lager dan de Europese drempelwaarden. Het Hof gaat in op grensoverschrijdend belang en de toepassing van fundamentele verdragsbeginselen.

Lees hier verder.

HvJ EU, 29 maart 2012. SAG ELV Slovensko e.a. tegen NDS

Zaak C-599/10. In deze zaak zijn 2 ondernemingen, na nadere toelichting op de technische aspecten en abnormaal lage prijzen van hun inschrijving, uitgesloten van een aanbestedingsprocedure omdat de toelichtingen tekort schoten. Het Hof gaat in op de vraag of aan de ingeschreven partij om nadere toelichting kan of moet worden gevraagd, met oog op art. 2 (beginselen van gelijkheid en transparantie) en art. 55 (abnormaal lage inschrijvingen) richtlijn 2004/18.

Lees hier verder.

HvJ EG 14 juni 2007. Medipac tegen Venizeleio-Pananeio

Zaak C-6/05. In deze zaak gaat het om een openbare aanbesteding voor de levering van chirurgische hechtingsmaterialen. Deze moesten zijn voorzien van een bepaald certificaat. De waarde van de opdracht lag beneden de Europese drempelwaarden. Het Hof gaat verder in op de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en evenredigheid.

Lees hier verder.

HvJ EG, 12 november 2009. Commissie tegen Griekenland (ERGA OSE)

Zaak C-199/07. In deze zaak gaat het om een maatregel van Griekenland op grond waarvan buitenlandse adviesbureaus konden worden uitgesloten van een aanbestedingsprocedure. Het Hof gaat in deze zaak in op het correct toepassen van de aanbestedingsregels en de verdragsbeginselen (vooral non-discriminatie) bij het gunnen van overheidsopdrachten.

Lees hier verder.

HvJ EG, 21 februari 2008. Commissie tegen Italiaanse Republiek

Zaak C-412/04. In dit arrest sluit Italiaanse wetgeving opdrachten onder een zekere drempel uit van de regeling tot openbaarmaking. Het Hof gaat in op grensoverschrijdend belang en de beginselen van transparantie en non-discriminatie.

Lees hier verder.

HvJ EG, 29 april 2004. Succhi di Frutta

Zaak C-469/99. In deze zaak ging het om het wijzigen van een voorwaarde die was vastgelegd in het bestek. In deze zaak worden door het Hof de beginselen van gelijke behandeling en transparantie uitgelegd.

Lees hier verder.

HvJ EG, 4 december 2003. Wienstrom

Zaak C-448/01.In een aanbesteding tot levering van elektriciteit werd vereist dat de stroom voor 45% moest worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. Het Europees recht verzet zich hier in principe niet tegen. In deze zaak gaat het om het gelijkheids- en transparantiebeginsel.

Lees hier verder.

Gerechtshof Den Bosch 24 juli 2001. CSU schoonmaak B.V. tegen Politieregio Brabant Zuidoost

Zaak KG c0100285/HE.  In deze zaak ging het om een te laat ingediende offerte. Het gelijkheidsbeginsel is een belangrijke leidraad bij aanbestedingsprocedures. Op grond hiervan mocht de politieregio de betreffende offerte niet eenvoudigweg in aanmerking nemen.

Toen de offerte binnenkwam waren de andere inschrijvingen nog niet geopend. Deze omstandigheid doet echter niet af aan het in acht nemen van het gelijkheidsbeginsel.

Strikte naleving aanbestedingsregels
Het is natuurlijk ongelukkig voor CSU dat haar offerte slechts 7 minuten te laat is ingediend, maar het gelijkheidsbeginsel vereist strikte naleving van de voor aan aanbestedingsprocedure geldende regels. Andere partijen mochten erop vertrouwen dat de inschrijvingstermijn op 8 december 2000 om 12 uur gesloten was. Voor een nadere afweging van belangen is in deze zaak geen ruimte.

HvJ EG, 7 december 2000. Arge

Zaak C-94/99. Het Hof stelt dat een inschrijver in de loop van een selectieprocedure kan worden uitgesloten wanneer de aanbestedende dienst van oordeel is dat hij onrechtmatige staatssteun heeft ontvangen. De verplichting de onwettige steun terug te betalen zou een risico voor zijn financiële gezondheid kunnen zijn. Daardoor kan deze inschrijver niet de financiële en economische vereisten bieden (art. 55 Richtlijn 2004/18).

