EUrrest
EUrrest

Staatssteunregels boven nationaal recht

december 2015

1.Introductie

Een onherroepelijke uitspraak van een rechter mag opzij gezet worden wanneer de Europese staatssteunregels van toepassing zijn. Wanneer deze uitspraak de toepassing van het ‘stand-still’ principe in artikel 108 VWEU belet, moeten maatregelen getroffen kunnen worden om de uitvoering van het Europese staatssteunrecht wel degelijk mogelijk te maken. Het Europees Hof van Justitie behandelt in deze zaak de doeltreffendheid van het beginsel van gezag van gewijsde.

2.HvJ EU 11 november 2015, Klausner Holz Niedersachsen GmbH tegen Land Nordrhein-Westfalen

Zaak C-505/14

3.Beleidsdossiers en thematiek

Staatssteun
Stand-still principe
Doeltreffendheidsbeginsel

4.Samenvatting feiten

Klausner Holz heeft verscheidene overeenkomsten gesloten met het Staatsbosbeheer van het Land Nordrhein-Westfalen. Deze overeenkomsten bevatten prijsafspraken en afspraken over de levering van een vaste hoeveelheid hout. Het Land zegt in 2009 een van deze overeenkomsten op en staakt de levering van het hout. Echter, zowel het landgericht Münster en het Oberlandesgericht Hamm oordelen dat de overeenkomsten nog steeds van kracht zijn. Op deze uitspraak rust het beginsel van gezag van gewijsde. Oftewel, het is een onherroepelijke uitspraak.

Bij de verwijzende rechter stelt Klausner Holz beroep in en eist schadevergoeding en nalevering van de beloofde hoeveelheid hout. Het Land voert echter, voor de eerste maal, bij deze rechter aan dat het Unierecht zich tegen de uitvoering van de overeenkomsten verzet. De uitvoering van de overeenkomsten vormen staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU, die in strijd met artikel 108, lid 3, derde zin, VWEU, het stand-still principe, ten uitvoer is gebracht.

De Commissie is in 2013 door de Bondsrepubliek Duitsland op de hoogte gesteld van de niet-aangemelde steun (de overeenkomsten). Ook heeft de Commissie meerdere klachten ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft de Commissie een verzoek om verduidelijkingen gezonden, maar nog geen definitief standpunt ingenomen.

Artikel 108 lid 3, derde zin VWEU stelt: ‘ De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbesluit heeft geleid.’ De verwijzende rechter meent dat de steunmaatregelen in strijd met artikel 108, lid 3, derde zin VWEU ten uitvoer is gebracht. Echter, de overeenkomst kan niet ingetrokken worden wegens het gezag van gewijsde van het arrest van het Oberlandesgericht Hamm. Volgens deze rechtbank zijn de overeenkomsten nog steeds van kracht. Naar aanleiding van deze onduidelijkheid stelt het Landgericht Münster een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

5. Rechtsvraag

Het Landgericht Münster stelt aan het Hof van Justitie een vraag over het opzij zetten van een onherroepelijke uitspraak van een nationale rechter. Verlangt het Europees recht, en in het bijzonder artikel 107 en 108 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel, dat wanneer een eerdere rechter een onherroepelijke uitspraak genomen heeft zonder toetsing aan de staatssteunregels, geen rekening gehouden hoeft te worden met deze uitspraak, indien volgens het nationale recht de uitvoering van de overeenkomst niet anderszins kan worden verhinderd.

6.Samenvatting uitspraak

Conforme uitleg
Het Hof herhaalt in dit arrest eerdere rechtspraak over de conforme uitleg van het Unierecht. Het is aan de nationale rechter ‘om het nationale recht zoveel mogelijk aldus uit te leggen dat het kan worden toegepast op een wijze die bijdraagt tot de uitvoering van het Unierecht’. Ook is het aan de nationale rechter al het mogelijke te doen om het EU recht na te streven en tot een oplossing te komen.

Beginsel van gezag van gewijsde

Het hof erkent het belang van het beginsel van gezag van gewijsde. Het stelt dat het van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief geworden zijn, nadat alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of beroepstermijnen zijn verstreken, niet meer opnieuw aan de orde gesteld worden. Dit om de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen, evenals een goede rechtspleging te waarborgen.

Procedurele autonomie

Lidstaten mogen zelf bepalen welke soorten procedures van toepassing zijn en hoe deze worden ingericht. Echter, deze regels mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale rechten gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel). De uitoefening van het Europees recht mag in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt worden (doeltreffendheidsbeginsel).

Doeltreffendheidbeginsel

Het Hof stelt dat er gekeken moet worden naar de plaats van de nationale regel in de gehele procedure en naar het verloop en de bijzonderheden van de procedure voor nationale instanties. De beslissing van de Oberlandesgericht Hamm zou leiden tot de niet-toepassing van het Unierecht. De verwijzende rechter kan de naleving van artikel 108, lid 3, derde zin VWEU niet verzekeren. Staatssteunbepalingen zouden zo omzeild kunnen worden: doormiddel van het verkrijgen van een declarotoir vonnis kan de steun meerdere jaren uitgevoerd worden.

Conclusie:

Het Hof van Justitie stelt dat een nationale regel die het de nationale rechter belet alle consequenties uit de schending van artikel 108, lid 3, derde zin VWEU te trekken wegens een nationale rechterlijke beslissing met gezag van gewijsde, onverenigbaar moet worden geacht met het doeltreffendheidsbeginsel.

8.Decentrale relevantie:

Dit arrest maakt duidelijk dat nationale procedurele regels, zoals het beginsel van gezag van gewijsde, dat ook in Nederland geldt, onder omstandigheden door de staatssteunregels aan de kant geschoven kunnen worden. Dit kan ook van belang zijn voor decentrale overheden. Mocht een onherroepelijk besluit zijn genomen door een rechter, kan er nog steeds beroep gedaan worden op de staatssteunregels.

Door:

Femke Salverda, Europa decentraal

Deelname overheidsdiensten aan openbare aanbestedingen

november 2015

1. Introductie

Aanbestedende diensten moeten ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze behandelen en transparantie betrachten in hun handelen. Maar hoe moet het begrip ‘ondernemer’ in dat kader geïnterpreteerd worden? Het Europese Hof van Justitie heeft zich onlangs onder andere uitgelaten over het begrip ‘ondernemer’ in de zaak van een Spaans gezondheidszorgconsortium. De vraag die in deze zaak centraal stond was of het begrip ‘ondernemer’ (artikel 1 lid 8 richtlijn 2004/18) ook overheidsdiensten omvat en of deze dus mogen deelnemen aan openbare aanbestedingen.

