De-minimissteun en vervoer jurisprudentie

HvJ EU, 26 september 2002 en 13 februari 2003. Renove arresten

Zaak C-351/98 en Zaak C-409/00. In deze twee arresten heeft het Hof duidelijk gemaakt dat er een verschil bestaat in behandeling tussen twee categorieën ondernemingen. Ondernemingen die als hoofdactiviteit vervoer hebben kunnen slechts profiteren van steunregelingen met welbepaalde doelstellingen (regionale, op het gebied van milieu, MKB’s enz.). Deze moeten door de Commissie worden goedgekeurd, zelfs voor bedragen onder het plafond. Andere ondernemingen die niet tot deze sector behoren maar niettemin vervoersactiviteiten voor eigen rekening uitvoeren, profiteren zonder beperkingen en zonder voorafgaande goedkeuring van de Commissie van de de-minimisverordening.

Let wel: deze uitspraken zijn gedaan voor de inwerkingtreding van de gewijzigde de-minimisverordening op 1 januari 2007. Deze is voortaan ook van toepassing op de sector vervoer, met als enige uitzondering ‘steun ten behoeve van de aanschaf van wegvervoermiddelen voor vracht door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren’. Voor de ondernemingen die actief zijn in de sector wegvervoer is het steunplafond niet EUR 200.000,- maar EUR 100.000,- over een periode van drie belastingjaren. De Renove-arresten zijn echter nog steeds van belang voor de afbakening van de sector vervoer. Een onderneming valt alleen onder de sector vervoer wanneer het verrichten van vervoer haar hoofdactiviteit is. Vervoer dat voor eigen rekening wordt verricht en niet voor derden, valt daarom niet onder de vervoerssector.

Milieueffectrapportage jurisprudentie

HvJ EU, 14 maart 2013. Leth

Zaak C‑420/11. Volgens het Unierecht en onverminderd minder beperkende nationaalrechtelijke regels ter zake van de aansprakelijkheid van de staat, verleent de omstandigheid dat in strijd met de vereisten van deze richtlijn geen milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd particulieren in beginsel niet als zodanig recht op vergoeding van zuivere vermogensschade die voortvloeit uit de waardevermindering van hun onroerende zaken als gevolg van de milieueffecten van dit project. Het staat evenwel aan de nationale rechter om na te gaan of is voldaan aan de Unierechtelijke vereisten voor het recht op schadevergoeding, met name het bestaan van een rechtstreeks causaal verband tussen de aangevoerde schending en de geleden schade.

Luchtvervoer jurisprudentie

Gerecht, 24 maart 2011. Freistaat Sachsen e.a. tegen Commissie

Gevoegde zaken T-443/08 en T-455/08. In dit arrest bevestigt het Gerecht dat steun aan luchthavenondernemingen kan leiden tot verstoring van de interne markt. Luchthavens streven steeds meer commerciële doelen na waardoor de exploitatie van luchthavens niet langer onder de overheidsprerogatieven valt en aan de staatssteunregels onderhevig is. Staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU aan luchthavens kan de markt verstoren en de intracommunautaire handel beïnvloeden. Het aanleggen van luchthaveninfrastructuur wordt door de Commissie gezien als een economische activiteit. Op basis van deze zaak worden de huidige richtsnoeren voor steun aan luchthavens herzien.

Europese Commissie, 19 november 2009. Groninger Airport Eelde

Steunmaatregel NN 43/2009. In deze zaak oordeelde de Commissie dat er sprake is van een toenemende concurrentie tussen (regionale) luchthavens. Luchthavens leven volgens de Commissie commerciële doelstellingen na. Ze vallen daardoor niet meer onder publieke infrastructuur. Subsidies voor de bouw en exploitatie van luchthavens vallen onder het toezicht van staatssteunregels door de Commissie.

Geïsoleerde regio
De luchthaven Eelde ligt in een geïsoleerde regio van de EU. Eelde ligt relatief ver verwijderd van de Europese luchtvaart verbindingspunten Schiphol, Münster en Bremen.

