EUrrest
EUrrest

December 2013

december 2013

1.Introductie:

In het arrest LPN-Europese Commissie staat de vraag centraal of de Europese Commissie verplicht is om het onderzoeksdossier in een niet-nakomingsprocedure openbaar te maken. Dit vraagstuk kan voor decentrale overheden van belang zijn wanneer zij zelf betrokken zijn in een niet-nakomingsprocedure en bijvoorbeeld particulieren documenten over de vermeende niet-nakoming van Europees recht door die decentrale overheid zouden willen opvragen bij de Commissie. Maar ook wanneer decentrale overheden zelf informatie over een niet-nakomingsprocedure zouden willen inwinnen bij de Europese Commissie.

2.Zaak:

LPN-Europese Commissie, Hof van Justitie EU, 14 november 2013, gevoegde zaken C 514/11 P en C 605/11 P

3.Beleidsdossier

Europees recht algemeen, thema openbaarmaking van documenten in een niet-nakomingsprocedure

4. De feiten

LPN is een Portugese, niet gouvernementele organisatie die milieubescherming tot doel heeft. In april 2003 dient zij een klacht in bij de Europese Commissie dat lidstaat Portugal richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna schendt bij het stuwdamproject op de rivier de Sabor. Na deze klacht leidde de Commissie een niet-nakomingsprocedure in tegen Portugal en nam zij contact met deze lidstaat op om na te gaan in hoeverre het project richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand en richtlijn 92/43 kon schenden.

In maart 2007 verzocht LPN de Commissie om toegang tot informatie over de behandeling van haar klacht en om inzage in door de Commissie opgestelde en door de Commissie en Portugal uitgewisselde documenten. De Commissie wees dit verzoek af onder verwijzing naar artikel 4 van Verordening nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Deze Verordening bepaalt overeenkomstig artikel 255 van het voormalige EG-Verdrag (nu artikel 15 VWEU) de beginselen, voorwaarden en beperkingen van het recht van toegang tot documenten van deze instellingen.

De betrokken regeling in kwestie

Artikel 4 van deze verordening bepaalt onder meer in lid 1 dat instellingen de toegang tot een document kunnen weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van openbaar belang of de persoonlijke levenssfeer en integriteit van het individu. Lid 2 bepaalt dat instellingen de toegang weigeren wanneer de openbaarmaking zou leiden tot ondermijning van bescherming van:

-commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom;
-gerechtelijke procedures en juridisch advies; en
-het doel van inspecties, onderzoeken en audits,
tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.

Met name lid 2 derde gedachtestreep (inspecties, onderzoeken en audits) speelde een rol in het weigeringsbesluit van de Commissie uit 2007.

Lid 3 van artikel 4 bepaalt wanneer toegang tot een document dat door een instelling is opgesteld voor intern gebruik of door een instelling is ontvangen en betrekking heeft op een aangelegenheid waarover de instelling nog geen besluit heeft genomen, wordt geweigerd. Ook geeft dit lid aan wanneer de toegang tot een document, met standpunten voor intern gebruik in het kader van beraadslagingen en voorafgaand overleg binnen de betrokken instelling, wordt geweigerd.

Reactie van de Commissie

Op 18 januari 2008 liet het DG Milieu van de Commissie aan LPN weten dat zij voornemens was de Commissie voor te stellen haar klacht in de niet-nakomingsprocedure over het stuwdamproject te seponeren. Op dezelfde dag stelde LPN beroep in tegen het weigeringsbesluit van de Commissie uit 2007 en verzocht LPN het Gerecht om nietigverklaring van het besluit. In februari 2008 herhaalde LPN haar verzoek om toegang tot de documenten.

Omdat de Commissie in februari 2008 ook had besloten de klacht te seponeren, kon zij in april 2008 aan LPN mededelen dat het weigeren van inzage in de documenten op grond van artikel 4 lid 2, derde gedachtestreep niet langer van toepassing was. LPN kreeg vervolgens inzage in de dossiers van de Commissie en toegang tot de inhoud van een aantal documenten maar bleef de toegang tot een aantal documenten weigeren (oktober 2008). De Commissie beriep zich hier op de uitzonderingen van artikel 4 lid 3, tweede alinea (bescherming besluitvormingsproces) en artikel 4 lid 2, tweede gedachtestreep (bescherming gerechtelijke procedures).

Rechtsvraag aan het HvJ EU

Het Gerecht wijst op 9 september 2011 haar arrest (T-29/08) en verwerpt het beroep van LPN tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie uit 2007 (het besluit tot bevestiging van de weigering van toegang tot documenten in het dossier van een niet nakomingsprocedure tegen Portugal). Vervolgens gaat LPN naar het Hof van Justitie van de EU met het verzoek het bestreden arrest van het Gerecht gedeeltelijk te vernietigen voor zover het Gerecht daarbij de vorderingen van LPN tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie uit 2007 heeft afgewezen en voor zover het documenten en uitreksels van documenten betreft waarvoor de Commissie de weigering van toegang in haar besluit van oktober 2008 heeft gehandhaafd.

5. Samenvatting uitspraak:

Argumenten LPN

LPN baseert haar beroep bij het HvJ EU op meerdere gronden (‘middelen’). De eerste grond heeft de meeste relevantie. Het betreft de grond van LPN dat het Gerecht bij de uitleg van artikel 4, lid 2, derde gedachtestreep (inspecties, onderzoeken en audits) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. LPN is van mening dat de Commissie de openbaarmaking van alle documenten van een krachtens artikel 226 EG (nu 258 VWEU) ingeleide niet nakomingsprocedure mag weigeren zonder concreet en individueel onderzoek van deze documenten. Maar LPN vindt het ongerechtvaardigd dat wordt aangenomen dat geen enkel (deel van een) document van een dergelijke procedure kan worden meegedeeld zonder enig gevaar voor het doel van deze procedure om de betrokken lidstaat te bewegen tot naleving van het Unierecht.

Daarnaast is LPN het niet eens met het Gerecht, waar het gaat om het aanhalen van het eerdere arrest Commissie/ Technische Glaswerke Ilmenau (C-139/07). De redenering in dat arrest is dat op basis van een algemene aanname toegang tot documenten betreffende controleprocedures inzake staatssteun kan worden geweigerd. LPN vindt dat dit niet op soortgelijke wijze kan worden toegepast op documenten betreffende een niet-nakomingsprocedure.

Uitspraak van het Hof

Met name rechtsoverwegingen 59 t/m 67 van het arrest van het HvJ EU gaan op deze punten van LPN in. Het Hof overweegt het volgende:

‘Het Unierecht, met name artikel 226 EG (nu 258 VWEU), geeft een particulier in niet-nakomingsprocedures niet het recht om het dossier in te zien, ook al leidde zijn klacht tot de procedure. De Commissie heeft in haar interne procedureregels (zie mededeling COM (2002) 141 def betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht) inzake de administratieve maatregelen ten gunste van de klager alleen toegestaan dat hij op de hoogte wordt gesteld van de genomen besluiten en van het voorstel tot seponering van het dossier.

Voorts is het vaste rechtspraak dat een klager niet gerechtigd is om in een niet-nakomingsprocedure een standpuntbepaling van de Commissie in een bepaalde zin te eisen of om op te komen tegen een weigering van de Commissie om een niet-nakomingsprocedure tegen een lidstaat in te stellen. Dienaangaande is het irrelevant dat de klager optreedt tot verdediging van een persoonlijk of openbaar belang.

De Commissie moet namelijk, wanneer zij van mening is dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, nagaan of tegen deze lidstaat moet worden opgetreden, bepalen welke bepalingen hij heeft geschonden en op welk tijdstip de niet-nakomingsprocedure tegen deze lidstaat moet worden ingeleid.

Het is voorts vaste rechtspraak dat de precontentieuze procedure tot doel heeft, de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen, de krachtens het Unierecht op hem rustende verplichtingen na te komen en verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven.

Openbaarmaking van de documenten van een niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase ervan kan bovendien de aard en het verloop van deze procedure wijzigen, daar het in die omstandigheden nog moeilijk kan blijken onderhandelingen aan te knopen en een schikking tussen de Commissie en de betrokken lidstaat tot beëindiging van een verweten niet-nakoming te treffen zodat het Unierecht kan worden nageleefd en een beroep in rechte kan worden vermeden. Tenslotte vormen de documenten van de precontentieuze fase van een niet-nakomingsprocedure voor de toepassing van eerder vermelde algemene aanname een uniek soort documenten.

Uit dit alles kan worden aangenomen dat de openbaarmaking van de documenten van een niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase ervan, de aard van deze procedure dreigt aan te tasten en het verloop ervan te wijzigen, zodat de bescherming van het doel van de onderzoeken in de zin van artikel 4 lid 2, derde gedachtestreep van Verordening 1049/2001 in beginsel zou worden ondermijnd. Deze algemene aanname sluit niet uit dat kan worden aangetoond dat een bepaald document waarvan openbaarmaking is gevraagd, niet onder die aanname valt of dat een hoger openbaar belang openbaarmaking van het betrokken document krachtens artikel 4 lid 2 laatste zinsdeel van Verordening 1049/2001 gebiedt. Bovendien is de Commissie niet gehouden haar besluit te baseren op deze algemene aanname. Zij kan de in een verzoek om toegang bedoelde documenten steeds concreet onderzoeken en een dergelijke motivering geven. Ook is zij, wanneer zij vaststelt dat de dossierstukken gelet op de kenmerken van de door een bepaald verzoek om toegang bedoelde niet-nakomingsprocedure volledig of gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt, gehouden tot deze openbaarmaking.’

6.Relevantie

Deze uitspraak is van belang wanneer een decentrale overheid verwikkeld mocht raken in een ingebrekestellingsprocedure. Een particulier kan in zo een procedure in de zogenaamde precontentieuze fase een verzoek doen om inzage in de stukken. Deze fase betreft de voorbereidende fase waarin de Commissie onderzoek doet naar de klacht en de Commissie en de betrokken lidstaat documenten hierover uitwisselen. Deze uitspraak geeft meer duidelijkheid over de gronden waarop dergelijke verzoeken worden behandeld en al dan niet kunnen worden ingewilligd.

Medio 2012 is overigens een voorstel voor een zogenaamde Eurowob (een Europese Wet Openbaarheid Bestuur) gestrand. Daarom blijft Verordening 1047/2001 voorlopig relevant bij verzoeken om openbaarmaking.