Gelijke behandeling
Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers wordt niet geschonden, als een aanbestedende dienst lichamen toelaat, die van de betrokken dienst of van andere aanbestedende diensten subsidies ontvangen. Ook al kunnen die lichamen hierdoor aanbiedingen doen waarvan de prijzen veel lager zijn dan die van hun mededingers, die niet een dergelijke subsidie ontvangen.

HvJ EG, 25 april 1996. Commissie/België, Waalse bussen

Zaak C-87/94. Het Hof stelt dat de beginselen van transparantie en gelijkheid als algemene beginselen van aanbestedingsrecht gelden.

HvJ EG, 22 juni 1993. Commissie/Denemarken, Storebaelt

Zaak C-243/89. In deze zaak was een besteksbepaling opgenomen waarin inschrijvers werden verzocht zoveel mogelijk Deens personeel in te schakelen. Het Hof verwijst hier naar art. 39 van het EG-Verdrag (verbod op (in)directe discriminatie naar nationaliteit van werknemers uit EG-lidstaten).

Gelijkheidsbeginsel
Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers wordt niet uitdrukkelijk genoemd in de richtlijnen. Toch volgt uit de hoofddoelstelling van de richtlijnen (mededinging) de verplichting om dit beginsel toe te passen. Alle offertes moeten voldoen aan de voorschriften van het bestek. Hierdoor is een objectieve vergelijking mogelijk van de verschillende ingediende offertes.

In deze zaak oordeelde het Hof dat een lidstaat die in het kader van een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, een oproep tot inschrijving doet uitgaan waarbij als voorwaarde gesteld wordt dat zoveel mogelijk nationale (in casu Deense) materialen, verbruiksgoederen, arbeidskrachten en materieel worden gebruikt, niet de op hem rustende verdragsbeginselen nakomt.

HvJ EG, 20 september 1988. Beentjes tegen Nederlandse staat

Zaak 31/87. In een aanbesteding was de eis opgenomen dat 70% van het totale arbeidspersoneel bij uitvoering van de opdracht ingeschreven werklozen uit Nederland betrof. Het Hof geeft aan dat dergelijke voorwaarden aan de Verdragsbeginselen moeten worden getoetst.

Lees hier verder.

HvJ EU, 10 oktober 2013. Ministeriet Forskning tegen Manova

Zaak C-336/12. Aanbestedende diensten moeten zich aan bepaalde voorwaarden houden wanneer zij een verzoek doen om nadere toelichting bij een inschrijving in een aanbestedingsprocedure. In deze zaak past het Hof de criteria uit het Slovensko arrest toe.

Lees hier verder.

Hoge Raad, 7 december 2012. Staat der Nederlanden tegen KPN

Zaak LJN BW9233. In deze zaak werd de vraag gesteld of de Nederlandse Staat KPN als inschrijver op een aanbesteding heeft mogen uitsluiten. Het Hof past de beginselen van gelijkheid en transparantie toe op uitsluitingsgronden en de motivatie van de gunningsbeslissing.

Lees hier verder.

Het Gerecht, 20 oktober 2011. Alfastar Benelux SA tegen de Raad van de EU

Zaak T-57/09. De Raad van de EU was een niet-openbare aanbestedingsprocedure begonnen voor technisch onderhoud en supportdiensten voor computer en printers voor het secretariaat. Alfastar-Siemens (consortium) was een van de inschrijvers. De Raad was voornemens de opdracht aan een andere inschrijver te gunnen. Het Hof buigt zich over de motiveringsplicht.

Lees hier verder.

Gerecht, 15 april 2011. IPK tegen Commissie

Zaak T-297/05. In deze zaak is er sprake van geheime afspraken tussen een ambtenaar van de Commissie en een onderneming die Europese subsidie heeft ontvangen. Het Gerecht overweegt dat de beginselen van transparantie en gelijkheid ook van toepassing zijn bij de verdeling van subsidies en hanteert hiervoor nagenoeg dezelfde overwegingen als die in aanbestedingsrechtelijke jurisprudentie worden gehanteerd.

