Zeevervoer wet- en regelgeving

Voor staatssteun aan zeevervoer bestaan er richtsnoeren voor het zeevervoer, de totstandbrenging van snelwegen op zee en scheepsmanagementbedrijven. Ook zijn de volgende algemene staatssteunregels van toepassing:

Algemene Groepsvrijstellingsverordening;
Richtsnoeren milieusteun, met uitzondering van vervoersinfrastructuur;
Richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun;
Kaderregeling staatssteun O&O&I.

1. Richtsnoeren staatssteun zeevervoer

Decentrale overheden moeten met de Richtsnoeren staatssteun voor zeevervoer rekening houden als zij steun willen geven voor zeevervoer. Hieronder wordt het vervoer van goederen en personen over zee verstaan. Voor steun aan scheepsbouw geldt een aparte kaderregeling.

Voorwaarden

Steun aan zeevervoer mag alleen verleend worden aan schepen die in het register van een lidstaat zijn opgenomen.

Reikwijdte

De richtsnoeren maken steun mogelijk voor de volgende maatregelen:

– Fiscale en sociale maatregelen om het concurrentievermogen te verbeteren (hieronder valt onder andere de fiscale behandeling van rederijen en arbeidskosten);
– Steun voor aflossing van de bemanning;
– Investeringssteun;
– Opleidingssteun;
– Regionale steun;
– Herstructureringssteun;
– Openbare dienstverplichtingen en -contracten;
– Steun aan de korte vaart (verplaatsing van lading en passagiers over de zee van en naar in Europa gelegen havens of havens in niet-Europese landen, waarvan de kustlijn langs de Europa begrenzende binnenzeeën loopt).

Melding

Steun op basis van deze richtsnoeren moet worden gemeld bij de Europese Commissie.

2. Richtsnoeren staatssteun totstandbrenging snelwegen op zee

Snelwegen op zee zijn versterkte verbindingen tussen Europese havens, het spoorwegnet en rivieren. Hieronder vallen infrastructuur, faciliteiten en diensten die minstens twee lidstaten omspannen. De Richtsnoeren staatssteun totstandbrenging snelwegen op zee moeten de totstandkoming van deze snelwegen stimuleren. Ook het programma Marco Polo II draagt hieraan bij.

Marco Polo II

In het kader van het programma Marco Polo II kunnen decentrale overheden steun verlenen voor het opstarten of verbeteren van kortevaartsdiensten. Deze steun mag maximaal vijf jaar duren en een maximale steunintensiteit hebben van 35% van de operationele kosten. Deze steun mag verleend worden bij gebrek aan communautaire financiering of bij het gedeelte dat niet onder communautaire financiering valt. De steun mag niet gecumuleerd worden met compensatie voor openbare dienstverlening.

TEN-T

In het kader van het programma TEN-T kunnen decentrale overheden steun verlenen aan snelwegen op zee projecten. Deze steun mag maximaal twee jaar duren en een maximale steunintensiteit hebben van 30% van de kosten. De steun mag niet gecumuleerd worden met compensatie voor openbare dienstverlening.

Achtergrond

In het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen werd aangegeven dat de totstandkoming van snelwegen op zee noodzakelijk is voor de opleving van het zeevervoer over korte afstanden. Voor de komst van de richtsnoeren bestond er nog een verschil tussen eisen aan steun via communautaire fondsen en steun van lidstaten. Dit verschil is nu opgeheven.

Melding

Steun op basis van deze richtsnoeren moet worden gemeld bij de Commissie.

3. Richtsnoeren staatssteun scheepsmanagementbedrijven

De Richtsnoeren staatssteun aan scheepsmanagementbedrijven bevatten staatssteunregels voor bedrijven die veerschillende diensten verlenen aan scheepseigenaren. Hieronder valt het bemanningsbeheer en het technisch beheer (naleving van technische eisen en de zeewaardigheid van schepen).

Voorwaarden

Scheepsvaartmanagementbedrijven moeten aan alle eisen voldoen van art. 5.1 t/m 6.2, om in aanmerking voor steun te komen. Bedrijven aan wie activiteiten van scheepsmanagementbedrijven zijn uitbesteed komen niet in aanmerking voor deze steun.