7. Meer informatie:

ECER nieuwsbrief, nieuwsbericht 15 november

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Oktober 2013

oktober 2013

Decentrale overheden moeten bij samenwerkingsconstructies gewoon aanbesteden wanneer niet aan de strikte voorwaarden van een van de uitzonderingsmogelijkheden in het kader van publiek-publieke samenwerking wordt voldaan. Dit wordt door het Europese Hof bevestigt in de zaak Piepenbrock.

In deze zaak stond de vraag centraal of een overeenkomst waarbij de ene aanbestedende dienst de andere aanbestedende dienst de taak toevertrouwt om bepaalde schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren als overheidsopdracht voor diensten moet worden beschouwd.

2. Piepenbrock tegen Kreis Düren, Hof van Justitie EU, 13 juni 2013

Zaak C-386/11

3. Beleidsdossier(s) en thematiek

Aanbestedingsrichtlijnen 2004/18 en 2004/17, Aanbestedingen
Samenwerking, Aanbestedingen
Inbesteden, Aanbestedingen

4. Samenvatting feiten en rechtsvraag

Kreis Düren is een vereniging van gemeenten waartoe Stadt Düren behoort. Op grond van een aantal overeenkomsten heeft Piepenbrock de reiniging van gebouwen van deze Kreis verricht. Kreis Düren heeft met Stadt Düren een ontwerp van een publiekrechtelijke overeenkomst opgesteld. Hierin zou de Kreis de taak van de reiniging van zijn bureau-, bestuurs- en schoolgebouwen op het grondgebied van Stadt Düren aan haar overdragen.

Deze ontwerpovereenkomst voorziet in een financiële vergoeding voor de kosten van Stadt Düren. De reinigingstaken zouden worden uitgevoerd door Dürener Reinigungsgesellschaft mbH, een vennootschap waarvan Stadt Düren eigenaar is.

Beroep

Piepenbrock heeft een beroep ingesteld met het doel Kreis Düren te verbieden deze overeenkomst te sluiten zonder aanbestedingsprocedure. Piepenbrock heeft daarbij aangevoerd dat de uitvoering van deze schoonmaaktaken tegen vergoeding een prestatie overeenkomstig de marktvoorwaarden vormt, die door particuliere dienstverrichters kan worden verricht. Piepenbrock stelt daarbij ook dat er geen sprake is van een uitzondering op de aanbestedingsplicht: noch van verticale samenwerking (quasi-inbesteden) noch van horizontale samenwerking.

Interne nationale organisatie

Kreis Düren heeft daartegen aangevoerd dat bij een publiekrechtelijke taakdelegatie sprake is van een beslissing die valt onder de interne nationale organisatie waarop het recht inzake overheidsopdrachten niet van toepassing is.

Verwijzende rechter

De verwijzende rechter stelt vast dat er geen sprake is van verticale samenwerking. Kreis Düren oefent geen toezicht zoals op zijn eigen diensten uit op Stadt Düren noch op de vennootschap Dürener Reinigungsgeselschaft.

Geen horizontale samenwerking

Ook is er geen sprake van horizontale samenwerking. De openbare lichamen werken namelijk niet samen. Het ene lichaam delegeert louter een van zijn taken aan het andere. De verwijzende rechter vraagt zich af of een onderscheid moet worden gemaakt tussen overeenkomsten inzake taken van algemeen belang als zodanig, zoals afvalverwerking, en overeenkomsten die slechts indirect de uitvoering van deze taken betreffen, zoals in dit geval de reiniging van gebouwen.

Prejudiciële beslissing

Het oberlandesgericht Düsseldorf heeft daarom het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

Moet als overheidsopdracht voor diensten in de zin van art. 1 lid 2d Richtlijn 2004/18 worden beschouwd, een overeenkomst waarmee een openbaar lichaam aan een ander openbaar lichaam de taak toevertrouwt om bepaalde bureau-, bestuurs-, en schoolgebouwen te reinigen? Dit tweede lichaam voor de uitvoering van deze taak mag een beroep doen op derden, tegen een financiële vergoeding die wordt geacht overeen te stemmen met de kosten die de uitvoering van deze taak veroorzaakt.

5. Samenvatting uitspraak

Een overheidsopdracht is een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die tussen een ondernemer en een aanbestedende dienst is gesloten. Het is daarbij niet van belang is dat deze ondernemer zelf een aanbestedende dienst is, niet hoofdzakelijk winst nastreeft, niet als een onderneming is georganiseerd of niet op een regelmatige basis op de markt aanwezig is.

Reinigingsdiensten

Daarnaast zijn de reinigingsdiensten aan te merken als diensten voor reiniging van gebouwen als bedoeld in bijlage IIA, categorie 14, bij Richtlijn 2004/18. Als laatste wordt een overeenkomst geacht onder bezwarende titel in de zin van art. 1 lid 2a Richtlijn 2004/18 te zijn gesloten. Zelfs als de vastgestelde vergoeding beperkt is tot de terugbetaling van de kosten die zijn gemaakt om de overeengekomen dienst te verrichten.

Uitzonderingsmogelijkheden

Het Hof gaat in op de uitzonderingsmogelijkheden op de aanbestedingsplicht. Daarbij gaat het allereerst om overeenkomsten gesloten tussen een openbaar lichaam en een persoon die daar rechtens van onderscheiden is. Dit lichaam oefent op deze persoon toezicht uit zoals op zijn eigen diensten. Deze persoon verricht tegelijkertijd het merendeel van zijn werkzaamheden ten behoeve van het lichaam of de lichamen die hem beheersen (verticale samenwerking).

Niet aan de voorwaarden vervuld

Het Hof stelt dat geen van deze voorwaarden is vervuld bij een overeenkomst als de in het hoofdgeding voorgenomen overeenkomst: geen van de lichamen beheerst een ander, er bestaat geen toezichtrelatie en dit tweede lichaam verricht niet het merendeel van zijn werkzaamheden voor het eerste lichaam.

Unierecht niet van toepassing

Daarnaast zijn de Unierechtelijke regels inzake aanbesteden niet van toepassing wanneer:

– Dergelijke overeenkomsten uitsluitend door openbare lichamen zijn gesloten, zonder enige particuliere inbreng;
– Geen enkele particuliere dienstverrichter wordt bevoordeeld tegenover zijn concurrenten;
– De samenwerking die deze overeenkomsten tot stand brengen uitsluitend wordt beheerst door overwegingen en eisen die verband houden met het nastreven van doelstellingen van algemeen belang (horizontale samenwerking).

Deze voorwaarden zijn cumulatief.

Ontwerpovereenkomst

Uit de vaststellingen van de verwijzende rechter blijkt dat het voorwerp van de ontwerpovereenkomst niet erin lijkt te bestaan een samenwerking tussen twee contracterende openbare lichamen tot stand te brengen om een gezamenlijke taak van algemeen belang uit te voeren. Bovendien is het in het kader van deze overeenkomst mogelijk om een beroep te doen op derden voor de uitvoering van de in deze overeenkomst vastgestelde taak, zodat deze derde zou kunnen worden bevoordeeld tegenover de andere ondernemingen die op dezelfde markt actief zijn.

De conclusie van het Hof is dan ook dat de overeenkomst moet worden aangemerkt als een overheidsopdracht voor diensten in de zin van art. 1 lid 2d Richtlijn 2004/18.

6. Decentrale relevantie uitspraak

Decentrale overheden vragen zich vaak af of er bij samenwerkingsconstructies sprake is van een aanbestedingsplicht of dat gebruik kan worden gemaakt van een van de uitzonderingen in het kader van publiek-publieke samenwerking. In het arrest Commissie/Duitsland (C-480/06) erkende het Hof voor het eerst een beroep op ‘horizontale samenwerking’, ook wel niet-geïnstitutionaliseerde samenwerking genoemd.

Publiek-publieke samenwerking

In dat arrest heeft het Hof publiek-publieke samenwerking aanvaard buiten het concept van quasi-inbesteden (verticale samenwerking). In het werkdocument publiek-publieke samenwerking heeft de Europese Commissie meer uitleg gegeven over de voorwaarden voor horizontale samenwerking.

Horizontale samenwerking

In deze zaak geeft het Hof verdere uitleg aan horizontale samenwerking. Het Hof bepaalt dat een overeenkomst zoals in Piepenbrock, waarmee zonder een samenwerking tussen de contracterende openbare lichamen tot stand te brengen om een gezamenlijke taak van algemeen belang uit te voeren, een openbaar lichaam aan een ander openbaar lichaam de taak toevertrouwt om, tegen een financiële vergoeding die wordt geacht overeen te stemmen met de kosten die de uitvoering van deze taak veroorzaakt, bepaalde bureau-, bestuurs- en schoolgebouwen te reinigen (waarbij het eerste lichaam zich het recht voorbehoudt om de goede uitvoering van deze taak te controleren, en het tweede lichaam een beroep mag doen op derden die voor de uitvoering van deze taak eventueel op de markt zouden kunnen optreden) een overheidsopdracht voor diensten in de zin van richtlijn 2004/18/EG is.

Niet snel beroep op uitzonderingsmogelijkheden

Dit arrest bevestigt dat decentrale overheden niet snel een beroep kunnen doen op een van de uitzonderingsmogelijkheden in het kader van publiek-publieke samenwerking. Er moet steeds aan alle strikte (cumulatieve) voorwaarden voldaan worden. Wanneer daar niet aan voldaan wordt, is er sprake van een (aanbestedingsplichtige) overheidsopdracht. Decentrale overheden moeten bij samenwerkingsconstructies altijd nauwkeurig kijken of aan de voorwaarden van een van de uitzonderingsmogelijkheden voldaan wordt. Zo niet, dan moet de opdracht aanbesteed worden.

7. Actuele ontwikkelingen

In haar voorstellen voor nieuwe aanbestedingsrichtlijnen heeft de Commissie de jurisprudentie rondom verticale en horizontale samenwerking vastgelegd in de richtlijn. De richtlijnvoorstellen zijn nog in onderhandeling in het Europees Parlement en worden naar verwachting eind dit jaar aangenomen. In de publicatie van Europa decentraal over de nieuwe richtlijnvoorstellen is meer te lezen over de voorstellen van de Commissie met betrekking tot publiek-publieke samenwerking.

8. Meer informatie

Werkdocument publiek-publieke samenwerking, Europese Commissie, 2011
Veelgestelde vragen Aanbestedingsrichtlijnen, Europa decentraal
Feuilleton voorstellen nieuwe aanbestedingsrichtlijnen, Europa decentraal
Annotatie bij arrest Piepenbrock, Jaan, 5-8-2013, afl. 5, Door: T. van Wijk, Dirkzwager advocaten
EUrrest mei 2013, Azienda Sanitaria Locale di Lecce e.a.