Steun aanvaard
De steun voor de aanpassing van de landingsbaan werd aanvaard, omdat deze bijdroeg aan de integratie van de luchthaveninfrastructuur in het Europese vervoersnet. Dat Eelde een kleine regionale luchthaven blijft tot 2015 speelt hierbij een rol. De luchthaven zal een beperkt aantal passagiers aantrekken waardoor het effect op het interne handelsverkeer beperkt blijft.

Vrij verkeer van werknemers jurisprudentie

Jurisprudentie vrij verkeer werknemers, Europese Commissie

EU-burgerschap jurisprudentie

HvJ EU, 8 maart 2011. Zambrano tegen RVA

Zaak C-34/09. In deze zaak heeft art. VWEU naast art. 21 een zelfstandige betekenis gekregen. Het Europese Hof verleende aan illegaal verblijvende ouders met de nationaliteit van een derde land het recht op een verblijfsvergunning en een werkvergunning, omdat hun kinderen de EU-nationaliteit hadden.

Uitzetting ouders
Uitzetting van de illegaal in België verblijvende Colombiaanse ouders had feitelijk tot gevolg dat de kinderen verplicht werden het EU-grondgebied te verlaten. Volgens het Hof werd deze kinderen het effectieve genot van de met hun status van Unieburger verbonden rechten ontzegd.

HvJ EU, 5 mei 2011. McCarthy tegen Secretary of State for the Home Department

Zaak C-434/09. Bijna twee maanden later oordeelde het Hof echter in de zaak McCarthy dat EU-burgers die nooit hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend, zich niet kunnen beroepen op het EU-burgerschap om het verblijf van hun echtgenoot die uit een derde land komt, te regulariseren. Het Hof heeft in deze zaak duidelijk gemaakt dat de Zambrano-uitspraak een uitzonderlijke situatie betrof.

Zambrano uitzonderlijke uitspraak
Het uitzonderlijke karakter van de zaak Zambrano wordt ook bevestigd in de nationale rechtspraak. Uit een inventarisatie van op rechtspraak.nl gepubliceerde nationale uitspraken is af te leiden dat Nederlandse rechters niet snel een beroep op de Zambrano-uitspraak accepteren.

Kan staatssteun worden voorkomen?

Europese Commissie, 11 december 2007. Glasvezelnet Citynet Amsterdam

Zaak C-53/2006. Volgens de Commissie investeerde de gemeente Amsterdam, bij investering in een glasvezelnetwerk, onder dezelfde voorwaarden als de betrokken particuliere partijen. De investering vormde geen staatssteun, omdat deze in overeenstemming was met het zogenoemde MEIP-beginsel.

Vier criteria
Het Market Economy Investor Principle (MEIP-beginsel) wordt uiteen gezet aan de hand van vier criteria:

– De investeerders zijn marktinvesteerders. De investeringen van particuliere investeerders moeten een reële economische impact hebben;
– Alle betrokken partijen moeten de investering gelijktijdig hebben gedaan;
– De investeringsvoorwaarden moeten voor alle aandeelhouders identiek zijn;
– Er moet sprake zijn van gelijkheid van investeerderwaarden.

Waterbeheer

HvJ EG, 10 september 2009. WAZV Gotha tegen Eurawasser

Zaak C-206/08. In deze zaak werd het begrip ‘concessieovereenkomst voor diensten’ – in de zin van de aanbestedingsrichtlijn voor speciale sectoren – uitgelegd.

WAZV Gotha is een gemeentelijk samenwerkingsverband, dat verantwoordelijk is voor de drinkwatervoorziening en de afvalwaterafvoer op zijn grondgebied. Eurawasser is een onderneming voor de behandeling en lozing van water.