Deze steun mag alleen gegeven worden in de vorm van verminderde vennootschapsbelasting of voor de toepassing van tonnagebelasting of andere belastingsregelingen. Een percentage van niet minder dan 25% tonnagebelasting wordt toegepast voor tonnagebelasting voor scheepsmanagement.

Melding

Steun op basis van deze richtsnoeren moet worden gemeld bij de Commissie.

Wegvervoer wet- en regelgeving

De PSO Verordening en de de-minimisvrijstelling zijn van toepassing op staatssteun aan wegvervoer. Het nieuwe vrijstellingsbesluit DAEB is niet van toepassing op vervoer of vervoersinfrastructuur. De volgende algemene staatssteunregels gelden:

– Art. 93 VWEU, steun coördinatie openbaar vervoer of openbare diensten;
Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV);
Richtsnoeren milieusteun, met uitzondering van vervoersinfrastructuur;
Richtsnoeren redding- en herstructureringssteun;
Kaderregeling staatssteun O&O&I.

1. PSO Verordening

Bij staatssteun aan openbaar personenvervoer over de weg, moeten decentrale overheden kijken of deze steun onder de PSO Verordening kan vallen. De verordening geldt sinds december 2009 en vervangt Verordening 1191/69 en Verordening 1107/70.

Reikwijdte

De verordening is van toepassing op nationaal en internationaal openbaar personenvervoer per spoor en over de weg.

Voorwaarden

Openbaar personenvervoer zijn personenvervoersdiensten van algemeen economisch belang, die permanent en non-discriminatoir aan het publiek worden aangeboden. De verordening stelt voorwaarden waaronder steun verleend kan worden aan uitvoerders van openbare dienstverplichtingen, zoals openbare vervoersbedrijven. Steun hoofdzakelijk bedoeld voor toerisme of de instandhouding van historisch erfgoed is uitgesloten van de verordening.

Rapportage

Steun onder de PSO Verordening hoeft niet aan de Commissie gemeld of kennisgegeven te worden, maar moet worden gerapporteerd aan de Commissie.

2. De-minimisvrijstelling

Vervoerssteun onder de € 100.000,= valt onder de De-minimisvrijstellingsverordening, normaliter ligt de norm op € 200.000,=. Onder de-minimis leest u aan welke voorwaarden hiervoor moet worden voldaan.

Geen melding, kennisgeving of rapportage

De-minimissteun hoeft niet te worden gemeld, ter kennis gegeven of gerapporteerd te worden bij de Commissie.

Vrijheid van vestiging wet- en regelgeving

Art. 49 VWEU bevat de regels voor het verbod op de beperking van de vrijheid van vestiging.

Artikel 49 VWEU:

In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.

Vrijheid van vestiging

De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal:

– De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan;
– De oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van art. 54 alinea 2 VWEU, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

Vrij verkeer van werknemers wet- en regelgeving

Art. 45 van het VWEU houdt het verbod op discriminatie in.

Artikel 45 VWEU

1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,
     A. in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
     B. zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
     C. in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
     D. op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen verordeningen.

4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.

EU-burgerschap wet- en regelgeving

In artikel 18, 20 en 21 VWEU worden de rechten en regels omtrent het EU-burgerschap uitgelegd.

Artikel 18 VWEU:

Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.

Artikel 20 VWEU:

1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
A. het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;
B. het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
C. het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;
D. het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Artikel 21 VWEU:

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

2. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om deze doelstelling te verwezenlijken en de Verdragen niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken.

3. Ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen als in lid 1 genoemd en tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, maatregelen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Burgerschapsrichtlijn links

Ministerie van Buitenlandse Zaken, over EU- burgerschap
Europese Commissie, over EU-burgerschap

Burgerschapsrichtlijn wet- en regelgeving

De Burgerschapsrichtlijn heeft betrekking op het recht van vrij verkeer en verblijf, inclusief het duurzaam verblijfsrecht, op het grondgebied van de lidstaten door EU-burgers en hun familieleden (art. 1 richtlijn). De richtlijn geeft uitwerking aan art. 21 VWEU. De begunstigden (art. 3 richtlijn) zijn onderdanen van de EU-lidstaten, dat wil zeggen:

– Werknemers;
– Dienstverleners en -ontvangers;
– Zelfstandigen
– Studenten;
– Gepensioneerden;
– Economisch niet-actieven;
– De familieleden van deze categorieën burgers.