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

September 2013

september 2013

Compensatie aan bouwbedrijven die verplicht zijn sociale woningbouw te realiseren is geen verboden staatssteun zolang de verrichte activiteiten onder diensten van algemeen economisch belang (DAEB) vallen. Dit is een van de conclusies die getrokken kan worden uit de gevoegde zaken C-197/11 en C-203/11 – Eric Libert e.a. tegen Vlaamse Regering.

Een andere relevante conclusie voor decentrale overheden is dat het dwingend voorschrijven tot realisatie van sociale woningen in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal. Wanneer er echter sprake is van een dwingende reden van algemeen belang, dan wordt deze sociale last gerechtvaardigd.

1. HvJ EU, 8 mei 2013. Libert e.a.

Gevoegde zaken C-197/11 en C-203/11

2. Beleidsdossier(s) en thematiek

Woningcorporaties, Staatssteun
DAEB en staatssteun, Diensten van Algemeen Belang
Vrij verkeer van kapitaal, Vrij verkeer

3. Samenvatting feiten, verloop rechtsgang en rechtsvragen

In geding waren verschillende vastgoedbedrijven (Libert e.a.) tegenover de Vlaamse regering. De in België gevestigde Libert e.a. hadden een beroep gedaan tot vernietiging van Vlaamse wetgeving.

Vlaamse wetgeving

In deze zaak ging het om Vlaamse wetgeving die bouwbedrijven dwingend voorschrijft sociale woningen te realiseren. Bouwbedrijven moesten zich om een bouwvergunning te verkrijgen onderwerpen aan een procedure in het kader waarvan zij een sociale last dienen uit te voeren.

Deze sociale last houdt in dat de bedrijven een deel van hun project moeten bestemmen voor de bouw van sociale woningen of een financiële bijdrage moeten betalen aan de gemeente waarin het project wordt gerealiseerd.

Compensatie sociale lasten

Om de sociale lasten die opgedragen zijn aan vastgoedbedrijven deels te compenseren, zijn bepalingen in de Vlaamse wetgeving opgenomen die voorzien in belastingvoordelen die ten goede komen aan deze vastgoedbedrijven.

Rechtsvragen

Libert e.a. hadden (onder andere) de beginselen van interne markt en de staatssteunregels met betrekking tot de compensatie aangevoerd en startten daarom een geding bij de nationale rechter. De nationale rechter stelt vervolgens, als verwijzende rechter, de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU:

– Moeten de belastingvoordelen in de Vlaamse wetgeving, gelet op art. 107 en 108 VWEU al dan niet in samenhang met DAEB regelgeving, worden aangemerkt als staatssteun die bij de Commissie gemeld moet worden (r.o. 70)?

– Is het koppelen van een sociale last aan het verlenen van een bouwvergunning in strijd met het vrij verkeer van kapitaal? Ondernemingen zijn namelijk beperkt de gronden te gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij deze eigenlijk willen gebruiken (r.o. 61 en 66).

4. Samenvatting uitspraak

 

Eerste vraag

De bepalingen uit de Vlaamse wetgeving beogen de sociale last te compenseren die op de bedrijven rust. Het gaat hier om bepaalde belastingvoordelen, in de vorm van fiscale stimuli en subsidiemechanismen (r.o. 16, 71 en 72).

Staatssteun

Om de vraag te beantwoorden of deze belastingvoordelen als staatssteun moet worden aangemerkt, moeten de voorwaarden uit art. 107 lid 1 VWEU worden uitgewerkt. Het Hof oordeelt dat een nationale maatregel waarbij de overheid bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die de financiële situatie van de begunstigden (direct of indirect) ten goede komt, staatssteun kan opleveren (r.o. 80).

DAEB

Wanneer daarentegen de compensatie is verleend om een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) uit te voeren, valt een dergelijke compensatie niet onder art. 107 VWEU. Diensten die als DAEB worden aangemerkt moeten aan de voorwaarden uit het Altmark-arrest voldoen.

Rekening moet hierbij worden gehouden met de ruime beoordelingsbevoegdheid van (de)centrale overheden bij de bepaling van diensten als DAEB (r.o. 84-102).

Nationale rechter

Het staat echter aan de nationale rechter te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden van art. 107 VWEU om van staatssteun te spreken. Ook staat het aan de verwijzende rechter om vast te stellen of de dienst een DAEB is en daarmee uitgezonderd is op grond van het DAEB besluit op de verplichting tot aanmelding bij de Commissie.

Tweede vraag

Een bouwvergunning afhankelijk stellen van het bouwen van sociale woningen is volgens het Hof in principe in strijd met het vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VWEU), tenzij de sociale last gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang.

Sociale last

Het Hof geeft aan dat art. 63 VWEU zo moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een bepaling die bepaalde ondernemingen een sociale last oplegt wanneer hun een bouwvergunning wordt verleend, voor zover deze bepaling voldoet aan het evenredigheidsbeginsel.

Dat wil zeggen dat de bepaling noodzakelijk en geschikt moet zijn voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel. In dit verband geeft het Hof aan dat dergelijke eisen inzake sociale huisvesting van een lidstaat dwingende redenen van algemeen kunnen vormen en dus een rechtvaardiging kunnen zijn voor beperking van de Vlaamse wetgeving (r.o. 67-69).

Nationale rechter

Het Hof laat het echter ook hier over aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de Vlaamse regelgeving daadwerkelijk de evenredigheidstoets kan doorstaan, gelet op de specifieke omstandigheden van het hoofdgeding.

5. Meer informatie

DAEB en staatssteun, Diensten van Algemeen Belang, Europa decentraal
Woningcorporaties, Staatssteun, Europa decentraal
Vrij verkeer van kapitaal, Vrij verkeer, Europa decentraal
Verdragsbeginselen, Aanbestedingen, Europa decentraal
Beschikkingen E 2/2005 en N 642/2009, over woningcorporaties
Woningbouw en ruimtelijke ordening onder de aandacht van het Hof van Justitie EU, Boot advocaten

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Juli 2013

juli 2013

Decentrale overheden moeten bij subsidieverlening aan natuur- landschapsbeschermingsorganisaties (NBO’s) rekening houden met de staatssteunregels. Dit is een uitkomst van een arrest van de provincies en NBO’s tegen de Europese Commissie over de Subsidieregeling grondaankoop EHS. Hun verzoek om nietigverklaring van een besluit van de Europese Commissie is van de hand gewezen, omdat het Gerecht in Luxemburg het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Het besluit dat NBO’s ondernemingen zijn, blijft daarmee staan.

De zaak

Het doel van de Subsidieregeling grondaankoop EHS is om de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te versterken door grondaankoop met als bestemming natuurgebied te subsidiëren. De doelgroep van de regeling zijn particuliere, terreinbeherende natuur- en landschapsbeschermingsorganisaties (NBO’s).

Verenigbaar interne markt

De Europese Commissie heeft deze subsidieregeling na aanmelding door Nederland als verenigbaar met de interne markt verklaard. De kern van de zaak is echter niet de vraag of deze verklaring terecht is, maar het feit dat de Commissie de subsidie überhaupt aanmerkt als een staatssteun.

Toepassing staatssteunregels bij NBO’s

Zoals in onze publicatie ‘Pluk de vruchten van de interne markt’ staat beschreven, is over de vraag of de staatssteunregels van toepassing zijn op NBO’s al de nodige controverse geweest. De staatssteunregels zijn alleen van toepassing op ondernemingen, en volgens de Commissie kunnen natuurbeschermings- en landschapsbeheerorganisaties (NBO’s) als onderneming worden aangemerkt. De twaalf provincies en dertien NBO’s, die de zaak aanspanden, zijn het daar niet mee eens.

Decentrale overheden

Voor decentrale overheden zijn deze vragen van belang, omdat de verantwoordelijkheid voor natuurbeheer is gedecentraliseerd. De provincies voeren nu subsidieregelingen hieromtrent uit, waaronder de regeling in kwestie. Ook gemeenten steunen NBO’s. Als NBO’s niet zouden worden gezien als ondernemingen, zouden zij kunnen worden gesubsidieerd zonder dat decentrale overheden de staatssteunregels hoeven toe te passen.

1. Uitspraak EU Gerecht, 19 februari 2013. Groningen e.a. en Stichting Het Groninger Landschap e.a. tegen Europese Commissie

Gevoegde zaken T-15/12 en T16/12

2. Beleidsdossier(s) en thematiek

Natuurbeheer, Staatssteun
Natuurbeheer en biodiversiteit, Milieu en Klimaat

3. Samenvatting feiten, verloop rechtsgang en rechtsvraag

De Subsidieregeling grondaankoop EHS is op 9 juli 2010 door Nederland aangemeld bij de Commissie. Nederland vroeg de Commissie de maatregel als ‘geen steun’ te kwalificeren. Bij besluit van 13 juli 2011 (C(2011) 4945, PB 303) liet de Commissie weten dat zij de maatregel wel als staatssteun beschouwde.

Verenigbaar interne markt

Op basis van de Kaderregeling DAEB verklaarde de Commissie de staatssteun wel verenigbaar met de interne markt. De Commissie volgde de lijn van de Duitse natuurbeheerbeschikkingen uit 2009 (C(2009) 5080, PB C 230). Volgens de Commissie dienen natuur- en landschapsbeheeractiviteiten een publiek belang, dat niet aan de markt kan worden overgelaten. Om die reden heeft zij de compensaties onder de DAEB-Vrijstellingsbeschikking goedgekeurd.

Nietigverklaring besluit Commissie

In de zaken T-15/12 en T-16/12 hebben de twaalf Nederlandse provincies en dertien natuurbeschermingsorganisaties het Gerecht verzocht om nietigverklaring van het besluit van de Commissie. Nederland heeft dit verzoek als intervenient ondersteund.

Op 19 februari 2013 deed het Gerecht uitspraak in deze gevoegde zaken (2013/C 108/67).

Ondernemingen

Aan de basis van het besluit van de Commissie ligt de constatering dat NBO’s ondernemingen zijn. Een onderneming is elke eenheid die een economische activiteit uitvoert, ongeacht de rechtsvorm en wijze van financiering. Volgens de Commissie zijn de activiteiten voor natuurbeheer gedeeltelijk verweven met economische activiteiten, zoals de verkoop van gewassen en hout, de pacht van land en het aantrekken van toeristen. Het gevolg is dat de staatssteunregels moeten worden toegepast op de NBO’s.