2. HvJ EU, 6 oktober 2015, Consori Sanitari del Maresme tegen Corporació de Salut del Maresme i la Selva

Zaak C-203/14

3. Beleidsdossiers en thematiek

Aanbesteden
Ondernemer

4. Samenvatting feiten

De gezondheidscentra van de Spaanse districten Maresma en Selva (de aanbestedende dienst in dit geval) hebben een overheidsopdracht in de markt gezet voor diensten inzake medische beeldvorming met magnetische resonantie (MRI). Hiervoor heeft het gezondheidszorgconsortium van het district Maresme een offerte ingediend. Op basis van de ingediende documenten heeft de aanbestedende dienst het gezondheidszorgconsortium uitgesloten van deelname aan de aanbestedingsprocedure. Artikel 52 van richtlijn 2004/18 bepaalt namelijk dat lidstaten hetzij officiële lijsten van erkende aannemers, leveranciers of dienstenverleners, hetzij een certificering door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke certificeringsinstellingen kunnen instellen voor deelneming aan overheidsopdrachten. Het is aan de individuele lidstaten om nadere voorwaarden voor inschrijving op die lijsten en afgifte van certificaten op te stellen. Het consortium had het vereiste certificaat niet overlegd.

Het gezondheidsconsortium brengt tegen haar uitsluiting in verweer dat het certificaat  niet van toepassing is op het consortium. Het gezondheidsconsortium heeft wel een verbintenisverklaring overlegd van een handelsonderneming inzake het beschikbaar stellen van externe middelen en een verklaring betreffende zijn hoedanigheid van openbaar lichaam. Het consortium verzoekt vervolgens om toelating tot de aanbestedingsprocedure en om de schorsing van die procedure. Het behandelende Catalaanse gerecht voor overheidsopdrachten stelt het Hof in deze zaak een aantal prejudiciële vragen.

5. Rechtsvraag

1) Allereerst vraagt de Spaanse rechter of overeenkomstig aanbestedingsrichtlijn 2004/18 overheidsdiensten moeten worden beschouwd als openbare lichamen. 2) En zo ja, moeten overheidsdiensten dan worden beschouwd als ondernemers, die bijgevolg kunnen deelnemen aan openbare aanbestedingen? 3) Indien dit het geval is, moeten overheidsdiensten dan worden ingeschreven op de officiële lijsten van erkende aannemers, leveranciers, of dienstverleners of in aanmerking komen voor certificering door publiek- of privaatrechtelijke certificeringsinstellingen – in het Spaanse recht bekend als het bedrijfsclassificatiesysteem.

4) en 5) Vervolgens gaat de Spaanse rechter in op de vragen of de richtlijn 2004/18 juist is omgezet in het Spaanse nationale recht en welke middelen overheidsdiensten hebben om hun geschiktheid voor uitvoering van een overheidsopdracht aan te kunnen tonen, indien zij wel kunnen deelnemen maar niet in aanmerking komen voor de bedrijfsclassificatie.

Op deze laatste twee vragen wordt in deze samenvatting niet nader ingegaan omdat het Hof zich met betrekking tot de vierde vraag niet bevoegd acht en de vijfde vraag niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. Samenvatting uitspraak

Begrip ‘ondernemer’
Allereerst gaat het Hof in op de vraag of het begrip ‘ondernemer’ (artikel 1 lid 8 richtlijn 2004/18) ook overheidsdiensten omvat, en of deze dus mogen deelnemen aan openbare aanbestedingen (rechtsvraag 1 en 2). In dit kader overweegt het Hof dat uit richtlijn 2004/18 volgt dat publiekrechtelijke instellingen mogen inschrijven op overheidsopdrachten (overweging 4 richtlijn 2004/18) en dat elk ‘openbaar lichaam’ de hoedanigheid van ‘ondernemer’ heeft (artikel 1 lid 8 richtlijn 2004/18). Dus de aanbestedingsrichtlijn sluit overheidsdiensten niet uit van deelname aan aanbestedingen. Ook blijkt uit jurisprudentie van het Hof dat iedere persoon of instantie mag inschrijven of zich als gegadigde opgeven, wanneer deze zich in staat acht om de opdracht – in eigen beheer of via onderaanbesteding – uit te voeren, ongeacht zijn privaat- dan wel publiekrechtelijke statuut, en tevens ongeacht de vraag of hij op systematische basis dan wel slechts occasioneel actief is op de markt, en of hij al dan niet met overheidsgeld wordt gesubsidieerd. Lidstaten kunnen dergelijke lichamen niet verbieden om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure. Op grond van deze overwegingen komt het Hof tot de conclusie dat het begrip ‘ondernemer’ ook overheidsdiensten omvat, die mogen deelnemen aan openbare aanbestedingen, wanneer en voor zover deze gerechtigd zijn om tegen vergoeding diensten op een markt aan te bieden.

Officiële nationale lijsten en certificering
Ook gaat het Hof in op de vraag of nationale overheidsdiensten mogen worden ingeschreven op officiële lijsten van erkende ondernemers, leveranciers of dienstverleners of in aanmerking komen voor certificering (artikel 52 van richtlijn 2004/18). In de beantwoording van deze vraag concludeert het Hof dat artikel 52 bepaalde vereisten bevat over de voorwaarden voor de inschrijving en certificering. Echter, dat het niet op een uitputtende manier is bepaald wat de voorwaarden hiervoor zijn en wat de rechten en plichten van openbare lichamen in dat verband zijn. Volgens het Hof zijn nationale regelingen die enerzijds overheidsdiensten (die als ondernemer kwalificeren) het recht ontzeggen op inschrijving of certificering (bedrijfsclassificatie), terwijl anderzijds, het recht om deel te nemen aan een aanbesteding voorbehouden is aan ondernemers die op de officiële lijsten staan of over een certificering beschikken, in strijd is met richtlijn 2004/18.

7. Decentrale relevantie

Dit arrest maakt duidelijk dat overheidsdiensten die werkzaamheden, producten of diensten mogen aanbieden kwalificeren als ‘ondernemer’ in de zin van de aanbestedingsrichtlijn. Aanbestedende diensten mogen dergelijke overheidsdiensten dus niet uitsluiten van deelname aan een aanbesteding.

Verder heeft Nederland vooralsnog geen gebruik gemaakt van de door artikel 52 van richtlijn 2004/18 (artikel 64 van de nieuwe aanbestedingsrichtlijn 2014/24) gegeven mogelijkheid. Dus daar zullen aanbestedende diensten in de praktijk niet snel mee te maken krijgen.

8. Meer informatie

Arrest, Europees Hof van Justitie: zaak C-203/14
Richtlijn 2004/18, Eur-lex
Richtlijn 2014/24, Eur-lex

 

Grondtransacties & Staatssteun

oktober 2015

1.     Introductie

Decentrale overheden die transacties met gronden aangaan, dienen rekening te houden met de Europese staatssteunregels. De hoofdregel is dat dergelijke transacties staatssteun kunnen opleveren als deze niet tot stand komen aan de hand van één van de methodes die zijn beschreven in de Mededeling Grondtransacties van de Europese Commissie (hierna: de Commissie).

Echter, uit de in dit EUrrest besproken zaak volgt dat, in bepaalde gevallen, de methode van de verkoop tegen het beste bod, zoals is omschreven in de Mededeling Grondtransacties, niet geschikt is om de marktwaarde van een perceel vast te stellen. Is dat het geval, dat is het gerechtvaardigd om rekening te houden met andere factoren dan de prijs.

