Vrijheid van vestiging wet- en regelgeving

Art. 49 VWEU bevat de regels voor het verbod op de beperking van de vrijheid van vestiging.

Artikel 49 VWEU:

In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.

Vrijheid van vestiging

De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal:

– De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan;
– De oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van art. 54 alinea 2 VWEU, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

Vrij verkeer van werknemers wet- en regelgeving

Art. 45 van het VWEU houdt het verbod op discriminatie in.

Artikel 45 VWEU

1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,
     A. in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
     B. zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
     C. in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
     D. op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen verordeningen.

4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.

EU-burgerschap wet- en regelgeving

In artikel 18, 20 en 21 VWEU worden de rechten en regels omtrent het EU-burgerschap uitgelegd.

Artikel 18 VWEU:

Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.

Artikel 20 VWEU:

1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
A. het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;
B. het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
C. het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;
D. het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Artikel 21 VWEU:

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

2. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om deze doelstelling te verwezenlijken en de Verdragen niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken.

3. Ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen als in lid 1 genoemd en tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, maatregelen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Burgerschapsrichtlijn links

Ministerie van Buitenlandse Zaken, over EU- burgerschap
Europese Commissie, over EU-burgerschap

Burgerschapsrichtlijn wet- en regelgeving

De Burgerschapsrichtlijn heeft betrekking op het recht van vrij verkeer en verblijf, inclusief het duurzaam verblijfsrecht, op het grondgebied van de lidstaten door EU-burgers en hun familieleden (art. 1 richtlijn). De richtlijn geeft uitwerking aan art. 21 VWEU. De begunstigden (art. 3 richtlijn) zijn onderdanen van de EU-lidstaten, dat wil zeggen:

– Werknemers;
– Dienstverleners en -ontvangers;
– Zelfstandigen
– Studenten;
– Gepensioneerden;
– Economisch niet-actieven;
– De familieleden van deze categorieën burgers.

Derdelanders

Derdelanders, ofwel mensen uit landen die niet tot de EU behoren, zijn in beginsel uitgesloten van de werking van de richtlijn, tenzij zij familielid zijn, zoals gedefinieerd in art. 2 lid 2 richtlijn.

Artikel 21 VWEU

Art. 21 VWEU luidt als volgt:

‘Iedere burger van de EU heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld’.

Rechten EU-burgers

EU-burgers en hun familieleden hebben uit- en inreisrechten en verblijfsrechten (art. 4 en 5 richtlijn), inclusief een duurzaam verblijfsrecht onder bepaalde voorwaarden. Unieburgers met een geldig identiteitsbewijs of paspoort moeten worden toegelaten behoudens legitieme uitzonderingen. Van familieleden die derdelanders zijn mogen lidstaten een inreisvisum vragen (art. 5 lid 2 richtlijn).

Verblijfsrecht

EU-burgers hebben het recht om drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven (art. 6). Een verblijfsrecht van meer dan drie maanden (art. 7 richtlijn) komt (al dan niet onder voorwaarden) toe aan:

– EU-burgers die in het gastland werknemer of zelfstandige zijn (art. 7 lid 1a richtlijn);
– EU-burgers die aan kunnen tonen dat ze over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1b richtlijn);
– Studenten die een opleiding volgen en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1c richtlijn);
– Een familielid, al dan niet onderdaan van de EU, dat een EU-burger begeleidt of zich bij hem voegt en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikt (art. 7 lid 1d richtlijn);
– Ex-werknemers en ex-zelfstandigen hebben onder bepaalde voorwaarden ook het verblijfsrecht van drie maanden (art. 7 lid 3 richtlijn).

Uitzonderingen

De richtlijn bevat uitzonderingen die door nationale overheden ingeroepen kunnen worden om beperkingen op het inreis- en verblijfsrecht van EU-burgers en hun familieleden te rechtvaardigen. Lidstaten kunnen de vrijheid van verkeer en verblijf van EU-burgers en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken ‘om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid’ (art. 27 lid 1 richtlijn).

Beroep op openbare orde- of openbare veiligheid-exeptie

Art. 27 lid 2 van de richtlijn bevat de voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn ontwikkeld om een geslaagd beroep te kunnen doen op de openbare orde- of openbare veiligheid-exceptie.

Eisen uitzetting migrerende EU-burger

Er moeten aan vijf eisen voldaan worden voordat een migrerende EU-burger of zijn familielid kan worden uitgezet (art. 27 en 28 richtlijn):

– Het evenredigheidsbeginsel;
– De genomen maatregel mag uitsluitend op het persoonlijke gedrag van de betrokkene berusten, waarbij strafrechtelijke veroordelingen geen reden voor de maartegel vormen;
– Het gedrag van betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen;
– De maatregel mag niet losstaan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen;
– Er moet rekening worden gehouden met de duur van het verblijf, de leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate van binding met zijn land van oorsprong (art. 28 richtlijn).

Relatie Burgerschapsrichtlijn en Dienstenrichtlijn

De Burgerschapsrichtijn is van toepassing naast de Dienstenrichtlijn en ook buiten de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op regels die van toepassing zijn op de uitoefening van de diensten die zij verrichten.

Als de dienstverlener en EU-burger uit een andere lidstaat Nederland binnenkomt, moet de (decentrale) overheid de administratieve formaliteiten van de Burgerschapsrichtlijn in acht nemen die betrekking hebben op migratierechten.