Duitsland

In 2009 heeft Duitsland al een beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht van Eerste Aanleg ingesteld (zaak T-347/09). Nederland heeft in deze zaak geïntervenieerd aan de zijde van Duitsland. Zowel Nederland als Duitsland zijn van mening dat NBO’s geen ondernemingen zijn. Volgens Duitsland verrichten NBO’s activiteiten die niet economisch zijn, omdat zij als non-profitorganisaties gelden en ook als NEDAB benoemd zijn. Duitsland heeft hier de eerdere ‘Nederlandse’ beschikking (NN 41/2005, Groenfondsen) aangehaald waar de activiteiten van NBO’s als niet-economisch bestempeld werden door de Europese Commissie.

Standpunt provincies en NBO’s

Ook de twaalf provincies en dertien NBO’s in onderhavige zaak vinden dat NBO’s niet als onderneming moeten worden gezien. Anders dan in de Duitse zaak, gooien zij het over een meer procedurele boeg. Zij voeren onder meer de volgende argumenten aan voor nietigverklaring van het besluit van de Commissie:

– Het besluit van de Commissie heeft bindende rechtsgevolgen, die voor de verzoeksters ongunstig zijn. Zo brengt het stempel ‘onderneming’ verplichtingen voor lidstaat Nederland en daarmee voor de provincies en NBO’s met zich mee. Zij moeten zich bij het geven en ontvangen van subsidie voortaan aan de staatssteunregels houden;
– De kwalificatie van ‘onderneming’ tast de status van de NBO’s aan, die voorheen werden gekenmerkt als Dienst van Algemeen Belang;
– De toekomstige inkomsten van de NBO’s komen in gevaar, omdat er strengere regels gelden;
– Het besluit van de Commissie belemmert de uitvoering van de bevoegdheden van de provincies.

4. Samenvatting uitspraak

Het Gerecht heeft het beroep om nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht heeft eerst bekeken of het de zaak in behandeling kon nemen. Om dat te bepalen, heeft het Gerecht onderzocht of de provincies en NBO’s wel voldoende ‘procesbelang’ hebben: een ‘reëel en actueel voordeel’ bij de nietigverklaring van het besluit van de Commissie. Volgens het Gerecht is dit niet het geval. De zaak wordt daarom niet in behandeling genomen.

Toepassing staatssteunregels

Het Gerecht gaat ook niet inhoudelijk in op de vraag of NBO’s ondernemingen zijn en of de staatssteunregels op hen van toepassing zijn. Anders dan de verzoeksters stellen, is de kwalificatie van ‘onderneming’ volgens het Gerecht namelijk niet juridisch bindend. De provincies en NBO’s kunnen er dus geen procesbelang aan ontlenen.

Uitgangspunt

In plaats daarvan heeft het Gerecht bij het bepalen van het procesbelang de goedkeuring van de Commissie van de aangemelde steunmaatregel als uitgangspunt genomen. Ook vanuit dat perspectief hebben de verzoeksters volgens het Gerecht geen procesbelang, ofwel onvoldoende voordeel, om de zaak in behandeling te nemen.

Ontbreken procesbelang

Het Gerecht voert de volgende redenen aan voor het ontbreken van procesbelang voor de provincies en NBO’s:

– Volgens de verzoeksters heeft de Commissie het belang van lidstaat Nederland in haar besluit onvoldoende meegenomen. Het Gerecht stelt echter dat Nederland de zaak niet aangespannen heeft. Dit argument is dus niet relevant;

– Als het Commissiebesluit nietig zou worden verklaard, zouden de verplichtingen van de staatssteunregels niet meer voor Nederland gelden, wat dus een voordeel met zich meebrengt. Het Gerecht stelt echter dat die verplichtingen voor de lidstaat gelden en niet voor de verzoeksters zelf. Bovendien is de verklaring dat een steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt juist voordelig voor de verzoeksters, niet nadelig;

– Het argument dat de inkomsten van de NBO’s onzeker worden, omdat er strengere regels van toepassing zijn, speelt in de toekomst. Dit is volgens het Gerecht niet ‘reëel en actueel’ genoeg om te worden meegewogen.

– Het besluit van de Commissie leidt volgens de NBO’s tot extra administratieve lasten, omdat zij hun boekhouding moeten gaan scheiden. Dat is echter een gevolg van de kwalificatie als onderneming door de Commissie en dat was juist het aspect dat het Gerecht niet meeneemt in haar beslissing.

Nederland niet zelf beroep aangespannen

J.H. Jans noemt het in Milieu & Recht overigens opvallend dat lidstaat Nederland zich wel heeft gevoegd bij de provincies, maar niet zelf beroep heeft aangespannen. Omdat een lidstaat geen procesbelang hoeft aan te tonen, was het Gerecht mogelijk dan wel ingegaan op de vraag of NBO’s ondernemingen zijn.

5. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

Door de uitspraak van het Gerecht blijft de beslissing van de Europese Commissie over de Subsidieregeling grondaankoop EHS overeind. Dat betekent dat NBO’s moeten worden gezien als ondernemingen en dat de staatssteunregels van toepassing zijn. Bij subsidieverlening aan NBO’s moeten decentrale overheden dus rekening houden met die regels.

Staatssteunregels voor grondtransacties

Wanneer een decentrale overheid grond met een NBO voor een prijs die afwijkt van de marktprijs (en niet onder de goedgekeurde subsidieregeling valt), bestaat er al gauw een risico op staatssteun.

Verloopt de verkoop van de overheidsgrond via een van de volgende twee verkoopprocedures, dan gaat de Commissie er vanuit dat er geen sprake is van staatssteun:

– De overheidsgrond wordt via een openbare en onvoorwaardelijke biedprocedure, verkocht aan de hoogste bieder;
– De marktwaarde van de overheidsgrond wordt vóór de verkoop door een onafhankelijke taxateur vastgesteld. Volgens deze marktwaarde wordt de overheidsgrond verkocht.

Staatssteunproof maken: DAEB en de-minimis

Steun aan NBO’s kan op verschillende manieren staatssteunproof worden gemaakt. Een decentrale overheid mag een onderneming bijvoorbeeld belasten met het uitvoeren van een taak in het publiek belang, zo blijkt ook uit het Commissiebesluit. Voor het aanwijzen en financieren van een DAEB gelden aparte staatssteunregels.

Een andere manier is de De-minimisvrijstelling, waaronder decentrale overheden over een periode van drie belastingjaren één onderneming tot € 200.000,= mogen steunen.

Administratieve verplichtingen

Bij het subsidiëren van NBO’s moeten decentrale overheden ook rekening houden met een aantal procedurele verplichtingen, zoals de cumulatiebeperking, het scheiden van de boekhouding en kennisgevingen en rapportages.

6. Meer informatie

Milieu & recht, Jaargang 40, Nummer 6, 2013, pagina 361-368
Beschikking Natuurbeheer C2011 4945
Grondtransacties, Staatssteun
DAEB en staatssteun, Staatssteun, over de aparte staatssteunregels voor het aanwijzen van DAEB
De-minimis landbouw, Staatssteun, over de voorwaarden voor de De-minimisvrijstelling

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Juni 2013

juni 2013

Decentrale overheden die na privatisering van publieke taken met overheidsingrijpen publieke belangen willen waarborgen, moeten rekening blijven houden met de mededingingsregels. Dit kan geconcludeerd worden uit zaak C-518/11 UPC Nederland BV tegen de gemeente Hilversum. Advocaat-Generaal (AG) Villalón heeft hierover eind april 2013 het Hof van Justitie EU geadviseerd.

Gemeente Hilversum heeft een beding opgenomen bij de verkoop van het (voorheen) gemeentelijke netwerk aan UPC over het doorvoeren van tariefwijzingen. De gemeente wil zo zorgen dat het basispakket van radio en televisie beschikbaar blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare tarieven. Over dit beding is tussen beide partijen een geschil ontstaan.

De AG heeft het Hof van Justitie geadviseerd te oordelen dat het beding in strijd is met de EU-richtlijnen over telecommunicatie. De uitspraak van het Hof van Justitie wordt binnen enkele maanden verwacht.

1. UPC Nederland BV vs. Gemeente Hilversum. Conclusie AG Villalón, Hof van Justitie EU, 30 april 2013.

Zaak C-518/11

2. Beleidsdossier(s) en thematiek

Kartelverbod
Mededinging en diensten van algemeen belang

3. Samenvatting feiten, verloop rechtsgang en rechtsvraag

In 1996 heeft UPC het kabelnetwerk voor radio- en tv van de gemeente Hilversum gekocht. Daarbij heeft UPC de aanleg, instandhouding en exploitatie van het kabelnetwerk overgenomen van het gemeentelijke kabelnetwerkbedrijf. Bij de verkoop van het gemeentelijke kabelnetbedrijf heeft de gemeente een tariefbeperking opgenomen. Het doel hiervan is te waarborgen dat het basispakket van tv- en radioprogramma’s naar een maatschappelijk aanvaardbare vergoeding wordt aangeboden.

Prijsstijging

In 2003 heeft UPC een prijsstijging voor het basispakket doorgevoerd. De gemeente Hilversum heeft door de rechtbank Amsterdam een verbod laten vaststellen op de uitvoering hiervan (LJN: AO0796). Dit verbod is door het Gerechtshof in stand gelaten (LJN: AQ6844), maar door de Hoge Raad verworpen (LJN: AT6839). Vervolgens heeft de NMa vastgesteld dat er geen sprake was van misbruik van machtspositie door UPC. De OPTA heeft wel vastgesteld dat er sprake was van een aanmerkelijk marktmacht en heeft verplichtingen opgelegd ten aanzien van de berekening van de tarieven.

In 2005 heeft de Europese Commissie aangegeven twijfel te hebben over de overeenkomst ten aanzien van art. 15 lid 3 van de Telecommunicatiekaderrichtlijn. Hierop heeft in 2006 UPC de gemeente Hilversum voor de rechter gedaagd om het tariefbeperkende beding nietig te laten verklaren en de tariefverhoging toe te staan. De rechtbank Amsterdam (LJN: BA9495) heeft dit verzoek in 2007 afgewezen. In beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam in 2010 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU (LJN: BO1050).

Prejudiciële vragen

De volgende prejudiciële vragen staan centraal:

– Vallen de exploitatiediensten van UPC onder de richtlijnen voor elektronische telecommunicatiediensten (2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG; de Telecommunicatierichtlijnen)?