2.     BVVG Bodenverwertungs- und -verwaltungs GmbH, Hof van Justitie, 16 juli 2014

Zaak C‑39/14

3.     Beleidsdossiers en thematiek

Staatssteun
Grondtransacties, ruimtelijke ordening staatssteun, staatssteun

4.     Samenvatting feiten

In Duitsland is de Bodenverwertungs- und -verwaltungs GmbH (hierna: BVVG) belast met het ten uitvoer brengen van de privatisering van voor land- en bosbouw gebruikte percelen. In 2008 dacht het echtpaar Erbs van de BVVG een stuk landbouwgrond te hebben gekocht, door in het kader van een openbare inschrijving het hoogste bod uit te brengen.

Om een dergelijke aankoop definitief te maken, is echter ook goedkeuring verreist van de plaatselijke overheid: de Landkreis Jerichower Land. In dit geval weigerde de Landkreis Jerichower Land, op grond van de Duitse wet op het agrarische grondverkeer, toestemming te geven omdat de overeengekomen prijs in geen verhouding zou staan tot de verkeerswaarde als landbouwgrond van het betrokken perceel. Dit is het geval, zo volgt uit Duitse rechtspraak, wanneer de verkoopprijs 50% hoger is dan de verkeerswaarde van het perceel als landbouwgrond.

De BVVG en het echtpaar Erbs hebben beroep ingesteld  tegen de beslissing van de Landkreis Jerichower Land. Allereerst heeft de appèlrechter vastgesteld dat de door het echtpaar Erbs geboden prijs daadwerkelijk 50 % hoger lag dan de verkeerswaarde van het perceel. Daarnaast gaf de appèlrechter aan dat het toestaan van de verkoop voor deze prijs aan het echtpaar Erbs (niet-professionele landbouwers) ongunstige gevolgen kan hebben voor landbouwbedrijven. Immers, landbouwers die ter uitbreiding van hun bedrijf een perceel nodig hebben, kunnen dit mogelijk niet langer aankopen als de prijzen van nog beschikbare percelen extreem zouden stijgen.

Het beroep bij de appèlrechter leidde uiteindelijk tot een procedure in cassatie bij het Bundesgerichtshof. In dit kader heeft het Bundesgerichtshof een prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie (hierna het Hof).

5.     Rechtsvraag

Met haar vraag aan het Hof wenst het Bundesgerichtshof te vernemen of de nationale rechtsregel, die is ingesteld om de belangen van de agrarische bedrijven te beschermen, staatssteun kan opleveren. Met andere woorden, kan er sprake van staatssteun zijn als het een tot de overheid te rekenen instelling (de BVVG) wordt verboden om een perceel landbouwgrond in het kader van een openbare inschrijving tegen het beste bod te verkopen, wanneer de bevoegde plaatselijke overheid (de Landkreis Jerichower Land)  van mening is dat het hoogste bod in geen verhouding tot de waarde van dat perceel staat?

6.     Samenvatting uitspraak

Allereerst stelt het Hof dat er sprake van staatssteun kan zijn als overheidsgrond voor een lagere prijs dat de marktprijs wordt verkocht. Het Hof verwijst hier naar de Mededeling Grondtransacties van de Europese Commissie. Hierin is vastgelegd dat de aanwezigheid van staatssteun kan worden uitgesloten, indien een verkoop tot stand komt op basis van een open en onvoorwaardelijke biedprocedure. Hierbij moet het hoogste of enige bod gelden of de verkoop plaatsvinden tegen de marktwaarde die door onafhankelijke taxateurs is vastgesteld. Uit het Seydaland arrest volgt echter dat meerdere methodes prijzen kunnen opleveren die overeenkomen met de marktwaarde. Deze methodes moeten wel altijd leiden tot een prijs die zo dicht mogelijk bij de marktwaarde ligt.

Voorbeeld echtpaar Erbs

Met betrekking tot het perceel dat het echtpaar Erbs aangekocht dacht te hebben, blijkt het mogelijk te zijn dat een plaatselijke overheid na een openbare aanbesteding kan weigeren een vergunning te verlenen voor de verkoop tegen het beste bod. Dit is het geval als de overheid van mening is dat de voorgestelde prijs in geen verhouding staat tot de waarde van het perceel (wanneer de verkoopprijs 50% hoger is dan de verkeerswaarde van het perceel). Het is dus mogelijk dat dit ertoe leidt dat het hoogste bod, waarvan kan worden vermoed dat dit met de marktprijs overeenstemt, niet wordt geaccepteerd.

Het bovenstaande kan ertoe leiden dat een derde-koper wordt bevoordeeld aangezien hij het betrokken perceel kan verwerven tegen een lagere prijs dan die in het kader van de aanbestedingsprocedure was geboden. Dit gaat ten koste van de staatsbegroting, aangezien de staat afziet van het verschil tussen de in het kader van de openbare aanbestedingsprocedure geboden prijs en de waarde van het perceel, zoals door de plaatselijke overheid vastgesteld. Het Hof geeft dan ook aan dat het mogelijk is dat in bepaalde gevallen de methode van verkoop tegen het beste bod niet kan resulteren in een prijs die overeenkomt met de marktwaarde van het perceel in kwestie.

Andere factoren dan prijs

Een omstandigheid waarin het hoogste bod niet overeenkomt met de marktwaarde van het perceel is als dit hoogste bod van kennelijk speculatieve aard is en duidelijk hoger blijkt te liggen dan de andere prijzen die in het kader van de aanbestedingsprocedure zijn geboden. In een dergelijk geval is het, volgens het Hof, gerechtvaardigd rekening te houden met andere factoren dan de prijs. Om staatssteun te kunnen uitsluiten in het geval dat op grond van nationale regelgeving het hoogste bod, terzijde wordt geschoven, moet de nationale regelgeving wel resulteren in een prijs die de marktwaarde van het betrokken perceel zo dicht mogelijk nadert.

Onvoldoende informatie

In deze zaak gaf het Hof aan niet over voldoende informatie te beschikken om vast te stellen of de toepassing van de Duitse nationale regel kan leiden tot een prijs die de marktwaarde van het perceel zo dicht mogelijk nadert. Het Hof laat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat in deze kwestie het geval is. De Duitse regering voert in dit kader nog aan dat de nationale regelgeving is bedoeld om ervoor te zorgen dat professionele landbouwers te beschermen en ervoor te zorgen dat zij voor de voor de verwerving van nieuwe percelen geen kosten hoeven te maken die de levensvatbaarheid van hun bedrijf in gevaar kunnen brengen. Hier wordt door het Hof wel nog korte metten mee gemaakt: een dergelijke redenering alleen volstaat niet om een maatregel bij voorbaat als niet zijnde staatssteun aan te kunnen merken. Het is vaste rechtspraak dat er moet worden gekeken naar de gevolgen van een maatregel en niet naar de doelstellingen ervan.

7.     Decentrale relevantie

Decentrale overheden die transacties met gronden aangaan, moeten er, in beginsel, voor zorgen dat deze transacties in overeenstemming verlopen met één van de twee methoden die zijn uiteengezet in de Mededeling Grondtransacties. Er zijn echter ook andere methodes die prijzen opleveren die overeenkomen met de marktwaarde. Indien een andere methode wordt toegepast, zal de betrokken decentrale overheid wel moeten verzekeren dat deze methode resulteert in een prijs die de marktwaarde van het betrokken perceel het dichtst mogelijk nadert. Is dat niet het geval, dan levert de maatregel mogelijk staatssteun op.