Derdelanders

Derdelanders, ofwel mensen uit landen die niet tot de EU behoren, zijn in beginsel uitgesloten van de werking van de richtlijn, tenzij zij familielid zijn, zoals gedefinieerd in art. 2 lid 2 richtlijn.

Artikel 21 VWEU

Art. 21 VWEU luidt als volgt:

‘Iedere burger van de EU heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld’.

Rechten EU-burgers

EU-burgers en hun familieleden hebben uit- en inreisrechten en verblijfsrechten (art. 4 en 5 richtlijn), inclusief een duurzaam verblijfsrecht onder bepaalde voorwaarden. Unieburgers met een geldig identiteitsbewijs of paspoort moeten worden toegelaten behoudens legitieme uitzonderingen. Van familieleden die derdelanders zijn mogen lidstaten een inreisvisum vragen (art. 5 lid 2 richtlijn).

Verblijfsrecht

EU-burgers hebben het recht om drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven (art. 6). Een verblijfsrecht van meer dan drie maanden (art. 7 richtlijn) komt (al dan niet onder voorwaarden) toe aan:

– EU-burgers die in het gastland werknemer of zelfstandige zijn (art. 7 lid 1a richtlijn);
– EU-burgers die aan kunnen tonen dat ze over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1b richtlijn);
– Studenten die een opleiding volgen en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1c richtlijn);
– Een familielid, al dan niet onderdaan van de EU, dat een EU-burger begeleidt of zich bij hem voegt en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikt (art. 7 lid 1d richtlijn);
– Ex-werknemers en ex-zelfstandigen hebben onder bepaalde voorwaarden ook het verblijfsrecht van drie maanden (art. 7 lid 3 richtlijn).

Uitzonderingen

De richtlijn bevat uitzonderingen die door nationale overheden ingeroepen kunnen worden om beperkingen op het inreis- en verblijfsrecht van EU-burgers en hun familieleden te rechtvaardigen. Lidstaten kunnen de vrijheid van verkeer en verblijf van EU-burgers en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken ‘om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid’ (art. 27 lid 1 richtlijn).

Beroep op openbare orde- of openbare veiligheid-exeptie

Art. 27 lid 2 van de richtlijn bevat de voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn ontwikkeld om een geslaagd beroep te kunnen doen op de openbare orde- of openbare veiligheid-exceptie.

Eisen uitzetting migrerende EU-burger

Er moeten aan vijf eisen voldaan worden voordat een migrerende EU-burger of zijn familielid kan worden uitgezet (art. 27 en 28 richtlijn):

– Het evenredigheidsbeginsel;
– De genomen maatregel mag uitsluitend op het persoonlijke gedrag van de betrokkene berusten, waarbij strafrechtelijke veroordelingen geen reden voor de maartegel vormen;
– Het gedrag van betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen;
– De maatregel mag niet losstaan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen;
– Er moet rekening worden gehouden met de duur van het verblijf, de leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate van binding met zijn land van oorsprong (art. 28 richtlijn).

Relatie Burgerschapsrichtlijn en Dienstenrichtlijn

De Burgerschapsrichtijn is van toepassing naast de Dienstenrichtlijn en ook buiten de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op regels die van toepassing zijn op de uitoefening van de diensten die zij verrichten.

Als de dienstverlener en EU-burger uit een andere lidstaat Nederland binnenkomt, moet de (decentrale) overheid de administratieve formaliteiten van de Burgerschapsrichtlijn in acht nemen die betrekking hebben op migratierechten.

Drugshandel wet- en regelgeving

Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving

Middels een Verordening is het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving opgericht. Dit is één van de uitvoerders van het Europees drugsbeleid.

Witwassen van drugsgeld

De Europese Unie heeft een Richtlijn uitgebracht die onder andere het witwassen van drugsgeld moet voorkomen.

De Europese Commissie heeft een Mededeling uitgebracht waarin zij streeft naar een sterker Europees antwoord op de drugsproblematiek.

Minimumvoorschriften illegale drugshandel

In Kaderbesluit 2004/757/JBZ stelt de EU zowel de Europese definitie van de strafbare feiten van drugshandel als minimumvoorschriften voor sancties voor illegale drugshandel vast.