– Is de gemeente, tegen de achtergrond van de liberalisering van de telecomsector, de telecommunicatierichtlijnen en het beginsel van loyale samenwerking, bevoegd om door middel van een tariefbeperking in te grijpen in de eindgebruikerstarieven om zo de publieke belangen van haar inwoners te behartigen?

– Vormt het tariefbeperkende beding een schending van het kartelverbod van art. 101 VWEU en heeft de gemeente Hilversum als onderneming gehandeld?

4. Samenvatting uitspraak

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vragen hebben de gemeente Hilversum en de Nederlandse regering aangeven dat het tariefbeperkende beding tussen de gemeente en UPC niet in strijd is met de Telecommunicatierichtlijnen en de mededingingsregels. De reden daarvan is dat UPC slechts inhoud via het kabelnet ter beschikking brengt en geen elektronische communicatiediensten in het kader van de Telecommunicatierichtlijnen verricht.

Deze richtlijnen hebben tot doel een echte interne markt voor elektronische communicatie te creëren die door eerlijke mededinging beheerst wordt.

Nederland heeft aangegeven dat in het kader van deze regels het beding niet strijdig is, omdat de OPTA op basis van art. 17 van de universele Dienstrichtlijn als toezichthouder kan ingrijpen in het kader van de mededinging. UPC en de Commissie hebben hierop aangegeven dat het beding wel in strijd is met de Telecommunicatierichtlijnen omdat de doorgifte van signalen ook onder het begrip ‘elektronische communicatiediensten’ valt.

De AG geeft UPC en de Commissie hierin gelijk. Hij adviseert het Hof om de telecommunicatierichtlijnen zo uit te leggen dat het ‘leveren van radio- en tv-diensten’ en ‘het overbrengen van signalen’ via een kabelnetwerk onder de definities van de telecommunicatierichtlijnen vallen.

DAEB

Ten aanzien van de prejudiciële vragen heeft de Commissie in de procedure opgemerkt dat de gemeente Hilversum niet als een onafhankelijke toezichthouder geldt onder de Telecommunicatierichtlijnen. De Commissie sluit echter niet uit dat de tariefbeperking in het kader van een openbare dienstverlichting als dienst van algemeen economisch belang (DAEB) uitgezonderd kan worden van mededingingsregels op basis van art. 106 lid 2 VWEU.

De AG volgt deze benadering van de Commissie. Hij stelt dat onderzocht moet worden door de verwijzende rechter (het Gerechtshof Amsterdam) of de tariefbeperking voortvloeit uit een publiekrechtelijke bevoegdheid naar Nederlands recht om op basis van art. 1 lid 3 van de kaderrichtlijn en art. 106 lid 2 VWEU het beding te rechtvaardigen.

De AG adviseert dus het Hof om de zaak terug te verwijzen naar het Gerechtshof Amsterdam dat moet onderzoeken of het tariefbeding als dienst van algemeen economisch belang gerechtvaardigd is.

Tot slot adviseert de AG om de prejudiciële vragen ten aanzien van het kartelverbod van art. 101 VWEU niet te beantwoorden omdat het Gerechtshof Amsterdam niet aangegeven heeft waarom de gemeente Hilversum als onderneming beschouwd zou moeten worden.

5. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

Het advies van AG Villalón is interessant omdat in Nederland veel (semi-)publieke taken geprivatiseerd zijn. Toch gaan decentrale overheden vaak over tot overheidsingrijpen om publieke belangen te waarborgen. In dergelijke gevallen moeten gemeenten, provincies en waterschappen wel rekening blijven houden met de mededingingsregels, zo volgt uit het advies van de AG.

Decentrale overheden die zich als onderneming op de markt begeven, moeten zich houden aan het kartelverbod (art. 101 VWEU). Zij mogen geen afspraken maken die (potentieel) leiden tot een beperking, vervalsing of verhindering van de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt.

Ook bij de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid moeten decentrale overheden voorkomen dat zij niet de zogeheten ‘nuttig effect’-norm overtreden. Deze regel is door het Hof van Justitie in jurisprudentie vastgelegd (zaak 13/77 en zaak 136/86). Decentrale overheden mogen niet meewerken aan mededingingsbeperkende maatregelen vanuit publiekrechtelijke of marktregulerende bevoegdheden.

In het kader van het waarborgen van maatschappelijke tarieven die burgers betalen voor economische activiteiten die een publiek belang dienen, kunnen gemeenten bepaalde mededingingsbeperkingen rechtvaardigen op grond van artikel 106 lid 2 VWEU. Onder voorwaarden mag een onderneming belast met een DAEB van de mededingingsregels afwijken. Belangrijke voorwaarden zijn:

– De vervalsing van de mededinging moet noodzakelijk en proportioneel zijn;
– De beperking mag niet verder gaan dan nodig om het doel te bereiken. Bekeken moet worden of de dienst zonder het opleggen van een DAEB niet uitgevoerd kan worden;
– De beperking moet in overeenstemming zijn met beginselen van transparantie en non-discriminatie;
– De taak moet zijn helder zijn omschreven en de onderneming moet daadwerkelijk belast zijn met een DAEB.

6. Meer informatie

Advocaat-Generaal: Tariefafspraak kabelabonnement in strijd met EU-richtlijn telecommunicatiediensten, ECER, 1 mei 2013

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Mei 2013

mei 2013

In de zaak ASL stond de vraag centraal of bij een overeenkomst tussen een aanbestedende dienst en een universiteit gebruik gemaakt kan worden van een uitzondering op de aanbestedingsplicht, in het kader van publiek-publieke samenwerking.

Volgens het Hof kan er geen gebruik gemaakt worden van de uitzonderingsmogelijkheid ‘horizontale samenwerking’ wanneer een overeenkomst is gesloten tussen openbare lichamen en deze overeenkomst er niet toe strekt:

– De uitvoering te verzekeren van een taak van algemeen belang die op deze lichamen gezamenlijk rust;
– De overeenkomst niet uitsluitend wordt beheerst door overwegingen en eisen die verband houden met het nastreven van doelstellingen van algemeen belang, of;
– De overeenkomst een particuliere dienstverrichter kan bevoordelen tegenover zijn concurrenten.

1. Azienda Sanitaria Locale di Lecce. Hof van Justitie EU, 19 december 2012

Zaak C-159/11

2. Beleidsdossier(s) en thematiek

Aanbestedingsrichtlijn 2004/18
Samenwerking

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Decentrale overheden vragen zich bij het gunnen van opdrachten aan elkaar vaak af in hoeverre zij gebruik kunnen maken van de uitzonderingsgrond om niet Europees te hoeven aanbesteden vanwege verticale (quasi-inbesteding) dan wel horizontale samenwerking.

De voorwaarden hiervoor worden (nog) niet in de aanbestedingsrichtlijn gegeven maar worden met name uitgewerkt in jurisprudentie. In dit arrest geeft het Hof nadere uitleg over horizontale samenwerking.

4. Samenvatting feiten en rechtsvraag

In deze zaak werd antwoord gegeven op een prejudiciële vraag die was ingediend in het kader van een geding tussen de Azienda Sanitaria Locale di Lecce (ASL: lokale gezondheidsdienst te Lecce) en de universiteit van Salanto enerzijds en de orde van ingenieurs van de provincie Lecce anderzijds. In dit geding stond een adviesverleningsovereenkomst tussen de ASL en de universiteit voor het onderzoek en de beoordeling van de aardbevingsgevoeligheid van de ziekenhuisvoorzieningen van de provincie Lecce centraal.

Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft de directeur-generaal van de ASL het bestek goedgekeurd voor de uitvoering door de universiteit van de hierboven genoemde onderzoeksopdracht. De onderzoeksopdracht werd verleend aan de groep constructietechniek, die zich kon laten bijstaan door hooggekwalificeerd extern personeel. Voor alle prestaties betaalde de ASL de universiteit een bedrag van € 200.000,= exclusief BTW.

Verschillende beroepsordes en -verenigingen en ondernemingen hebben beroepen tegen het besluit tot goedkeuring van het bestek ingesteld bij de regionale administratieve rechtbank voor Puglia. Hierbij werd met name schending van de nationale en Europese aanbestedingsregels aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepen toegewezen, op grond dat de onderzoeksopdracht een opdracht voor diensten van ingenieurs vormde.

De ASL en de universiteit zijn tegen deze uitspraak in beroep gegaan bij de Consiglio di Stato (Italiaanse Raad van State) en hebben hier onder andere tegenin gebracht dat de overeenkomst een samenwerkingsovereenkomst vormt tussen overheden voor activiteiten van algemeen belang en daarom niet aanbesteed zou hoeven worden. Op grond van Italiaanse wetgeving kunnen overheden onderling overeenkomsten sluiten om de verrichting in onderlinge samenwerking van activiteiten van algemeen belang te regelen. Verder voeren zij aan dat, hoewel het om een overeenkomst onder bezwarende titel gaat, het om een tot de gemaakte kosten beperkte vergoeding gaat en een overeenkomst die past in de institutionele activiteiten van de universiteit.

De Consiglio di Stato heeft het Hof daarop de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: ‘Moet richtlijn 2004/18 (de aanbestedingsrichtlijn) zo worden uitgelegd dat zij een nationale regeling op basis waarvan zonder oproep tot inschrijving een overeenkomst kan worden gesloten waarbij twee openbare lichamen onderling een samenwerking als aan de orde in het hoofdgeding tot stand brengen, niet toestaat?’

5. Samenvatting uitspraak

Begrip overheidsopdracht

Een overheidsopdracht is een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die tussen een ondernemer en een aanbestedende dienst is gesloten en betrekking heeft op werken, leveringen of diensten.

Het Hof begint met de constatering dat het, om te voldoen aan de definitie van overheidsopdracht, niet van belang is dat de ondernemer zelf een aanbestedende dienst is. Ook doet het niet ter zake dat het betrokken lichaam niet hoofdzakelijk winst nastreeft, niet als een onderneming is georganiseerd of niet op een regelmatige basis op de markt aanwezig is. Het Hof heeft met betrekking tot openbare universitaire instellingen geoordeeld dat dergelijke lichamen in beginsel de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht voor diensten.

Lidstaten kunnen de activiteiten van universiteiten reglementeren en hun het recht verlenen of weigeren om op de markt actief te zijn. In Italië is aan openbare universiteiten uitdrukkelijk het recht verleend om onderzoeks- en adviesverleningsprestaties te verrichten voor openbare of particuliere lichamen voor zover deze activiteit hun onderwijstaak niet schaadt.

De diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft vallen hetzij onder onderzoeks- en ontwikkelingswerk (IIA-diensten), hetzij onder diensten van ingenieurs en diensten in verband met aanverwante wetenschappelijke en technische adviezen (IIA-diensten).

Als laatste stelt het Hof dat er sprake is van een ‘bezwarende titel’. Een overeenkomst kan niet buiten het begrip overheidsopdracht vallen op de enkele grond dat de vergoeding ervan beperkt blijft tot de terugbetaling van de kosten die zijn gemaakt om de overeengekomen dienst te verrichten.

Het Hof concludeert dat er hier sprake is van een overheidsopdracht.

Publiek-publieke samenwerking

Vervolgens gaat het Hof in op de vraag of er mogelijk sprake is van een uitzondering op de aanbestedingsrichtlijn in het kader van publiek-publieke samenwerking. Daarbij kan er sprake zijn van verticale of horizontale samenwerking.

Verticale samenwerking

Bij verticale samenwerking gaat het om overeenkomsten gesloten tussen een aanbestedende dienst en een rechtspersoon die daar rechtens van onderscheiden is. Voorwaarde voor verticale samenwerking is dat deze aanbestedende dienst toezicht uitoefent op deze rechtspersoon als op zijn eigen diensten. Daarnaast moet deze rechtspersoon het merendeel van zijn werkzaamheden verrichten ten behoeve van de aanbestedende dienst.

Deze uitzondering is niet van toepassing in deze zaak aangezien de ASL geen toezicht uitoefent op de universiteit.

Horizontale samenwerking

Bij horizontale samenwerking gaat het om overeenkomsten die een samenwerking tussen openbare lichamen tot stand brengen, die ertoe strekt de uitvoering te verzekeren van een taak van algemeen belang die op hen gezamenlijk rust. De aanbestedingsrichtlijnen zijn niet van toepassing wanneer het gaat om overeenkomsten die uitsluitend door openbare lichamen zijn gesloten, zonder enige particuliere inbreng, geen enkele particuliere dienstverrichter wordt bevoordeeld tegenover zijn concurrenten en de samenwerking die deze overeenkomsten tot stand brengen uitsluitend wordt beheerst door overwegingen en eisen die verband houden met het nastreven van doelstellingen van algemeen belang.

Het Hof merkt op dat de overeenkomst in deze zaak aan een aantal van deze voorwaarden voldoet maar niet aan allemaal. Ten eerste bevat de overeenkomst allerlei materiële aspecten waarvan een aanzienlijk of zelfs overheersend deel overeenstemt met activiteiten die over het algemeen door ingenieurs of architecten worden verricht en die, hoewel zij op een wetenschappelijke basis zijn gesteund, toch niet op één lijn zijn te plaatsen met wetenschappelijk onderzoek. De taak van algemeen belang waarop de door deze overeenkomst tot stand gebrachte samenwerking tussen openbare lichamen betrekking heeft, lijkt niet de uitvoering te verzekeren van algemeen belang die gezamenlijk op de ASL en de universiteit rust.

Ten tweede zou de in deze zaak aan de orde zijnde overeenkomst particuliere ondernemingen kunnen bevoordelen indien het hooggekwalificeerde externe personeel waardoor de universiteit zich op grond van deze overeenkomst kan laten bijstaan om bepaalde prestaties uit te voeren, particuliere dienstverrichters omvat.

De prejudiciële vraag wordt aldus beantwoord dat het Unierecht inzake overheidsopdrachten een nationale regeling op basis waarvan zonder oproep tot inschrijving een overeenkomst kan worden gesloten waarbij openbare lichamen onderling een samenwerking tot stand brengen niet toestaat, wanneer een dergelijke overeenkomst niet ertoe strekt:

– De uitvoering te verzekeren van een taak van algemeen belang die op deze lichamen gezamenlijk rust;
– De overeenkomst niet uitsluitend wordt beheerst door overwegingen en eisen die verband houden met het nastreven van doelstellingen van algemeen belang, of;
– De overeenkomst een particuliere dienstverrichter kan bevoordelen tegenover zijn concurrenten.

6. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

Decentrale overheden vragen zich vaak af of er bij samenwerkingsconstructies sprake is van een aanbestedingsplicht of dat gebruik kan worden gemaakt van een van de uitzonderingen in het kader van publiek-publieke samenwerking. In het arrest Commissie/Duitsland (C-480/06) erkende het Hof voor het eerst een beroep op ‘horizontale samenwerking’, ook wel niet-geïnstitutionaliseerde samenwerking genoemd.

In dat arrest heeft het Hof publiek-publieke samenwerking aanvaard buiten het concept van gebruik van gezamenlijk gecontroleerde interne entiteiten (verticale samenwerking). In het werkdocument publiek-publieke samenwerking (zie punt 7) heeft de Europese Commissie meer uitleg gegeven over de voorwaarden voor horizontale samenwerking. In de ASL-zaak geeft het Hof verdere uitleg aan horizontale samenwerking. Zo geeft het Hof nadrukkelijk aan dat de overeenkomst niet mag leiden tot bevoordeling van particuliere dienstverrichters tegenover concurrenten.

Actuele ontwikkelingen

In haar voorstellen voor nieuwe aanbestedingsrichtlijnen heeft de Europese Commissie de jurisprudentie rondom verticale en horizontale samenwerking gecodificeerd. De richtlijnvoorstellen zijn nog in onderhandeling in de Raad van ministers en het Europees Parlement. In de publicatie van Europa decentraal over de nieuwe richtlijnvoorstellen is meer te lezen over de voorstellen van de Commissie met betrekking tot publiek-publieke samenwerking (zie punt 7).

7. Meer informatie

Samenwerking, Aanbestedingen
Werkdocument publiek-publieke samenwerking, Europese Commissie
Feuilleton voorstellen nieuwe aanbestedingsrichtlijnen, paragraaf 2.5 publiek-publieke samenwerking

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

April 2013

april 2013

Dit arrest gaat over de uitleg van de staatssteunregels ten aanzien van het financieren van DAEB. Het Gerecht heeft een goedkeuringsbeschikking van de Europese Commissie voor het financieren van openbare ziekenhuizen in Brussel vernietigd. De Commissie had nader onderzoek moeten doen naar het overcompenseren van de ziekenhuizen voor hun DAEB taak.

Daarnaast heeft het Gerecht geoordeeld dat bij een toetsing aan staatssteunregels niet gekeken hoeft te worden naar de economische efficiëntie van de onderneming die de DAEB verricht. Er moet gekeken worden naar de vraag of de onderneming geen overcompensatie krijgt.

1. Coördinatie van Brusselse instellingen voor welzijnswerk en gezondheidszorg tegen de Europese Commissie, Gerecht EU, 7 november 2012

Zaak T-137/10.

2. Beleidsdossiers en thematiek

Diensten van algemeen belang, staatssteun

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Diensten van algemeen economisch belang (DAEB) bevinden zich op het grensvlak tussen publieke belangen op nationaal en decentraal niveau en de regels van de interne markt. Decentrale overheden hebben een ruime beleidsvrijheid bij het omschrijven en financieren van een DAEB.

De staatssteunregels voor DAEB stellen een decentrale overheid in de gelegenheid een onderneming financieel te compenseren voor het uitvoeren van een dienst in het publiek belang. Belangrijk is dat voorafgaand aan het uitvoeren van een DAEB deze financiering verbonden wordt aan transparante en objectieve voorwaarden die overcompensatie van de DAEB voorkomen.

3. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag

In 2005 stelde de Commissie, naar aanleiding van een klacht, een onderzoek in naar de financiering van openbare ziekenhuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door de Belgische overheid, waaronder een aantal gemeenten. Het IRIS-ziekenhuizennetwerk is door de Belgische overheid als DAEB aangewezen en ontving voor diverse (sociale) zorgactiviteiten compensatiesteun.

De klagers maakten bezwaar tegen onderdelen van de financiering, omdat deze volgens hen tot overcompensatie zou leiden. De Commissie heeft de klacht onderzocht en in 2009 beschikt dat de financiering tot staatssteun leidde maar dat deze op basis van de DAEB-Vrijstellingsbeschikking en art. 106 lid 2 VWEU verenigbaar is met de regels van de interne markt.

De Coördinatie van Brusselse instellingen voor welzijnswerk en gezondheidszorg (CBI) is tegen deze Commissiebeschikking in beroep gegaan bij het Gerecht EU. De rechtsvraag in dit arrest is of de Commissie een formeel onderzoek had moeten instellen naar de vermeende overcompensatie van enkele vormen van publieke dienstverlening die de IRIS-ziekenenhuizen als DAEB voor de Belgische Staat uitvoeren.

Een additionele rechtsvraag die gesteld is, door onder meer de interventie van Nederland, is de vraag of slechts een economisch efficiënte onderneming in aanmerking komt voor DAEB-compensatie op basis van de staatssteunregels voor DAEB.

4. Samenvatting uitspraak

Op verzoek van CBI heeft het Gerecht slechts enkele (sociale) zorgactiviteiten, die door de Belgische overheid als DAEB aangewezen zijn, onderzocht op overcompensatie. Het Gerecht heeft opgemerkt dat de Commissie in het vooronderzoek over financiële gegevens en documenten beschikte die aanwijzingen gaven dat het financieringsstelsel van (met name de sociale) DAEB-activiteiten die de ziekenhuizen verrichten, mogelijk niet bij de juiste activiteiten terecht zijn gekomen.

Ook heeft de Commissie niet alle kostenparameters nagelopen bij een aantal DAEB-compensaties. Hierop heeft het Gerecht gesteld dat uit het vooronderzoek de Commissie had moeten vaststellen dat er onvoldoende waarborgen tegen overcompensatie door de Belgische overheid is ingebouwd in het financieringsstelsel voor de IRIS-ziekenhuizen.

Het Gerecht oordeelt dat de Commissie de formele onderzoeksprocedure had moeten inleiden ten aanzien van de DAEB-financiering van de ziekenhuizen. Daarop heeft het Gerecht de beschikking van de Commissie vernietigd. De Commissie zal hierop een formeel onderzoek moeten instellen naar de financiering van de Belgische overheid.

Ten aanzien van het Nederlandse interventiepunt heeft het Gerecht geoordeeld dat een onderneming die DAEB-compensatie krijgt, zich niet hoeft te onderscheiden in economische efficiëntie bij het verrichten van de DAEB op basis van de staatssteunregels voor DAEB. Art. 106 lid 2 VWEU en vrijstellingsbeschikking 2005/842/EG (inmiddels vervangen door vrijstellingsbesluit 2012/21/EU) stellen een dergelijke eis niet bij compensatieverlening aan een onderneming.