Aanbestedingsprocedure
WAZV Gotha besloot een concessie te verlenen voor de drinkwatervoorziening en afvalwaterafvoer voor 20 jaar, middels een informele aanbestedingsprocedure. Eurawasser ging hiertegen in beroep en kreeg gelijk. Volgens de Duitse rechter ging het om een opdracht voor dienstverlening. WAZV Gotha had dus een formele aanbestedingsprocedure moeten inleiden.

Beroep
WAZV Gotha was het hier niet mee eens, en ging tegen de uitspraak in beroep. Aan het Hof werd gevraagd of het volgende geval van een overeenkomst voor diensten, volstaat om de overeenkomst aan te merken als ‘concessieovereenkomst voor diensten’: De opdrachtnemer wordt niet rechtstreeks door de aanbestedende dienst vergoed, maar heeft het recht om op privaatrechtelijke basis, vergoedingen van derden te innen.

Hof
Het Hof antwoordde dat dit het geval is, als de opdrachtnemer het exploitatierisico geheel of gedeeltelijk op zich neem. Ook als is het risico op grond van de wijze waarop de dienst publiekrechtelijk is georganiseerd, zeer beperkt.

Natura 2000

Hvj EU, Sweetman tegen An bord, 11 april 2013

Zaak C-258/11. De An Bord heeft toestemming gegeven voor het project ‘aanleg buitenste rondweg N6 Galway City’. Volgens het project loopt een deel van de geplande weg door het GCB van Lough Corrib. Hierdoor zal een deel van de kalkhoudende rotsbodem definitief verloren gaan.
De An bord heeft in haar besluit tot toestemming geoordeeld dat het project, hoewel het plaatselijk een grote impact heeft op het gebied, de natuurlijke kenmerken van dit gebied niet aangetast zullen worden. Sweetman gaat tegen dit besluit van An Bord in beroep en stelt dat An bord dit onjuist geconcludeerd heeft.

Prejudiciële vraag
De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 6 li3 d van de Habitatrichtlijn moet worden uitgelegd dat in een situatie zoals in het hoofdgeding, een plan of een project dat geen verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, de natuurlijke kenmerken van dat gebied aantast.

Instandhoudingsdoel
Het Hof herinnert eraan dat kalkhoudende rotsbodem een natuurlijke hulp bron is die niet kan worden vervangen wanneer zij is vernietigd. Het instandhoudingsdoel houdt dan ook in dat de bepalende kenmerken van het gebied, in dit geval de aanwezigheid van kalkhoudende rotsbodem, worden behouden in een gunstige staat van instandhouding.

Conclusie
Het Hof concludeert dat een plan of project dat de natuurlijke kenmerken van een bepaald gebied aantast wanneer het in de weg kan staan aan het duurzame behoud van de in deze richtlijn bedoelde bepalende kenmerken van het betrokken gebied die verband houden met de aanwezigheid van een prioritaire natuurlijke habitat waarvan het doel van instandhouding tot aanwijzing als GCB gebied heeft geleid. Bij de beoordeling daarvan moet het voorzorgsbeginsel worden toegepast.

HvJ EU, Briels tegen Minister van infrastructuur en milieu. 15 mei 2014

Zaak C-521/12. In deze zaak gaat het om negatieve gevolgen voor een natura 2000 gebied die moeten worden gecompenseerd door de aanleg van een nieuw gebied.

Feiten
De minister van infrastructuur en milieu heeft besloten dat de Rijksweg A2 wordt verbreed. Deze verbreding zal, zo blijkt uit een voorafgaande natuurtoets, negatieve gevolgen hebben voor het natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek waarin het habitattype blauwgraslanden wordt beschermd. Het project voorziet daarom in een plan om nieuwe blauwgraslanden in het gebied aan te leggen. Een aantal partijen heeft tegen het besluit tot verbreding van de A2 beroep ingesteld.

Prejudiciële vragen
Tast de ontwikkeling van het nieuwe areaal de natuurlijke kenmerken van het gebied aan en mag de ontwikkeling van het nieuwe areaal worden aangemerkt als compenserende maatregel?