Momenteel moeten transacties die niet voldoen aan de Mededeling Grondtransacties, tenzij de de-minimisverordening kan worden toegepast, bij de Commissie worden aangemeld. Van belang is dat de Mededeling Grondtransacties waarschijnlijk zal worden vervangen door de, nu nog ontwerp, Notion of State Aid. Hierin is opgenomen dat overheden die economische transacties aangaan zullen moeten voldoen aan het zogeheten Market Economy Operator beginsel.

Door:

Lukas Ament, Europa decentraal

Meer informatie:

Zaak C‑39/14, BVVG Bodenverwertungs- und -verwaltungs GmbH
Zaak C‑239/09, Seydaland Vereinigte Agrarbetriebe GmbH & Co. KG
Staatssteun, Europa decentraal
Grondtransacties, ruimtelijke ordening staatssteun, staatssteun, Europa decentraal
Mededeling Grondtransacties, Europese Commissie
Ontwerpmededeling over het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU  (Notion of State aid), Europese Commissie

Vingerafdruk ID-kaart niet verplicht

september 2015

1. Introductie:

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verstrekken van paspoorten en identiteitskaarten aan burgers op grond van de Europese Paspoortverordening. In de zaak Willems e.a. weigerde een aantal burgers biometrische gegevens aan de gemeenten aan te leveren. In reactie op prejudiciële vragen van de Raad van State stelde het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: EU Hof) dat, anders dan bij paspoorten, de EU Paspoortverordening lidstaten niet verplicht om biometrische gegevens in identiteitskaarten op te nemen. Het EU Hof deed geen uitspraak over andere privacyaspecten.

De Nederlandse regering was destijds voornemens om biometrische gegevens op te slaan in een centrale database, waar ook veiligheidsdiensten en rechtelijke macht toegang tot zouden krijgen. Dat vormde volgens de burgers een inbreuk op het recht op privacy. Uit het antwoord van het EU Hof blijkt dat zij het niet nodig achtte de zaak verder te bekijken in het licht van andere, Europese regelgeving over privacy. De EU Paspoortverordening gaat alleen over de toepassing op biometrische gegevens in relatie tot reisdocumenten en niet over ander gebruik. Een oordeel over privacyaspecten is volgens het EU Hof aan de nationale rechter zelf en het EU Hof voor de Rechten van de Mens.

2. Willems e.a., HvJEU, 16 april 2015

Gevoegde zaken C-446/12 tot en met C-449/12

3. Beleidsdossier(s) en thematiek.

Informatiemaatschappij: Digitale gegevensbescherming
Justitie, vrijheid en veiligheid: Gegevensbescherming
Vrij verkeer: vrij verkeer van personen

4. Korte samenvatting feiten en rechtsvraag in heldere taal.

Achtergrond
De EU Paspoortverordening (Ver. 2252/2004) stelt normen voor de beveiliging van reisdocumenten en voor de biometrische gegevens die worden verzameld voor gebruik in paspoorten en reisdocumenten. Gemeenten zijn op basis van de EU Paspoortverordening (en de Nederlandse Paspoortwet) verplicht om vingerafdrukken en een gezichtsfoto in een reisdocument op te nemen (artikel 1, lid 2). Zo moet de authenticiteit en de beveiliging van reisdocumenten worden vergroot.

Ten tijde van de zaak Willems e.a. was de Nederlandse Rijksoverheid voornemens om een centrale reisdocumentenadministratie in te voeren via de Paspoortwet, waarin biometrische gegevens moesten worden opgeslagen. Het wetsvoorstel bepaalde bovendien dat deze database onder voorwaarden toegankelijk zou zijn voor de identificatie van slachtoffers van rampen en ongevallen, opsporing en vervolging van strafbare feiten en het verrichten van onderzoek naar handelingen die een bedreiging vormden voor de veiligheid van de staat.

Feiten
In de zaak Willems e.a. weigerden vier burgers vingerafdrukken en een gezichtsfoto aan hun gemeenten af te staan voor opname in paspoorten en identiteitskaarten. Het betreft W.P. Willems uit Nuth, H.J. Kooistra uit Skarsterlân, M. Roest uit Amsterdam en L.J.A. Luijk uit Den Haag. De gemeenten weigerden op hun beurt om de reisdocumenten af te geven.

De burgers stelden echter dat zij opname van biometrische gegevens een grove inbreuk vonden op hun persoonlijke levenssfeer. Deze inbreuk vloeide voort uit het feit dat de gegevens ook zouden worden opgeslagen in registers van de gemeenten, die in de toekomst zouden worden samengevoegd tot het centrale reisdocumentenregister. Volgens de aanklagers namen de veiligheidsrisico’s hierdoor sterk toe. In de Paspoortwet ontbraken volgens aanklagers bovendien duidelijke bepalingen wie er toegang tot de centrale database mocht. Tot slot zouden de biometrische gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor ze waren verzameld, wat niet is toegestaan volgens de EU Paspoortverordening. Gebruik voor andere doelen strookt bovendien niet met de grondrechten van burgers over privacy en het concept van doelbinding.

Nadat de burgers weigerden mee te werken aan het verschaffen van biometrische gegevens, weigerden de gemeentes vervolgens om paspoorten en identiteitskaarten uit te geven. De vier burgers gingen hiertegen in beroep, waarna de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen aan het Hof stelde over het toepassingsgebied van de EU-paspoortverordening.

Rechtsvragen
De Raad van State heeft de volgende kwesties aan het EU Hof voorgelegd:

1. De EU Paspoortverordening is niet van toepassing op ‘identiteitskaarten of op tijdelijke paspoorten en reisdocumenten die een geldigheidsduur van 12 maanden of minder hebben’. De Nederlandse identiteitskaart heeft een geldigheidsduur van vijf jaar en is een geschikt ID voor binnen de Europese Unie. De Raad van State heeft het EU Hof gevraagd of Verordening 2254/2004 nu wel of niet van toepassing is op identiteitskaarten (zoals de Nederlandse Identiteitskaart), ongeacht de geldigheidsduur en de mogelijkheid om deze als reisdocument te gebruiken.

2. Volgens de EU Paspoortverordening mogen de biometrische kenmerken in paspoorten en reisdocumenten alleen worden gebruikt voor het verifiëren van de authenticiteit van het document en de identiteit van de houder (artikel 4, lid 3). Internationale en Europese verdragen en Europese regelgeving bepalen tevens dat persoonsgegevens niet voor andere doelen mogen worden gebruikt dan het doel waarvoor ze zijn verzameld. De Raad van State heeft het EU Hof ook gevraagd of lidstaten volgens de EU Paspoortverordening, gelezen in samenhang met deze regelgeving, verplicht zijn om te waarborgen dat biometrische gegevens, die op grond van de EU Paspoortverordening zijn verzameld, niet voor andere doeleinden worden gebruikt?