Het Gerecht stelt dat er niet gekeken hoeft te worden of de DAEB tegen een lagere prijs kan worden verricht, maar naar het criterium of de DAEB overgecompenseerd wordt; dat wil zeggen dat de financiering van de DAEB hoger is dan de nettokosten die verbonden zijn aan het uitvoeren van de DAEB.

5. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

Het arrest CBI tegen de Commissie is interessant voor decentrale overheden die ondernemingen compenseren voor een DAEB. Het Gerecht heeft in eerdere arresten BUPA en Tv2/Danmark benadrukt dat overheden bij de bepaling van de compensatie van DAEB-activiteiten een zekere beoordelingsmarge hebben.

Het besproken arrest onderkent deze beoordelingvrijheid, maar stelt wel duidelijke grenzen ten aanzien van het vaststellen van objectieve en transparante kostenparameters en het waarborgen van toezicht op overcompensatie (voorwaarden nr. 2 en 3 van het Altmark-arrest). In haar uitspraak past het Gerecht de Altmark-voorwaarden strikter toe dan in voorgaande jurisprudentie, waar slechts aan de beginselen van Altmark getoetst werd.

Met deze uitspraak bevestigt het Gerecht het Nederlandse standpunt in deze zaak dat ondernemingen die belast worden met een DAEB niet puur op economische efficiëntie criteria moeten worden geselecteerd. Ondernemingen die met een DAEB belast worden en daarvoor financieel gecompenseerd worden, kunnen namelijk in het kader van het verrichten van deze publieke diensten ook geselecteerd worden op basis van maatschappelijke en sociale criteria en andere voorwaarden die de toegang, levering en continuïteit van een DAEB kunnen garanderen.

Hiermee sluit het Gerecht ook aan op het staatssteunbeleid van de Commissie ten aanzien van DAEB, dat publieke dienstverlening in sociaal-economische sectoren vrijstelt van meldingsplicht maar strengere voorwaarden verbindt aan DAEB in meer concurrerende sectoren.

Meer informatie

Jaarbericht 2012: Procesvertegenwoordiging Hof van Justitie bij de EU, ministerie van Buitenlandse Zaken, p.45-46
Steunmaatregelen voor ziekenhuizen en DAEB: doelmatigheid niet vereist?, Nederlands Tijdschrift voor Europees recht, (nr 9/2010). Prof. dr. L. Hancher en prof. mr. W. Sauter

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Maart 2013

maart 2013

Op 20 november 2012 heeft de Europese Commissie Nederlandse steun aan een nieuw te bouwen windpark op zee goedgekeurd. Zowel door de Rijksoverheid als door decentrale overheden worden veel initiatieven op het gebied van hernieuwbare energie genomen. Het besluit van de Commissie laat zien onder welke voorwaarden subsidie voor hernieuwbare energie mogelijk is.

1. Beschikking Europese Commissie, 20 november 2012. Nederland Q10 Offshore Wind BV

Besluit C(2012)8241, inzake steunmaatregel SA.34742 (2012/N).

2. Beleidsdossiers en thematiek

Milieu en Klimaat
Staatssteun

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

In het Verdrag van de Werking van de EU (VWEU) zijn er uitzonderingen gemaakt op het staatssteunverbod. Voorwaarden voor het verlenen van milieusteun zijn uitgewerkt in de Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming. Wanneer decentrale overheden milieusteun aan ondernemingen verlenen die boven de de-minimisdrempel uitkomen, moeten deze richtsnoeren in acht genomen worden. De goedkeuring van de steunmaatregel voor het windpark laat de belangrijkste voorwaarden zien waaraan een milieusteunmaatregel moet voldoen.

3. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag in heldere taal

Milieudoelstellingen kunnen niet altijd door de markt worden gerealiseerd. (Decentrale) overheden kiezen er daarom regelmatig voor om milieusteun te geven aan bedrijven. Echter, het verlenen van omvangrijke subsidies aan ondernemingen is staatssteun en dat is verboden.

Daarom is het noodzakelijk om gebruik te maken van de uitzonderingen voor milieusteun, die uitgewerkt zijn in de Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming. Dit is een uitwerking van de uitzondering in het staatssteunverbod van art. 207 lid 3c van het VWEU.

De steunmaatregel van de Rijksoverheid betreft exploitatiesteun voor Q10 Offshore Wind BV, een dochtermaatschappij van Eneco. De steun is bedoeld voor de exploitatie van een windpark met 43 turbines, 23 kilometer uit de kust ter hoogte van Zandvoort. De start van de bouw van het windpark is gepland op 1 juli 2014.

4. Samenvatting uitspraak

Voor het beoordelen van de steunmelding heeft de Commissie gekeken naar de Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming. De toetsing van een steunmaatregel bestaat uit drie hoofdvragen:

1. Is er een gemeenschappelijk belang? Dit is de eenvoudigste vraag, omdat het project past in de EU en de Nederlandse doelstelling om het aandeel hernieuwbare energie te vergroten.

2. Wordt het probleem door de maatregel aangepakt? Daaronder valt ook de vraag of met minder steun hetzelfde effect bereikt kan worden. De Commissie erkent dat het windpark niet rendabel is en dat het zonder een steunmaatregel niet door de onderneming kan worden gerealiseerd. De Commissie oordeelt ook dat het Rijk aannemelijk heeft gemaakt dat er niet meer steun wordt verleend dan noodzakelijk. De steunintensiteit is namelijk gebaseerd op het verschil in productiekosten van conventionele energie en windenergie.

3. Is het voordeel van de steunmaatregel groot genoeg om eventuele concurrentievervalsing te rechtvaardigen? De Commissie stelt vast dat het windpark bijdraagt aan Europese milieudoelstellingen en dat de impact op de mededinging beperkt blijft. Mede omdat de hoogte van de subsidie is beperkt tot het noodzakelijke. De Commissie heeft geconcludeerd dat de steunmaatregel voldoet aan de Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming.

5. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

De Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming maakt steun mogelijk op veel verschillende milieuterreinen, zoals steun voor:

– Energiebesparing;
– Het voldoen aan strengere milieunormen dan de Europese minimumnormen;
– De aankoop van voertuigen die zuiniger zijn dan Europees vereist is;
– De sanering van vervuilde terreinen, etc.

De goedkeuring van de steunmaatregel voor het windpark laat de belangrijkste voorwaarden zien waaraan elke milieusteunmaatregel moet voldoen.

Meer informatie

Besluit C(2012)8241, inzake steunmaatregel SA.34742 (2012/N) – Nederland Q10 Offshore Wind BV
Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming
Samenvatting Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming, Europa.EU
Milieusteun, Staatssteun

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Februari 2013

februari 2013

Eind 2010 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan over de vraag of het bestaan van privacyrechten van de aanvragers zich konden verzetten tegen openbaarmaking van subsidieverstrekkingen door (decentrale) overheden. Wanneer overheden informatie over de begunstigden van financiële middelen uit het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling bekendmaken, moet dit overeenstemmen met het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

1. Hof van Justitie EU, 9 november 2010. Schecke und Eifert/Land Hessen

Gevoegde zaken C-92/09 en C-93/09

2. Beleidsdossier(s) en thematiek

Landbouw en staatssteun
Gegevensbescherming, Informatiemaatschappij

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Decentrale overheden vragen zich bij het verlenen van landbouwsteun af of de bekendmaking van informatie over begunstigden van landbouwsteun samengaat met de bescherming van persoonsgegevens.

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag

De landbouwondernemers Schecke en Eifert hadden aanvraag gedaan voor het ontvangen van financiële middelen uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Vervolgens werd deze informatie op de Duitse overheidswebsite voor landbouw en voedselvoorziening openbaar gemaakt door de Duitse deelstaat Hessen. Het ging onder andere om de informatie: -namen van de begunstigden van steun, -hun woonplaats of plaats van vestiging, -de postcode van deze woonplaats of plaats van vestiging -en de ontvangen jaarlijkse bedragen. Schecke en Eifert hebben vervolgens beroep ingesteld om de bekendmaking door de deelstaat van de hen betreffende gegevens te verhinderen. Deelstaat Hessen was van mening dat de bekendmaking van de gegevens betreffende verzoekers op grond van de Verordeningen 1290/2005 en 259/2008 wel geoorloofd was. De Duitse rechter heeft het beroep van de landbouwondernemingen geschorst en de vraag over de strekking van de publicatieverplichtingen uit de Verordeningen aan het Hof van Justitie EU voorgelegd. De vraag was of (decentrale) overheden de namen van de subsidieontvangers en de subsidie die zij hebben ontvangen bekend mochten maken. Het Hof van Justitie EU deed met name onderzoek naar de noodzaak om de bedragen van aan natuurlijke personen uitgekeerde Europese landbouwsubsidies op naam te publiceren op een voor iedereen toegankelijke website.

5. Samenvatting uitspraak

Het Hof oordeelt dat een bepaling uit een EU-verordening, waaruit volgt dat informatie over verstrekte landbouwsubsidies op internet actief openbaar gemaakt worden, ongeldig is voor zover deze verplichting geldt voor natuurlijke personen. De publicatie van financiële landbouwsteungegevens is volgens het Hof een disproportionele inbreuk op de privacy en gegevensbeschermingsgrondrechten.

De betreffende overheid (deelstaat Hessen) heeft geen evenwichtige afweging gemaakt tussen de transparantieverplichting uit de betrokken verordeningen en de door art. 7 en 8 EU-Handvest aan natuurlijke personen toegekende rechten. Voor rechtspersonen zou deze afweging anders uitvallen.

Het Hof stelt dat de art. 7 en 8 van het Handvest in het geding waren. Het Handvest heeft sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon dezelfde rechtswaarde als de Unie Verdragen (het VEU en het VwEU).

De publicatie van de namen en de bedragen van de begunstigden, voor zover die natuurlijke personen zijn, werd in dit arrest gezien als een inbreuk op art. 7 (recht op privacy) en art. 8 (recht op gegevensbescherming) van het Handvest. Het feit dat de gegevens betrekking hebben op beroepsactiviteiten doet hieraan geen afbreuk (zie rechtsoverweging 59).

Inbreuken op deze rechten zijn slechts geoorloofd, indien (op grond van art. 52 lid 1 Handvest):

1. De inbreuken voorzien zijn bij de wet;
2. De fundamentele rechten worden gerespecteerd;
3. Daadwerkelijk het algemeen belang van de Unie wordt gediend, en;
4. De inbreuk moet noodzakelijk en proportioneel zijn (het evenredigheidsbeginsel).