 

Interne markt

Art. 3 lid 3 van het VEU eist dat de EU een interne markt tot stand brengt. In art. 26 lid 1 van de VWEU wordt deze taak nog iets uitgebreider omschreven: ‘De Unie stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn om de interne markt tot stand te brengen en de werking ervan te verzekeren’.

Interne markt

Art. 26 lid 2 VWEU geeft een definitie van het begrip interne markt: ‘De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen’.

Zwemwater

De huidige Zwemwaterrichtlijn is voortgevloeid uit het 6e Milieuactieprogramma en de Kaderrichtlijn Water. De richtlijn is van toepassing op elk oppervlaktewater waar veel mensen zwemmen, waar zwemmen niet permanent verboden is en waarvoor geen negatief zwemadvies bestaat.

De Zwemwaterrichtlijn vult de Kaderrichtlijn Water aan. De kaderrichtlijn heeft als doel behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het water. Ook de gezondheid van de mens wordt hiermee beschermd.

Voorganger

De huidige Zwemwaterrichtlijn is de opvolger van de Zwemwaterrichtlijn 76/160/EEG. Volgens de Commissie moest er meer rekening gehouden worden met de technische vooruitgang en de administratieve lasten die richtlijn met zich mee bracht moesten worden verminderd.

Verplichtingen decentrale overheden

Het Rijk en provincies moeten zwemwateren aanwijzen en ervoor zorgen dat het water aan kwaliteitseisen voldoet. Waterschappen nemen de zwemwateren op in hun beheerplannen. Gedeputeerde Staten inventariseren wateren waar door een groot aantal personen wordt gezwommen. Zij zorgen voor publieksvoorlichting over de locaties, bijvoorbeeld via folders of het internet. De waterbeheerder monitort de zwemwaterkwaliteit gedurende het badseizoen. De duur van het badseizoen mag door de lidstaten zelf bepaald worden.

Zwemwaterkwaliteit

Aan het einde van het badseizoen van 2015 moeten alle zwemwateren minimaal aan de klasse ‘aanvaardbaar’ voldoen. Op langere termijn moet de kwaliteit van het water ‘goed’ of ‘uitstekend’ zijn. De kwaliteit van het zwemwater wordt gemeten aan de hand van twee bacteriën: intestinale enterokokken en escherichia coli (E.coli).

Implementatie in Nederland

De Zwemwaterrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de:

– Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;
– Wet op de waterhuishouding (aanwijzing en kwaliteit van zwemwateren);
– Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (kwaliteit en maatregelen met betrekking tot zwemwater);
– Regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterbesluit).

Waterbeheer

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water moet het Europees waterbeleid transparanter en doeltreffender maken. Decentrale overheden hebben daarom meer verantwoordelijkheden gekregen.

De richtlijn heeft twee dochterrichtlijnen: de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn Prioritaire stoffen. Ook is er een aantal richtsnoeren verschenen.

Doel richtlijn

Om de bescherming en verbetering van alle wateren binnen de EU te waarborgen, stelt de richtlijn doelen die in 2015 behaald moeten zijn:

– Alle wateren moeten voldoen aan strenge ecologische kwaliteitscriteria en in goede staat verkeren;
– Het gebruik van water moet duurzaam zijn;
– De watersystemen moeten zo zijn ingericht dat risico op overstroming en droogte minimaal zijn.

Consequenties decentrale overheden

Op sommige gebieden zijn zowel de kaderrichtlijn als andere richtlijnen van toepassing, bijvoorbeeld de Vogel- en Habitatrichtlijn. De richtlijn met de strengste eisen geldt.

Uit de Kaderrichtlijn Water komt een aantal concrete verplichtingen voort voor decentrale overheden:

– Het opstellen van stroomgebiedbeheersplannen, in samenwerking met andere landen binnen het stroomgebied;
– Het vaststellen van ecologische doelstellingen voor oppervlaktewater;
– Het verrichten van metingen;
– Het verrichten van onderzoek en toetsing als niet aan de eisen van art. 4 wordt voldaan. Zo nodig, moetenvergunning worden herzien en aanvullende maatregelen getroffen worden.

Implementatie in Nederland

De richtlijn is in de periode 2005-2010 in Nederland geïmplementeerd onder andere door wijzigingen in de Waterwet, het Waterbesluit en de Wet milieubeheer.