Aantasting natuurlijke kenmerken
De beschermingsmaatregelen die in een project worden opgenomen om de schadelijke gevolgen van dit project voor een natura 2000 gebied te compenseren kunnen bij de door artikel 6 lid 3 habitatrichtlijn opgelegde beoordeling van de gevolgen van dit project niet in aanmerking worden genomen.

Deze maatregelen strekken er immers niet toe om de negatieve gevolgen die voor dit habitattype rechtstreeks uit het project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen, maar beogen deze gevolgen nadien te compenseren. Die maatregelen kunnen niet garanderen dat het project de natuurlijke kenmerken van dit gebied niet zal aantasten.

Compenserende maatregelen
Alleen wanneer een plan, ondanks negatieve conclusies , en bij het ontbreken van alternatieve oplossingen om dwingende redenen van groot openbaar algemeen belang toch moet worden gerealiseerd, mag de lidstaat volgens art. 6 lid 4 alle nodige compenserende maatregelen nemen om te waarborgen dat de algehele samenhang van de natura 2000 bewaard blijft. De bevoegde nationale autoriteiten kunnen een vergunning krachtens art. 6 lid 4 habitatrichtlijn verlenen voor zover de daarin gestelde voorwaarden zijn vervuld.

Conclusie
Een plan dat negatieve gevolgen heeft voor een natura 2000 gebied en dat voorziet in het aanleggen van een nieuw areaal in dat gebied tast de natuurlijke kenmerken van dat gebied aan. Deze maatregelen kunnen slechts als compenserende maatregelen in de zin van art. 6 lid 4 worden aangemerkt voor zover de bij deze bepaling gestelde voorwaarden vervuld zijn.

HvJ EU, 14 januari 2010. Stadt Papenburg

Zaak C-226/08. Papenburg is een havenstad aan de Eems. Om het gedeelte van de rivier tussen Papenburg en de Noordzee bevaarbaar te houden, zijn baggerwerkzaamheden noodzakelijk. Delen van de Eems zijn opgenomen in de ontwerplijst van de GCB. De Commissie verzocht Duitsland hiermee volgens de richtlijn in te stemmen. Papenburg vreesde dat toekomstige baggerwerkzaamheden daardoor telkens aan beoordeling onderworpen zouden moeten worden en ging daarom tegen het besluit in beroep. De verwijzende Duitse rechter vroeg het Hof, of de Habitatrichtlijn het toestaat dat een lidstaat zich onthoudt van instemming met de opgestelde ontwerplijst voor GCB’s, om andere redenen dan natuurbescherming. Het Hof antwoordde ontkennend. Weigeren lidstaten hun instemming, dan kan de verwezenlijking van het doel van de Habitatrichtlijn in gevaar gebracht worden.

Ook wilde de Duitse rechter weten, of doorlopende onderhoudswerkzaamheden die vóór de afloop van de omzettingstermijn van de Habitatrichtlijn zijn goedgekeurd, onderworpen moeten worden aan een beoordeling van de gevolgen op het gebied. Het Hof antwoordde bevestigend.

Doorlopende baggerwerkzaamheden zijn één en hetzelfde project. Is er vóór de omzettingstermijn een vergunning afgegeven, hoeft er niet steeds opnieuw een beoordeling plaats te vinden.

HvJ EG, 23 april 2009. Sahlstedt e.a.

Zaak C-362/06 P. Het Hof bevestigde de eerdere uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg, in de zaak ‘Sahlstedt e.a. tegen Commissie’ (T-150/05). Hierin verklaarde het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van Beschikking 2005/101/EG niet ontvankelijk. De Finse vereniging van landbouwers en dertien particuliere grondeigenaren stelden dit beroep aan. De Commissie had een lijst van GCB’s samengesteld voor de boreale biogeografische regio (Zweden, Finland en de Baltische staten). In de bestreden beschikking, waren de gronden van de dertien particulieren ingedeeld onder deze GCB.