5. Samenvatting uitspraak:

Het antwoord van het EU Hof luidde dat er uitdrukkelijk is bepaald dat het toepassingsgebied van de EU Paspoortverordening niet reikt tot nationale identiteitskaarten, ongeacht of deze wel of niet gebruikt kunnen worden voor het reizen binnen de Europese Unie. De regelgeving in de verordening is uitsluitend van toepassing op paspoorten. Burgers zijn dus niet verplicht om hun vingerafdrukken af te geven wanneer zij een identiteitskaart aanvragen.

Daarnaast stelde de Raad van State ook de vraag in hoeverre EU-lidstaten moeten garanderen dat verzamelde en opgeslagen gegevens van reisdocumenten niet voor andere doeleinden gebruikt mogen worden. Het EU Hof achtte het echter niet nodig de zaak verder te bekijken in het licht van EU regelgeving over privacy. In hun uitspraak stelden de Europese rechters dat de vraag van de Raad van State alleen ging over de EU Paspoortverordening; de opslag of het gebruik van deze gegevens voor andere doeleinden valt daarbuiten. De Verordening stelt lidstaten dus niet verplicht om te garanderen dat deze gegevens niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Een oordeel over privacyaspecten op basis van andere Europese regelgeving is volgens het EU Hof aan de nationale rechter zelf en het EU Hof voor de Rechten van de Mens.

6. Uitlichting decentrale relevantie uitspraak:

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verstrekken van paspoorten en identiteitskaarten aan burgers. Voor gemeenten is het dus van belang om jurisprudentie van het EU Hof te volgen, omdat deze uitspraken rechtstreeks gevolgen hebben voor hun praktijk. Volgens Europese (en nationale) regelgeving moeten gemeenten in reisdocumenten biometrische gegevens opnemen, zoals vingerafdrukken en gezichtsscans. Hoewel het EU Hof in de onderhavige zaak niet inging op de privacyaspecten, werd wel bevestigd dat de EU Paspoortverordening niet van toepassing is op identiteitskaarten. In tegenstelling tot een paspoort, zijn burgers bij het aanvragen van een identiteitskaart dus niet verplicht om vingerafdrukken en een gezichtsscan af te staan. In Nederland is het sinds begin 2014 niet meer nodig om vingerafdrukken in een ID-kaart op te nemen.

7. Ontwikkelingen:

Ten tijde van de zaak Willems e.a. was de Nederlandse regering voornemens om via de Nederlandse Paspoortwet een centrale reisdocumentenadministratie in te voeren, waarin biometrische gegevens moesten worden opgeslagen. Hiertegen ontstond veel verzet, naar aanleiding waarvan rechtszaken zijn aangespannen. In februari 2014 oordeelde het Hof van Den Haag dat het opslaan van biometrische gegevens in een centraal register niet strookt met het oorspronkelijke doel waarvoor deze gegevens zijn verzameld en dus onrechtmatig is. De wetswijzigingen zijn niet in werking getreden.

Verplichting behalen inburgeringsexamen voor derdelanders

juni 2015

1. Inleiding

In deze zaak gaat het Hof in op de verplichting voor in Nederland langdurige ingezeten derdelanders om een inburgeringsexamen te behalen. Het Hof oordeelt dat de wijze waarop aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven de verwezenlijking van de doelen van de Europese richtlijn over langdurig ingezetenen niet in gevaar mag brengen.

Met de invoering van de gewijzigde Wet inburgering zijn gemeenten per 1 januari 2013 niet meer verantwoordelijk voor inburgering. Gemeenten zijn nog wel verantwoordelijk voor derdelanders die voor 1 januari 2013 een verblijfsvergunning hebben gekregen. Deze personen moeten binnen 3.5 jaar het inburgeringsexamen hebben behaald.

2. HvJ EU, 4 juni 2015. P en S tegen Commissie Sociale Zekerheid Breda en College van B&W van de gemeente Amstelveen.

Zaak C-579/13

3. Beleidsdossier en thematiek

Justitie, vrijheid en veiligheid
Integratie en inburgering

4. Feiten

P en S zijn derdelanders die sinds respectievelijk 14 november 2008 en 8 juni 2007 in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor langdurige ingezetenen in Nederland. Deze verblijfsvergunning is verleend op basis van de Europese richtlijn 2003/109, over de status van langdurige ingezeten onderdanen van derde landen. Op grond van het Nederlandse recht zijn zij, op straffe van een geldboete, verplicht binnen een daartoe gestelde termijn een inburgeringsexamen te behalen. Wanneer het examen niet binnen de gestelde termijn is behaald, wordt een nieuwe termijn vastgesteld en wordt de geldboete telkens verhoogd.

P en S hebben beroepen ingesteld tegen de besluiten van de Commissie Sociale Zekerheid en het College van B&W van de gemeente Amstelveen waarin gesteld wordt dat zij inburgeringsplichtig waren. De gemeente had vastgesteld dat zij verplicht waren het inburgeringsexamen te behalen. De Centrale Raad van Beroep twijfelt over de verenigbaarheid van de inburgeringsplicht met de richtlijn.

5. Toepasselijke Unierecht

In deze casus gaat het om richtlijn 2003/109/EG, over de status van langdurige ingezeten onderdanen van derde landen. Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van derde landen die legaal op het EU-gebied verblijven. De richtlijn zorgt voor de onderlinge afstemming van de wetgeving van de nationale lidstaten en voor een eerlijke behandeling van langdurige ingezeten van derde landen op het Europese grondgebied. Met langdurig ingezetenen wordt bedoeld een derdelander die 5 jaar onafgebroken, legaal in een EU-lidstaat verblijft.

Richtlijn 2003/109 is inmiddels vervangen door richtlijn 2011/51/EU. Deze heeft richtlijn 2003/109 uitgebreid naar personen die internationale bescherming genieten.

6. Rechtsvraag

De verwijzende rechter vraagt het Hof met name of het de lidstaten vrijstaat om, nadat de status van langdurig ingezetene is toegekend, integratievoorwaarden gekoppeld aan een boetestelsel in de vorm van een inburgeringsexamen te stellen.

7. Hof

Het Hof merkt op dat de door de verwijzende rechter gestelde vragen uitsluitend betrekking hebben op derdelanders die op de datum van inwerkingtreding van de Wet inburgering, te weten op 1 januari 2007, rechtmatig in Nederland verbleven. Bovendien moeten deze derdelanders tussen 1 januari 2007 en 1 januari 2010 de status van ‘langdurig ingezetenen’ hebben aangevraagd.

Het Hof stelt vast dat het behalen van het examen geen voorwaarde is voor het verkrijgen of het behouden van de status van langdurig ingezetene. Het niet behalen van het examen leidt enkel tot het opleggen van een geldboete aan degenen die dat examen hebben behaald binnen de gestelde termijn.

Verder bevat richtlijn 2003/109 geen verplichting of verbod om van derdelanders te vereisen dat zij na de verkrijging van de status van langdurig ingezetene integratieverplichtingen vervullen.