Lees hier verder.

HvJ EU, 17 maart 2011. Strong Segurança SA tegen Município de Sintra

Zaak C-95/10. Gemeente Sintra maakte een internationale aanbesteding bekend voor de aankoop voor bewakings- en beveiligingsdiensten. Hiervoor werd een minimale financiële draagkracht gesteld. In deze zaak wordt aan het Hof gevraagd in hoeverre de verplichtingen uit richtlijn 2004/18 van toepassing zijn op IIB-diensten.

Lees hier verder.

Het Gerecht, 8 juli 2010. Evropaïki Dynamiki vs Europees Milieu Agentschap

Zaak T-331/06. In deze zaak gaat het om het toepassen van het transparantiebeginsel bij de gunning van overheidsopdrachten. Het ging om de vraag of de aanbestedende dienst ten onrechte na de inschrijving gewicht aan de sub-gunningscriteria had gehangen, zonder dat de inschrijvers hiervan op de hoogte waren.

Lees hier verder.

Het Gerecht, 20 mei 2010. Duitsland tegen Europese Commissie

Zaak T-258/06. Duitsland is in beroep gegaan tegen een interpretatieve mededeling van de Europese Commissie. Deze gaat over de gemeenschapswetgeving en verdragsbeginselen die van toepassing zijn op het plaatsen van opdrachten die niet of gedeeltelijk onder de richtlijn overheidsopdrachten vallen.

Lees hier verder.

HvJ EU, 29 april 2010. Commissie tegen Duitsland (Ambulancediensten)

Zaak C-160/08. In deze zaak gaat het om het toepassen van het transparantiebeginsel bij de gunning van een overheidsopdracht voor ambulancediensten.

Lees hier verder.

Het Gerecht, 28 januari 2009. Centro Studi

Zaak T-125/06. In 2004 schreef de Raad van de EU een niet-openbare aanbesteding voor het beheer van een crèche uit. De aanbesteding wordt ingetrokken en het beheer van de crèche wordt overgedragen aan een aan de Raad gelieerde dienst. Het Hof beoordeelt in deze zaak of de motiveringsplicht en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden door de Raad.

Lees hier verder.

HvJ EG, 18 december 2007. Ierse ambulancediensten

Zaak C-532/03. Zonder enige publicatie gunde de gemeente Dublin een opdracht voor spoedeisende ambulancediensten aan de Eastern Regional Health Authority. In deze zaak gaat het om het toepassen van het transparantiebeginsel bij de gunning van ambulancediensten.

Lees hier verder.

Conclusie AG Stix-Hackl, 14 september 2006

Conclusie van de AG in de zaak C-532/03. Volgens de Advocaat-Generaal is er in deze zaak geen sprake van een overheidsopdracht. Er is namelijk geen schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel. Per specifiek geval moet er gekeken worden naar wat de passende mate van openbaarheid is (zie ook Coname-zaak).

HvJ EG, 29 november 2007. Commissie tegen Italië (ambulancevervoer)

Zaak C-119/06 In deze zaak gaat het om het toepassen van het transparantiebeginsel bij de gunning van overheidsopdrachten voor ambulancevervoer.

Lees hier verder

HvJ EG, 13 november 2007. An Post

Zaak C-507/03. In deze zaak gaat het om postkantoordiensten die als IIB-dienst kunnen worden aangemerkt. Het Hof buigt zich over de toepassing van het transparantiebeginsel.

Lees hier verder.

Conclusie AG Stix-Hackl, 14 september 2006

Conclusie van de AG in zaak C-507/03. De Advocaat-Generaal gaat in op de vraag of het primaire Europese recht (EG-Verdrag) ook supplementair van toepassing kan zijn naast het secundaire Europese recht (richtlijnen).

HvJ EG, 26 april 2007. Finse keuken-zaak

Zaak C-195/04. In deze zaak gaat het om het toepassen van het transparantiebeginsel bij de gunning van overheidsopdrachten, die onder de Europese aanbestedingsdrempel liggen.

Lees hier verder.

