EUrrest
EUrrest

Verplichting behalen inburgeringsexamen voor derdelanders

juni 2015

1. Inleiding

In deze zaak gaat het Hof in op de verplichting voor in Nederland langdurige ingezeten derdelanders om een inburgeringsexamen te behalen. Het Hof oordeelt dat de wijze waarop aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven de verwezenlijking van de doelen van de Europese richtlijn over langdurig ingezetenen niet in gevaar mag brengen.

Met de invoering van de gewijzigde Wet inburgering zijn gemeenten per 1 januari 2013 niet meer verantwoordelijk voor inburgering. Gemeenten zijn nog wel verantwoordelijk voor derdelanders die voor 1 januari 2013 een verblijfsvergunning hebben gekregen. Deze personen moeten binnen 3.5 jaar het inburgeringsexamen hebben behaald.

2. HvJ EU, 4 juni 2015. P en S tegen Commissie Sociale Zekerheid Breda en College van B&W van de gemeente Amstelveen.

Zaak C-579/13

3. Beleidsdossier en thematiek

Justitie, vrijheid en veiligheid
Integratie en inburgering

4. Feiten

P en S zijn derdelanders die sinds respectievelijk 14 november 2008 en 8 juni 2007 in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor langdurige ingezetenen in Nederland. Deze verblijfsvergunning is verleend op basis van de Europese richtlijn 2003/109, over de status van langdurige ingezeten onderdanen van derde landen. Op grond van het Nederlandse recht zijn zij, op straffe van een geldboete, verplicht binnen een daartoe gestelde termijn een inburgeringsexamen te behalen. Wanneer het examen niet binnen de gestelde termijn is behaald, wordt een nieuwe termijn vastgesteld en wordt de geldboete telkens verhoogd.

P en S hebben beroepen ingesteld tegen de besluiten van de Commissie Sociale Zekerheid en het College van B&W van de gemeente Amstelveen waarin gesteld wordt dat zij inburgeringsplichtig waren. De gemeente had vastgesteld dat zij verplicht waren het inburgeringsexamen te behalen. De Centrale Raad van Beroep twijfelt over de verenigbaarheid van de inburgeringsplicht met de richtlijn.

5. Toepasselijke Unierecht

In deze casus gaat het om richtlijn 2003/109/EG, over de status van langdurige ingezeten onderdanen van derde landen. Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van derde landen die legaal op het EU-gebied verblijven. De richtlijn zorgt voor de onderlinge afstemming van de wetgeving van de nationale lidstaten en voor een eerlijke behandeling van langdurige ingezeten van derde landen op het Europese grondgebied. Met langdurig ingezetenen wordt bedoeld een derdelander die 5 jaar onafgebroken, legaal in een EU-lidstaat verblijft.

Richtlijn 2003/109 is inmiddels vervangen door richtlijn 2011/51/EU. Deze heeft richtlijn 2003/109 uitgebreid naar personen die internationale bescherming genieten.

6. Rechtsvraag

De verwijzende rechter vraagt het Hof met name of het de lidstaten vrijstaat om, nadat de status van langdurig ingezetene is toegekend, integratievoorwaarden gekoppeld aan een boetestelsel in de vorm van een inburgeringsexamen te stellen.

7. Hof

Het Hof merkt op dat de door de verwijzende rechter gestelde vragen uitsluitend betrekking hebben op derdelanders die op de datum van inwerkingtreding van de Wet inburgering, te weten op 1 januari 2007, rechtmatig in Nederland verbleven. Bovendien moeten deze derdelanders tussen 1 januari 2007 en 1 januari 2010 de status van ‘langdurig ingezetenen’ hebben aangevraagd.

Het Hof stelt vast dat het behalen van het examen geen voorwaarde is voor het verkrijgen of het behouden van de status van langdurig ingezetene. Het niet behalen van het examen leidt enkel tot het opleggen van een geldboete aan degenen die dat examen hebben behaald binnen de gestelde termijn.