Uitvoering inburgeringsplicht

De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inburgeringsplicht mag de verwezenlijking van de doelen van de richtlijn niet in gevaar brengen. In dit verband is het Hof van oordeel dat met name rekening gehouden dient te worden met het kennisniveau dat vereist is om het inburgeringsexamen te kunnen behalen, met de toegankelijkheid tot de cursus en tot het ter voorbereiding op dat examen benodigde materiaal, met de hoogte van de voor dat examen verschuldigde inschrijvingskosten. Ook dient rekeningen gehouden te worden ook met bijzondere individuele omstandigheden, zoals leeftijd, analfabetisme of opleidingsniveau.

Geldboete

Het Hof stelt dat het maximumbedrag van de geldboete relatief hoog uitvalt, te weten € 1000. Deze geldboete kan telkens wanneer de gestelde termijnen voor het behalen van het inburgeringsexamen zijn verstreken opnieuw worden opgelegd, totdat de betrokken derdelander het examen uiteindelijk wel heeft behaald.

Kosten

Bovendien moeten de betrokken derdelanders de inschrijvingskosten voor deelname en de voorbereiding van het inburgeringsexamen zelf betalen. Deze inschrijvingskosten bedragen € 230 per keer.

In die omstandigheden kan de betaling van een geldboete, bovenop de betaling van de kosten in verband met de examens, de verwezenlijking van de met de richtlijn nagestreefde doelen in gevaar brengen en daaraan bijgevolg haar nuttige werking ontnemen. Het is aan de nationale rechter om dat na te gaan.

Conclusie

In dit arrest verklaart het Hof dat richtlijn 2003/109 zich er niet tegen verzet dat een verplichting wordt opgelegd om een inburgeringsexamen te behalen. Voorwaarde is wel dat de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven, de verwezenlijking van de met de richtlijn nagestreefde doelen niet in gevaar kan brengen.

8. Decentrale relevantie

Nieuwe wet

Het Hof oordeelt in deze zaak dat Nederland langdurig ingezeten derdelanders mag verplichten een inburgeringsexamen te behalen. De wijze waarop aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven mag echter de verwezenlijking van de doelen van de richtlijn over langdurig ingezetenen niet in gevaar brengen.

Gemeenten zijn per 1 januari 2013, met de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet inburgering niet meer verantwoordelijk voor inburgering. In het kader van het overgangsrecht Wet inburgering zoals dat vanaf 1 januari 2013 geldt, blijft de gemeente wel verantwoordelijk voor de inburgeringsplichtige die voor genoemde datum een door de gemeente aangeboden of vastgestelde inburgeringsvoorziening volgen of zonder voorziening worden gehandhaafd op hun inburgeringsplicht. Voor die groep derdelanders geldt dat zij 3.5 jaar de tijd hebben om het inburgeringsexamen te halen. De gemeente blijft ook verantwoordelijk voor de vrijwillige inburgeraars die een inburgeringsvoorziening aangeboden hebben gekregen.

Voor asielgerechtigden en geestelijk bedienaren die voor 1 januari 2013 hun verblijfsvergunning hebben ontvangen en zich pas na 31 december 2012 in de gemeente vestigen, geldt dat zij nog recht hebben op een door de gemeente aangeboden inburgeringsvoorziening.

Door:

Merit van Veen, Europa decentraal

 9. Meer informatie:

Zaak C-579/13
Persbericht,’ De lidstaten mogen langdurig ingezeten derdelanders verplichten een inburgeringsexamen te behalen’, Europese Hof van Justitie
Nieuwsbericht, ‘EU-Hof onder voorwaarden akkoord met inburgeringsexamen’, Expertisecentrum Europees recht.
Inburgering, gemeenteloket Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Richtlijn 2003/109/EG, Eur lex.
Justitie, vrijheid en veiligheid, Europa decentraal
Integratie en inburgering, Europa decentraal

Belangenconflict tussen de gekozen inschrijver en de deskundigen van de aanbestedende dienst

mei 2015

1. Introductie

Aanbestedende diensten zijn verplicht opdrachten te gunnen op basis van objectieve criteria waarbij het discriminatieverbod en de beginselen van transparantie en gelijke behandeling in acht moeten worden genomen. Het Europese Hof van Justitie heeft zich onlangs over onder meer de naleving van deze beginselen gebogen in de zaak eVigilo. De vraag die in deze zaak centraal stond was of een inschrijving onwettig kan worden verklaard omdat de gekozen inschrijver nauwe banden heeft met door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen die de inschrijving hebben beoordeeld.

2. HvJ EU, 12 maart 2015. eVigilo Ltd tegen Priešgaisrinės apsaugos ir gelbėjimo departamentas prie Vidaus reikalų ministerijos

Zaak C-538/13

3. Beleidsdossiers en thematiek

Aanbesteden
Gunningscriteria
Selectiecriteria

4. Samenvatting feiten

In 2010 heeft de Algemene directie Brandweer en reddingsdiensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Litouwen een openbare aanbesteding georganiseerd voor de aankoop van een waarschuwingssysteem aan de bevolking via openbare mobiele telefonie. De inschrijvers zijn aanbieders van openbare telefonie. De aanbestedende dienst (de Algemene directie Brandweer en reddingdiensten) heeft de inschrijvingen laten beoordelen door zes deskundigen, waarna de aanbestedingscommissie van de aanbestedende dienst de resultaten van die beoordeling heeft bevestigd. De aanbestedende dienst heeft de opdracht uiteindelijk aan andere partijen gegund dan de klager in deze zaak, eVigilo. Voor eVigilo (een Israëlische aanbieder) waren er onduidelijkheden in de aanbestedingsvoorwaarden. Volgens eVigilo heeft de aanbestedende dienst zeer abstracte criteria voor de vaststelling van de economisch meest voordelige inschrijving vastgesteld.  Daarnaast vindt eVigilo dat de opdracht niet onpartijdig gegund is aan de winnende partij, de andere partij had namelijk nauwe banden met de deskundigen aangewezen door de aanbestedende partij. Om deze redenen heeft zij dan ook beroep ingesteld tegen het besluit van de aanbestedende dienst. Uiteindelijk heeft de Litouwse cassatierechter een aantal prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof. Deze zullen hieronder besproken worden.

5. Rechtsvraag

1a) en 1b) Allereerst vraagt de Litouwse rechter aan het Hof of het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het transparantiebeginsel (artikel 2, 44 lid 1 en 53 lid 1 onder a van Richtlijn 2004/18) zich ertegen verzetten dat de beoordeling van de door inschrijvers ingediende inschrijving onwettig wordt verklaard op de enkele grond dat de gekozen inschrijver nauwe banden heeft met door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen die de inschrijvingen hebben beoordeeld, zonder onderzoek van andere aspecten van de procedure.

1c) Vervolgens wordt de vraag gesteld of een inschrijver het recht moet hebben om na het verstrijken van de in het nationale recht gestelde termijn tot instellen van beroep, een beroep tegen de wettigheid van de aanbesteding in te stellen. Dit omdat de inschrijver, eVigilo  in dit geval, de aanbestedingsvoorwaarden met betrekking tot de criteria voor de vaststelling van de economisch meest voordelig inschrijving, pas kon begrijpen na beoordeling van de inschrijvingen, toen de aanbestedende dienst volledige informatie over de motivering van zijn besluit verstrekte.