Opinie AG Sharpston, 18 januari 2007

Zaak C-195/04. De Advocaat-Generaal bepaalt dat de transparantieverplichting van het EG-recht geen verplichting meebrengt voor contracten, die onder de Europese aanbestedingsdrempel liggen. Volgens de Advocaat-Generaal is het bepalen van een passende mate van openbaarheid voor contracten van lage waarden, een zaak van nationaal recht.

Lees hier verder.

HvJ EG, 13 oktober 2005. Parking Brixen

Zaak C-458/03. Het gaat in deze zaak vooral om de uitleg van het zogenaamde toezichtcriterium (het eerste Teckelcriterium) bij quasi-inbesteden. Volgens dit criterium oefent de concessieverlenende overheidsinstantie toezicht uit op de concessiehouder, zoals op haar eigen diensten. Als aan dit criterium en het criterium van merendeel wordt voldaan is er sprake van een gezagsstructuur.

Lees hier verder.

HvJ EG, 21 juli 2005. Coname

Zaak-231/03. Deze zaak gaat over een concessie voor het beheer van de gasdistributie en het onderhoud van de installaties voor de distributie van methaangas. Het Hof buigt zich over de vraag of bij het direct toewijzen van de concessie is voldaan aan de eisen van transparantie.

Lees hier meer.

HvJ EG, 7 december 2000. Telaustria

Zaak C-324/98. In deze zaak gaat om de rol van het primair unierecht bij overheidsopdrachten.

Primair recht bij aanbesteden
Het Gemeenschapsrecht op het gebied van overheidsopdrachten bestaat niet alleen uit de aanbestedingsrichtlijnen. Ook bepalingen van primair recht, zoals vastgelegd in het EG-Verdrag, zijn essentieel. Deze bepalingen zijn van toepassing op alle overheidsopdrachten. Dus ook op opdrachten die niet onder de toepassing van de aanbestedingsrichtlijnen vallen. Te denken valt aan opdrachten in de vorm van een dienstenconcessie en/of opdrachten onder het Europese drempelbedrag.

Non-discriminatie en transparantie
Om aan de vereisten van transparantie en non-discriminatie te voldoen zal de gemeente de overheidsopdracht moeten publiceren. Deze publicatie werd door het Hof in de betreffende zaak nogal cryptisch uitgelegd: aan elke potentiële inschrijver dient ‘een passende mate van openbaarheid’ te worden gegarandeerd (r.o. 62).

HvJ EU, 8 november 2011. Evropaïki Dynamiki tegen Commissie

Zaak C-469/11. In mei 2004 heeft ED ingeschreven op een offerteaanvraag van de Commissie. ED eist schadevergoeding voor de schade die zij heeft geleden door de onrechtmatige afwijzing van haar offerte. In deze zaak gaat het Hof gaat in op de verjaringstermijn voor schadevorderingen.

Lees hier verder.

HvJ EU, 10 juli 2014. Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici tegen Comune di Milano

Zaak C-358/12. In deze zaak wordt opdracht voor werken aan Libor gegund. De definitieve gunning Libor wordt echter nietig verklaard omdat Libor op het moment van inschrijving achter liep met de betaling van socialezekerheidsbijdragen. In dit kader wordt een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de uitlegging van het evenredigheidsbeginsel.

Lees hier verder.

Integratie en inburgering jurisprudentie

Arrest Chakroun

In maart 2010 heeft het Europees Hof van Justitie uitspraak gedaan in de zaak Chakroun (C-578/08). Het Hof stelt dat de Nederlandse inkomensnorm voor gezinshereniging (120% van het minimumloon) in strijd was met de Europese richtlijn inzake het recht op gezinshereniging.

Het is voldoende als het gezin beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Daarnaast bepaalt het Hof dat het onderscheid tussen gezinsherenigers en gezinsvormers niet toelaatbaar is.

De inkomenseis in Nederland is aangepast naar 100 % van het wettelijk minimumloon. De leeftijdsgrens is voor beide categorieën verhoogd van 18 naar 21 jaar.

Gezinsmigratie

In het arrest Ruiz Zambrano (C-34/09) oordeelde het Hof dat ouders die zelf geen EU burger zijn, maar wel een minderjarig kind of kinderen hebben die het EU burgerschap bezitten, verblijfsrecht hebben als anders de minderjarige wordt gedwongen de EU met hen te moeten verlaten.