Verder bevat richtlijn 2003/109 geen verplichting of verbod om van derdelanders te vereisen dat zij na de verkrijging van de status van langdurig ingezetene integratieverplichtingen vervullen.

Uitvoering inburgeringsplicht

De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inburgeringsplicht mag de verwezenlijking van de doelen van de richtlijn niet in gevaar brengen. In dit verband is het Hof van oordeel dat met name rekening gehouden dient te worden met het kennisniveau dat vereist is om het inburgeringsexamen te kunnen behalen, met de toegankelijkheid tot de cursus en tot het ter voorbereiding op dat examen benodigde materiaal, met de hoogte van de voor dat examen verschuldigde inschrijvingskosten. Ook dient rekeningen gehouden te worden ook met bijzondere individuele omstandigheden, zoals leeftijd, analfabetisme of opleidingsniveau.

Geldboete

Het Hof stelt dat het maximumbedrag van de geldboete relatief hoog uitvalt, te weten € 1000. Deze geldboete kan telkens wanneer de gestelde termijnen voor het behalen van het inburgeringsexamen zijn verstreken opnieuw worden opgelegd, totdat de betrokken derdelander het examen uiteindelijk wel heeft behaald.

Kosten

Bovendien moeten de betrokken derdelanders de inschrijvingskosten voor deelname en de voorbereiding van het inburgeringsexamen zelf betalen. Deze inschrijvingskosten bedragen € 230 per keer.

In die omstandigheden kan de betaling van een geldboete, bovenop de betaling van de kosten in verband met de examens, de verwezenlijking van de met de richtlijn nagestreefde doelen in gevaar brengen en daaraan bijgevolg haar nuttige werking ontnemen. Het is aan de nationale rechter om dat na te gaan.

Conclusie

In dit arrest verklaart het Hof dat richtlijn 2003/109 zich er niet tegen verzet dat een verplichting wordt opgelegd om een inburgeringsexamen te behalen. Voorwaarde is wel dat de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven, de verwezenlijking van de met de richtlijn nagestreefde doelen niet in gevaar kan brengen.

8. Decentrale relevantie

Nieuwe wet

Het Hof oordeelt in deze zaak dat Nederland langdurig ingezeten derdelanders mag verplichten een inburgeringsexamen te behalen. De wijze waarop aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven mag echter de verwezenlijking van de doelen van de richtlijn over langdurig ingezetenen niet in gevaar brengen.

Gemeenten zijn per 1 januari 2013, met de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet inburgering niet meer verantwoordelijk voor inburgering. In het kader van het overgangsrecht Wet inburgering zoals dat vanaf 1 januari 2013 geldt, blijft de gemeente wel verantwoordelijk voor de inburgeringsplichtige die voor genoemde datum een door de gemeente aangeboden of vastgestelde inburgeringsvoorziening volgen of zonder voorziening worden gehandhaafd op hun inburgeringsplicht. Voor die groep derdelanders geldt dat zij 3.5 jaar de tijd hebben om het inburgeringsexamen te halen. De gemeente blijft ook verantwoordelijk voor de vrijwillige inburgeraars die een inburgeringsvoorziening aangeboden hebben gekregen.

Voor asielgerechtigden en geestelijk bedienaren die voor 1 januari 2013 hun verblijfsvergunning hebben ontvangen en zich pas na 31 december 2012 in de gemeente vestigen, geldt dat zij nog recht hebben op een door de gemeente aangeboden inburgeringsvoorziening.

Door:

Merit van Veen, Europa decentraal

 9. Meer informatie:

Zaak C-579/13
Persbericht,’ De lidstaten mogen langdurig ingezeten derdelanders verplichten een inburgeringsexamen te behalen’, Europese Hof van Justitie
Nieuwsbericht, ‘EU-Hof onder voorwaarden akkoord met inburgeringsexamen’, Expertisecentrum Europees recht.
Inburgering, gemeenteloket Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Richtlijn 2003/109/EG, Eur lex.
Justitie, vrijheid en veiligheid, Europa decentraal
Integratie en inburgering, Europa decentraal

X