6. Samenvatting uitspraak

Belangenconflict

Het Hof oordeelt dat Richtlijn 2004/18 zich er in beginsel niet tegen verzet dat de beoordeling van de ingediende inschrijvingen onwettig wordt verklaard op de enkele grond dat de uiteindelijk gekozen inschrijver nauwe banden had met de door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen. De aanbestedende dienst moet in ieder geval nagaan of er eventueel sprake is van belangenconflicten en passende maatregelen nemen om dergelijke conflicten te voorkomen, te onderkennen en te beëindigen. Van de afgewezen inschrijver (in dit geval eVigilo) kan namelijk niet worden geëist dat hij concreet aantoont dat de deskundigen partijdig hebben gehandeld.

Het Hof geeft vervolgens aan dat het in beginsel een zaak van nationaal recht is om vast te stellen of en in welke mate de bevoegde administratieve en rechterlijke autoriteiten rekening moeten houden met de omstandigheid dat een eventuele partijdigheid van de deskundigen al dan niet van invloed was op een besluit tot gunning van de opdracht. Het is dus aan de nationale rechter om uiteindelijk te besluiten of de partijdigheid en/of de nauwe banden tussen de winnende partij en de aanbestedende dienst van invloed was op het besluit tot gunning.

In beroep na verstrijken termijn

Het Hof verwijst voor beantwoording van de prejudiciële vraag onder 1c, eerst naar eerdere jurisprudentie, waarin zij heeft aangegeven dat vaststelling van een redelijke beroepstermijn in beginsel voldoet aan het vereiste van doeltreffendheid en rechtszekerheid en ertoe strekt inschrijvers tegen willekeur van de aanbestedende dienst te beschermen. In deze uitspraak nuanceert zij dit door te oordelen dat een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige afgewezen inschrijver in bepaalde gevallen het recht moet hebben om na het verstrijken van de in het nationale recht gestelde termijn een beroep in te stellen  Door deze nuance is er ruimte voor de klager om na het verstrijken van de ingestelde redelijke beroepstermijn, een beroep in te stellen: de klager kon de aanbestedingsvoorwaarden namelijk pas begrijpen nadat de aanbestedende dienst volledige informatie over de motivering van het besluit verstrekte. Let echter wel op de uitspraak van het Hof in Grossman, geïmplementeerd in de rechtsbeschermingsrichtlijn: wanneer de aanbestedingsvoorwaarden onduidelijk zijn, moet de partij tijdig vragen/klagen over de voorwaarden. Wanneer zij dit niet doet, verliest zij het recht om na de beroepstermijn beroep in te stellen.

7. Decentrale relevantie

Tijdens een aanbestedingsprocedure is het de taak van een aanbestedende dienst om na te gaan of er eventueel sprake is van een belangenconflict. Dit arrest maakt duidelijk dat van een afgewezen inschrijver niet kan worden geëist dat hij concreet aantoont dat de door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen inderdaad partijdig ten opzichte van de winnende inschrijver hebben gehandeld. De aanbestedende dienst dient passende maatregelen te nemen om dergelijke conflicten te voorkomen, te onderkennen en te beëindigen. In de nieuwe aanbestedingsrichtlijn 2014/24 is dit inmiddels ook vastgelegd in artikel 24. Verder moeten aanbestedende diensten zich bewust zijn van het feit dat een (redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldig handelende) inschrijver in bijzondere gevallen het recht heeft om na het verstrijken van de beroepstermijn beroep in te stellen.

8. Meer informatie

Arrest, Europees Hof van Justitie: zaak C-538/13
Fiche 6 december 2013, Europa decentraal
Aanbestedingsprocedures, Europa decentraal
Veelgestelde vragen Aanbesteden, hoofdstuk 7, Europa decentraal
Richtlijn 2004/18, Eur-lex
Richtlijn 2014/24, Eur-lex
Blog/ artikel over deze uitspraak: Albert Sánchez Graells, University of Leicester

Het verlenen van een garantie kan onrechtmatige steun opleveren

april 2015

1.     Introductie

Decentrale overheden staan regelmatig garant voor leningen die door ondernemingen zijn aangegaan. Wanneer zij dit doen, dienen zij wel rekening te houden met de Europese staatssteunregels. Dit wordt door het Hof van Justitie (het Hof) nogmaals bevestigd in de zaak OTP Bank Nyrt tegen Hongarije. In deze zaak gaat het Hof onder meer in op de vraag of een door de Hongaarse staat verleende garantie staatssteun kan opleveren.

2.     HVJ EU, 19 maart 2015. OTP Bank Nyrt tegen Magyar Állam(kincstár) (Hongaarse Staat)

Zaak C-672/13

3.     Beleidsdossiers en thematiek

Staatssteun
Garanties
Risico niet-naleving
Europees recht en beleid decentraal

4.     Samenvatting feiten

Lastgevingsovereenkomst

De OTP Bank heeft in 2001 een lastgevingsovereenkomst met de Hongaarse overheid afgesloten. Hierin is bepaald dat de OTP Bank bepaalde taken van de overheid gaat verrichten in ruil voor een vergoeding. Tevens is in deze overeenkomst een bepaling opgenomen die erin voorziet dat de overheid garant staat voor de leningen die onder deze overeenkomst zijn gesloten. In 2008 zijn een aantal wijzigingen in de overeenkomst doorgevoerd met de intentie deze af te stemmen op de Europese wetgeving.

Afstemmen nationaal recht op Unierecht

In 2009 heeft de OTP Bank bij de Hongaarse Staat er herhaaldelijk op aangedrongen om haar verplichtingen uit de lastgevingsovereenkomst na te komen. Deze voerde op haar beurt aan dat de uitvoering van de overeenkomst niet langer mogelijk is omdat de Staat zich als nieuw toegetreden EU lid moet committeren aan de Europese staatssteunregels. De verleende staatsgarantie zou op grond van het Unierecht namelijk verboden staatssteun vormen.

5.     Rechtsvraag

De onderhavige kwestie kwam voor de nationale rechter te liggen die aan het Hof een tweetal prejudiciële vragen heeft voorgelegd:
–       Kan er bij een overheidsgarantie die vóór de toetreding van Hongarije tot de Europese Unie is verleend sprake zijn van staatssteun, en zo ja, is deze mogelijk verenigbaar met de interne markt?
—       Hoe kan op grond van het recht van de EU een mogelijke aantasting van de belangen van de betrokkenen ongedaan worden gemaakt indien de betrokken overheidsgarantie niet verenigbaar is met de interne markt?

6.     Samenvatting uitspraak

In haar antwoord aan de Hongaarse rechter herhaalt het Hof allereest dat een maatregel slechts staatssteun oplevert als aan alle voorwaarden uit het Europees staatssteunverbod, dat is neergelegd in artikel 107, lid 1, VWEU, is voldaan. Dit houdt in dat er pas sprake is van staatssteun indien de maatregel wordt toegekend aan een onderneming die een economische activiteit verricht, de begunstigde een selectief economisch voordeel verschaft, het handelsverkeer binnen de EU ongunstig kan beïnvloeden, en de mededing vervalst of dreigt te vervalsen.