Het Hof heeft onderzocht of de publicatie van gegevens, in het kader van subsidieverlening, noodzakelijk was. Hierbij woog het Hof het belang van transparantie (als doelstelling van algemeen belang) af tegen het proportionaliteitsbeginsel. Aan de ene kant maakt de bekendmaking een betere deelneming van de burgers aan het publiek debat over landbouwsubsidies mogelijk (zie rechtsoverwegingen 69-71, 75). Aan de andere kant is echter ook vereist dat de maatregel om te publiceren niet verder gaat dan wat noodzakelijk is (het proportionaliteitsbeginsel).

Volgens het Hof werd in dit arrest niet aan het proportionaliteitsbeginsel voldaan (waar de publicatie natuurlijke personen betreft), deelstaat Hessen had een minder ingrijpende maatregel moeten treffen. De deelstaat heeft volgens het Hof geen methodes of maatregelen gebruikt die minder inbreuk zouden maken op de fundamentele rechten van betrokkenen, maar toch dezelfde doeleinden dienen. Het Hof concludeert tot ongeldigheid van de bepalingen uit de Verordeningen, voor zover deze voorzien in verplichte bekendmaking van persoonsgegevens zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt op basis van relevante criteria, zoals tijdvakken van subsidieverstrekking, de frequentie, het type steun en de omvang ervan (zie rechtsoverweging 81).

Voor zover andere minder verregaande (publicatie) maatregelen mogelijk zijn, werd de publicatiemaatregel ten aanzien van natuurlijke personen om die reden dan ook door het Hof beschouwd als een inbreuk op de genoemde fundamentele rechten en daarom als ongeldig.

6. Actuele ontwikkelingen

De publicatiemaatregel is niet verenigbaar met de art. 7 en 8 van het Handvest. Daarom kwam de Europese Commissie met een voorstel voor een nieuw subsidiewetgeving, dat de bestaande beleidsregels aanpast.

De Europese Commissie heeft op 25 september 2012 een voorstel aangenomen, voortvloeiend uit het arrest C-92/09, ter verbetering van de transparantie op het gebied van Europese landbouwsubsidies. Het voorstel houdt in dat (decentrale) overheden de namen van de subsidieontvangers en de subsidie die zij hebben ontvangen bekend moeten maken, maar dat wel rekening moet worden gehouden met de bescherming van de persoonsgegevens. Dit doet de Commissie door het instellen van bepaalde grenzen op de publicatie van de individuele namen. Zo is het bij kleine landbouwsubsidies niet verplicht om de identiteit van de ontvanger te publiceren.

Meer informatie

Wetsvoorstel, Europese Commissie
Landbouw en staatssteun
Regionaal beleid
Bronnen Europees recht en beleid
Gegevensbescherming
Praktijkvraag Lissabon en grondrechten
Hof van Justitie: ‘De publicatie van financiële landbouwsteungegevens is een disproportionele inbreuk op de privacy en gegevensbeschermingsgrondrechten’, Computerrecht 2011/28.

Reacties en disclaimer
Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Januari 2013

januari 2013

Eind 2012 heeft het Hof van Justitie van de EU een uitspraak gedaan die weer een nadere invulling geeft aan de toepassing van de zogenaamde inbestedingsuitzonderingsgrond. Wanneer overheden een opdracht ‘inbesteden’ en aan de eisen uit de jurisprudentie wordt voldaan, is de Europese aanbestedingsrichtlijn niet van toepassing en hoeft de opdracht niet Europees aanbesteed te worden.

1. Hof van Justitie EU, 29 november 2012. Econord

Gevoegde zaken C-182/11 en C-183/11

2. Beleidsdossiers en thematiek

Aanbestedingsrichtlijn 2004/18
Inbesteding

3. Relevantie beleidsdossier en thematiek voor decentrale overheden

Overheden vragen zich bij het gunnen van opdrachten aan elkaar vaak af in hoeverre zij gebruik kunnen maken van de uitzonderingsgrond om dergelijke opdrachten niet Europees aan te hoeven besteden wegens het feit dat sprake is van inbesteding. De voorwaarden hiervoor worden (nog) niet in de aanbestedingsrichtlijn gegeven maar worden met name uitgewerkt in jurisprudentie.

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag

De Italiaanse gemeente Varese heeft ASPEM opgericht om als ‘in-house’dienstverrrichter op haar grondgebied openbare diensten (met name de gemeentelijke reinigingsdienst) te exploiteren. Bijna alle aandelen van deze vennootschap waren toen in handen van de gemeente Varese, waardoor deze zeggenschap had over ASPEM.

In 2005 hebben de gemeenten Cagno en Solbiate bij een aantal besluiten afgesproken om de gemeentelijke reinigingsdienst (m.n. verwijdering van vast stedelijk afval) bij voorkeur gecoördineerd met andere gemeenten te exploiteren. Dit was ook in overeenstemming met een Italiaans wetsdecreet. De twee gemeenten hebben een overeenkomst met de gemeente Varese goedgekeurd voor de gunning onder bezwarende titel van hun gemeentelijke reinigingsdienst aan ASPEM. De gemeenten zijn allemaal openbare aandeelhouders van ASPEM geworden door 1 aandeel te verwerven in het maatschappelijk kapitaal van ASPEM.

Uit het dossier bij het Hof blijkt dat de gemeente Varese de meerderheid van het maatschappelijk kapitaal van ASPEM in handen heeft door haar aandelenbezit (173 467 aandelen). Een klein deel van de aandelen (namelijk 318 aandelen) zijn verdeeld over de 36 gemeenten van de provincie Varese.

Gelijktijdig met de verwerving van hun deelneming hebben de gemeenten Cagno en Solbiate, samen met de andere betrokken gemeenten, een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Deze verleende hen het recht te worden geraadpleegd, om een lid van de Raad van Toezicht te benoemen en om in overleg met andere gemeenten bij de overeenkomst een lid van de Raad van Bestuur te benoemen.

Cagno en Solbiate zijn van mening dat was voldaan aan de voorwaarden voor in house-gunning van de betrokken dienst van openbaar belang, aangezien de territoriale autoriteiten een gezamenlijk toezicht uitoefenden op ASPEM. Zij hebben de opdracht dan ook rechtstreeks gegund aan ASPEM. Econord SpA maakt bezwaar tegen die rechtstreekse gunning om dat de twee gemeenten volgens haar geen toezicht uitoefenden op ASPEM. Daarom had de opdracht moeten worden gegund overeenkomstig de voorschriften van het Unierecht.

De Italiaanse rechter die bij de zaak betrokken raakt stelt het Hof van Justitie EU vervolgens de volgende prejudiciële vraag: ‘Moet het beginsel dat de individuele positie van elke in de instrumentele vennootschap deelnemende overheidsinstantie irrelevant is, ook toepassing vinden in het geval waarin – zoals in casu – één van de deelnemende gemeenten slechts één aandeel in de instrumentele vennootschap bezit en de aandeelhoudersovereenkomsten die tussen de overheidsinstanties zijn gesloten de deelnemende gemeente geen effectief toezicht op de vennootschap verlenen, zodat de deelneming in de vennootschap kan worden geacht niet meer dan de vorm te zijn van wat in feite een overeenkomst voor het verrichten van diensten is?’

5. Samenvatting uitspraak

Het Hof beslist het volgende. ‘Wanneer meerdere overheidsinstanties in hun hoedanigheid van aanbestedende dienst samen een entiteit oprichten voor het verrichten van hun openbare dienstverleningstaak of wanneer een overheidsinstantie een deelneming verwerft in een dergelijke entiteit, is voldaan aan de in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde voorwaarde dat deze autoriteiten, om te worden vrijgesteld van hun verplichting om een openbare aanbestedingsprocedure te organiseren overeenkomstig de voorschriften van het Unierecht, op deze entiteit gezamenlijk toezicht uitoefenen zoals op hun eigen diensten, wanneer al deze autoriteiten deelnemen in het kapitaal van die entiteit alsook deel uitmaken van de bestuursorganen ervan.’

6. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak

Ingevolge jarenlange jurisprudentie is van belang dat voor een beroep op de inbestedingsuitzonderingsgrond wordt voldaan aan twee criteria: het toezichtscriterium en het merendeels-criterium. Deze betreffen onder andere (de uitwerking van) de vraag of de decentrale overheid ‘toezicht’ op de gelieerde instelling uitoefent alsof het een eigen dienst betreft alsmede de vraag of de gelieerde instelling het ‘merendeel van zijn werkzaamheden’ verricht ten behoeve van de decentrale overheid.

De uitspraak Econord geeft nadere invulling aan het toezichtscriterium. Wanneer meerdere overheidsinstanties een entiteit oprichten voor het verrichten van hun openbare dienstverleningstaak (of wanneer een overheidsinstantie een deelneming verwerft in een dergelijke entiteit) wordt voldaan aan het toezichtsvereiste wanneer al deze autoriteiten deelnemen in het kapitaal van de entiteit alsmede deel uitmaken van de bestuursorganen van de autoriteit.

Het hoeft bijvoorbeeld dus niet uit te maken dat het aandelenkapitaal niet evenredig is verdeeld onder de deelnemende overheidsinstanties mits maar voldaan wordt aan het (effectief) toezichtsvereiste. Met name rechtsoverwegingen 30 en 31 van het arrest gaan in op de situatie van minderheidsaandeelhouderschap en de gevolgen daarvan voor het toezichtsvereiste.

In rechtsoverwegingen 27 t/m 29 worden de bestaande criteria uit de jurisprudentie over structureel, functioneel, effectief en gezamenlijk toezicht herhaald. In de zaak Econord stelt het Hof van Justitie dat het aan de Italiaanse rechter is om te beoordelen of de gemeenten Cagno en Sobiate op grond van het feit dat zij de betreffende aandeelhoudersovereenkomst sloten die hun een aantal rechten geeft en een aantal toezichtbevoegdheden, effectief kunnen deelnemen aan het toezicht op ASPEM.

7. Actuele ontwikkelingen

In het werkdocument Publiek Publieke Samenwerking van de Europese Commissie uit oktober 2011 en in de nieuwe aanbestedingsrichtlijnvoorstellen van eind 2011 (zie ook het feuilleton voorstellen nieuwe aanbestedingsrichtlijnen ) wordt ook uitgebreider aandacht besteed aan de toepassing van de inbestedingscriteria. De uitspraak Econord kan worden gelezen als een aanvulling op deze documenten.

Meer informatie

Inbesteden, Aanbesteding

Reacties en disclaimer
Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

X