Het Gerecht oordeelde dat de verzoekers niet rechtstreeks door de beschikking werden geraakt. Ze voldeden dus niet aan de voorwaarde van art. 230 alinea 4 EG. De eigenaar van gronden gelegen in GCB’s, werden niet individueel door de beschikking geraakt. Dergelijke gebieden worden uitsluitend aangewezen aan de hand van biologische criteria en niet met oog op de bijzondere situatie van grondeigenaren.

HvJ EG, 17 februari 2009. Commune de Sausheim tegen Pierre Azelvandre

Zaak C-552/07. De gemeente Sausheim (Frankrijk) zou ggo’s gaan introduceren in het milieu. Toen de burger Pierre Azelvandre de gemeente vroeg hem de briefwisseling en aanbouwgegevens mee te delen met betrekking tot veldproeven in het kader van de doelbewuste introductie van ggo’s, werd hem dit geweigerd. Pierre Azelvandre spande een geding aan.

Het Hof bepaalde dat, op grond van Richtlijn 2003/4/EG, een lidstaat niet mag weigeren informatie te verschaffen die zich uit hoofde van de bepalingen van Richtlijn 90/220/EEG en Richtlijn 2001/18/EG in het publieke domein bevindt. De Gemeente Sausheim werd dus verplicht de gevraagde informatie te verschaffen.

HvJ EG, 14 september 2006. Bund Naturschutz in Bayern e.a. tegen Freistaat Bayern

Zaak C-244/05. Ingevolge van de Habitatrichtlijn, zijn er gebieden aangewezen voor de lijst van GCB’s. De verwijzende Duitse rechter, vroeg zich af welke beschermingsregeling van toepassing is op gebieden die nog niet door de Commissie zijn opgenomen in de betreffende lijst.

Volgens het Hof moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen, om ingrepen te voorkomen die ecologische kenmerken van de gebieden die op de toegezonden nationale lijst staan, ernstig kunnen aanpassen. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dat het geval is.

Richtlijnconforme interpretatie

HvJ EU, Amia SpA tegen Provincia Regionale di Palermo, 24 mei 2012

Zaak C 97/11. Amia exploiteert een stortplaats te Palermo waar zij afval verwijdert dat op gezette tijden door de lokale overheden wordt afgeleverd. Amia moet op grond van een nationale wet per kwartaal een heffing betalen aan de Provincia Regionale di Palermo. Zij moet deze heffing doorberekenen aan de lokale overheden die hun afval komen storten. Amia heeft een aanslag van de Provincia Regionale di Palermo ontvangen ter invordering van niet betaalde heffing en van een geldboete. Zij gaat daartegen in beroep.

Prejudiciële vraag
De verwijzende rechter vraagt of de bepalingen van een nationale wet buiten toepassing moeten worden gelaten wegens strijd met artikel 10 van richtlijn 1999/31 en wegens strijd met de artikelen 1 t/m 3 van richtlijn 2000/35?

Hof
Een nationale bepaling die indruist tegen het Unierecht moet buiten toepassing worden gelaten wanneer er geen met het Unierecht strokende uitlegging van die bepaling mogelijk is. De nationale rechter moet bij de toepassing van het interne recht dit zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Het beginsel van richtlijnconforme uitlegging vereist bovendien dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, gelet op het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.

Directe werking
Voor het geval zo een uitlegging niet mogelijk mocht zijn, moet worden onderzocht of artikel 10 van richtlijn 1999/31 en de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2000/35 rechtstreekse werking hebben en of Amia zich er dus op kan beroepen tegen de Provincia Regionale di Palermo. Het hof oordeelt dat de artikelen 10 en 1 t/m 3 onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. Deze bepalingen hebben dus directe werking.

Aangezien artikel 10 van richtlijn 1999/31 en de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2000/35 de voorwaarden vervullen om rechtstreekse werking te hebben, gelden zij voor alle autoriteiten van de lidstaten, dus ook voor de Provincia Regionale di Palermo.

De nationale rechter moet nagaan of het volstrekt onmogelijk is om zijn nationale recht uit te leggen in overeenstemming met richtlijnen 1999/31 en 2000/35. Wanneer dit niet mogelijk is moe de rechter de nationale bepalingen buiten toepassing laten.

HvJ EU. 15 maart 2001. Pupino

Zaak C-105/03. Een Italiaanse rechter verzocht het Hof tot een prejudiciële beslissing met betrekking tot enkele artikelen van het kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in de betreffende strafprocedure (2001/220/JAI).

Kleuterleidster Maria Pupino werd ervan verdacht kinderen lichamelijk letsel te hebben toegebracht. De Italiaanse rechter wilde weten of hij het nationale strafprocesrecht conform het kaderbesluit moest uitleggen.

Hof
Het Hof stelde dat het dwingende karakter van kaderbesluiten de nationale instanties, met name de nationale rechter, verplicht tot conforme uitlegging van hun nationale recht. Dit leidde het Hof af uit de identieke bewoording van (oud) art. 34 EU (kaderbesluiten) en (oud) art. 249 derde alinea EG (richtlijnen).

Het Hof oordeelde echter dat de verplichting van de nationale rechter om de inhoud van een kaderbesluit te betrekken bij de uitlegging van de relevante bepalingen van zijn nationale recht, haar grenzen vindt in de algemene rechtsbeginselen en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van non-retroactiviteit.

Conforme uitlegging houdt daar op waar het nationale recht niet zodanig kan worden toegepast dat het tot een resultaat leidt dat verenigbaar is met het door het kaderbesluit beoogde resultaat. Oftewel, het beginsel van conforme interpretatie kan niet als grondslag dienen voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.

Emissieplafonds

HvJ EU, 26 mei 2011. Stichting Natuur en Milieu e.a. tegen provincies Zuid-Holland en Groningen

Zaken C-165/09 t/m C-167/09. Op 26 mei 2011 gaf het Hof antwoord op vragen die de Raad van State in 2009 aan het Hof stelde. Het ging om het volgende:

Zuid-Holland heeft Rotterdam vergunningen verleend voor twee elektriciteitscentrales op de Maasvlakte, Groningen verleende hiervoor een vergunning voor de Eemshaven in Eemsmond.
Stichting Natuur en Milieu, Greenpeace Nederland en een aantal particulieren gingen hiertegen in beroep. De provinciebesturen hadden rekening moeten houden met de nationale emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen. Door vergunningverlening zouden deze worden overschreden.

De Raad van State vroeg het Hof of en in hoeverre er bij vergunningverlening rekening gehouden moet worden met de nationale emissieplafonds van de NEC-richtlijn.

Uitspraak
Volgens het Hof is een lidstaat bij vergunningverlening voor een industriële installatie, niet verplicht de nationale emissieplafonds als voorwaarde te betrekken in de beslissing.

Lidstaten moeten zich wel aan de verplichting houden beleid op te stellen en maatregelen te nemen, die ‘in hun geheel genomen’ de uitstoot van gassen beperken en het nationale emissieplafond niet overschrijden. 

Luchtkwaliteit jurisprudentie

Hof van Justitie, 26 mei 2011. Stichting Natuur en Milieu e.a. tegen provincies Zuid-Holland en Groningen

Zaken C-165/09 t/m C-167/09. Op 26 mei 2011 gaf het Hof antwoord op vragen die de Raad van State in 2009 aan het Hof stelde. Het ging om het volgende:

Zuid-Holland heeft Rotterdam vergunningen verleend voor twee elektriciteitscentrales op de Maasvlakte, Groningen verleende hiervoor een vergunning voor de Eemshaven in Eemsmond.

Stichting Natuur en Milieu, Greenpeace Nederland en een aantal particulieren gingen hiertegen in beroep. Volgens hen hadden de provinciebesturen rekening moeten houden met de nationale emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen. Door vergunningverlening zouden deze worden overschreden.

De Raad van State vroeg het Hof of en in hoeverre er bij vergunningverlening rekening gehouden moet worden met de nationale emissieplafonds van de NEC-richtlijn.

Uitspraak
Volgens het Hof is een lidstaat bij vergunningverlening voor een industriële installatie, niet verplicht de nationale emissieplafonds als voorwaarde te betrekken in de beslissing.

Lidstaten moeten zich wel aan de verplichting houden beleid op te stellen en maatregelen te nemen, die ‘in hun geheel genomen’ de uitstoot van gassen beperken en het nationale emissieplafond niet overschrijden.

Hof van Justitie, 6 november 2008. Europese Commissie tegen Nederland

Zaak C-405/07. De vraag was of Nederland zo’n groot probleem had met betrekking tot de luchtkwaliteit, dat Nederland mocht afwijken van de richtlijnen.

Uitspraak
Volgens het Hof heeft de Commissie onvoldoende onderzocht of de overschrijding van de grenswaarden zeer bijzonder waren in vergelijking met andere lidstaten. De beschikking van de Commissie waarin de Nederlandse maatregelen – de verplichte roetfilter – niet werden goedgekeurd, werden hierbij ook vernietigd. Dit betekent niet dat de verplichte roetfilter automatisch is toegestaan.

Hof van Justitie, 25 juli 2008. Dieter Janecek tegen Freistaat Bayern

Zaak C-237/07. Volgens het Hof kunnen particulieren zich tegenover de overheid beroepen op onvoorwaardelijke en voldoende duidelijke bepalingen van een richtlijn (zaak 148/78, Ratti). Ook richtlijnbepalingen waarin grenswaarden zijn neergelegd, ter bescherming van de volksgezondheid, kunnen rechtstreeks werken.

De Duitse Janecek (politicus voor de Groenen) woonde op de middelste ringweg van München. Dit was nabij een meetstation voor luchtkwaliteit. De emissiegrenswaarde voor fijnstof werd er regelmatig overschreden. Janecek wilde dat de deelstaat Beieren een actieplan zou opstellen. Hierin moest worden vastgelegd, dat op korte termijn maatregelen zouden worden genomen om deze luchtvervuiling tegen te gaan. Hij beriep zich op Richtlijn 96/62/EG (nu Richtlijn 2008/50/EG) over de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit.

De Duitse rechter vroeg het Hof of iemand wiens gezondheid wordt aangetast door overschrijding van grenswaarden, op basis van art. 7 lid 3, het recht wordt toegekend op het opstellen van een dergelijk actieplan.

Uitspraak
Het Hof antwoordde bevestigend. Als de vereiste maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid niet worden nageleefd, kan dit gevaar opleveren voor personen. In dat geval moeten betrokkenen zich kunnen beroepen op de dwingende voorschriften van de richtlijnen inzake lucht- en drinkwaterkwaliteit. Particulieren die rechtstreeks worden getroffen, moeten kunnen bewerkstelligen dat de bevoegde nationale autoriteiten een actieplan opstellen, als bedoeld in Richtlijn 96/62/EG. Eerder bepaalde het Hof dit al in de zaak Commissie tegen Duitsland (zaak C-59/89) in 1991.

De Duitse rechter vroeg ook of de richtlijn nationale autoriteiten verplicht tot het uitvaardigen van maatregelen waardoor op korte termijn de grenswaarde wordt bereikt, of maatregelen die zorgen voor een geleidelijke verbetering.

Uitspraak
Lidstaten beschikken in dit kader over een beoordelingsmarge, zo antwoordde het Hof. Toch stelt art. 7 lid 3 Richtlijn 96/62/EG grenzen uit de uitoefening hiervan. Lidstaten moeten, binnen het kader van het actieplan en op korte termijn, maatregelen nemen om het risico van overschrijding van de grenswaarden of alarmdrempel, tot een minimum te beperken en geleidelijk terug te keren naar een niveau onder deze waarden of drempels.