Staatsmiddelen en selectiviteit

Het Hof stelt dat in een staatsgarantie was voorzien bij de lastgevingsovereenkomst die werd gesloten tussen het ministerie van Lokaal Bestuur, de Schatkist, en de OTP Bank. Conform eerdere jurisprudentie van het Hof, is het strikt noodzakelijk om na te gaan wie de begunstigden van de steun zijn. Hierbij komt het Hof tot de conclusie dat deze maatregel uitsluitend aan de sector van kredietinstellingen ten goede komt en de staatsgarantie dus als een selectieve maatregel kan worden beschouwd.

Marktconformiteit en het effect op het handelsverkeer

Om een maatregel als staatssteun aan te kunnen merken, is het voorts voldoende dat deze maatregel de mededinging kan vervalsen en het handelsverkeer kan beïnvloeden. Wat dit geding betreft, wijst het Hof erop dat de begunstigde dankzij de garantie leningen kan aanbieden zonder daarvoor de economische risico’s te dragen. Bijgevolg verleent de staatsgarantie de OTP Bank een voordeel omdat ze zorgt voor een groei van inkomsten en een groei van het klantenbestand door aanvullende dienstverlening. Daarnaast is het Hof van mening dat de positie van de OTP Bank ten opzichte van andere ondernemingen dusdanig wordt versterkt dat het voor ondernemers (in andere lidstaten) moeilijker wordt om de Hongaarse markt te betreden.

Kortom: Op het eerste gezicht lijkt er sprake van staatssteun te zijn onder andere omdat de maatregel uitsluitend ten goede komt aan de kredietinstelling. Het Hof geeft echter aan dat het uiteindelijk de taak van de verwijzende rechter is om na te gaan of de onderliggende garantie, die in 2008 nog is gewijzigd, daadwerkelijk staatssteun oplevert.

Nieuwe of bestaande steunmaatregel?

In artikel 108, lid 3, VWEU is bepaald dat tot de Commissie zich heeft uitgesproken over een voornemen tot steunverlening, de steun niet mag worden verleend. Dit wordt de zogeheten ‘stand still periode’ genoemd. De periode eindigt pas op het moment dat de Commissie een positieve beslissing heeft genomen over het voornemen tot steunverlening. Wordt steun zonder voorafgaande goedkeuring toch verleend, dan is er sprake van onrechtmatige steun. Het bovenstaande geldt echter niet voor zogeheten ‘bestaande steun’ ofwel steunmaatregelen die al in gebruik waren op het moment dat een lidstaat toetreedt tot de EU.

Staatsgarantie in kwestie betreft nieuwe steun

Hongarije heeft tijdens de overgangsprocedure naar het lidmaatschap van de EU de in deze zaak behandelde staatsgarantie niet aangemeld bij de Europese Commissie. Zodoende dient deze maatregel als nieuwe steun te worden beschouwd die moet worden aangemeld en niet tot uitvoering mag worden gebracht alvorens de Commissie haar goedkeuring heeft verleend. Het is wederom de taak van de verwijzende rechter om na te gaan in hoeverre de lidstaat deze verplichting is nagekomen en, zo niet, de garantie onrechtmatig te verklaren.

Gevolgen onrechtmatige steun

Het Hof heeft meermaals geoordeeld dat het de taak is van nationale rechterlijke instanties om alle consequenties uit de schending van artikel 108 VWEU te trekken. Dit houdt normaliter in dat wanneer is vastgesteld dat een steunmaatregel onrechtmatig is, deze moet worden opgeheven om zo de voorheen bestaande situatie te herstellen. Slechts wanneer zich uitzonderlijke situaties voor doen kan van deze uitspraak worden afgeweken. Echter, volgens het Hof is er in deze zaak geen sprake van een dergelijke uitzonderlijke situatie waardoor de nationale rechter, in beginsel, zal moeten overgaan tot het gelasten van terugbetaling van de steun.

Gevolgen voor begunstigden

Ten aanzien van de begunstigden van staatsgaranties stelt het Hof tot slot dat zij slechts een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van steun mogen hebben wanneer de steun conform artikel 108 VWEU is verleend. Dit volgt uit het dwingende karakter van het door de Commissie uitgeoefende staatsteuntoezicht neergelegd in artikel 108 VWEU. Verder is het Hof van mening dat een behoedzaam ondernemer normaliter in staat moet zijn om na te gaan of de procedure (uit art 108) is gevolgd en mag de begunstigde niet zonder meer een gewettigd vertrouwen hebben in de rechtmatigheid van de toekenning van de steun. Het Hof stelt daarom vast dat er geen rechtsmiddelen openstaan voor begunstigden van staatsgaranties.

7.     Decentrale relevantie

Decentrale overheden kunnen organisaties steunen door middel van het verlenen van garanties aan ondernemingen. Hierdoor kan een organisatie projecten realiseren die anders niet, of minder van de grond zouden kunnen komen. Decentrale overheden dienen echter wel goed rekening te houden met de Europese staatssteunregels wanneer zij garanties verstrekken. Indien de Commissie namelijk tot de conclusie komt dat een verleende staatsgarantie ongeoorloofde staatssteun inhoudt, kan dit voor de betrokken partijken bijzonder verlenende gevolgen hebben. Ongeoorloofde staatssteun moet immers, in beginsel, worden teruggevorderd.

Meer informatie:

Algemeen en definities, staatssteun, Europa decentraal
Arrest, Europees Hof van Justitie: Zaak C-672/13
Garanties, Europa decentraal
Mededeling m.b.t. garanties en staatssteun, Europese Commissie
Meldingsprocedure garanties, Europa decentraal
Nieuwsbericht, StateAidHub: A quick look on the latest ruling of the CJEU 20.03.2015
Risico niet-naleving, Europa decentraal

Terugvordering EU-subsidies mogelijk op Europese rechtsgrondslag

maart 2015

1. Introductie

Hebt u als overheid een Europese subsidie toegekend die achteraf onterecht blijkt? Vaak is het dan op basis van nationaal recht niet mogelijk deze terug te vorderen. Het Financieel reglement van de EU kan dan soms wel uitkomst bieden, zo blijkt uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak SOMVAO.

2. HVJ EU, 18 december 2014. Somalische Vereniging Amsterdam en Omgeving tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

Zaak C-599/13

3. Beleidsdossiers en thematiek

Staatssteun
Terugvordering
Europees recht en beleid decentraal
EU subsidies Europaproof

4.Samenvatting feiten

Somvao

SOMVAO (Somalische Vereniging Amsterdam en Omgeving) is een vereniging die zich op de Somalische gemeenschap in de aangegeven regio richt. In augustus 2005 vraagt en krijgt zij subsidie uit het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) voor een project die de bevordering van integratie en participatie van Ethiopiërs en Somaliërs in de Nederlandse samenleving beoogt. Met dit project worden onder meer specifieke programma’s voor de maatschappij en voor arbeidsparticipatie ontwikkeld en aangeboden. Deze programma’s zijn gericht op jongeren, vrouwen en ouderen.

Subsidie

Het eerste jaar ontvangt de vereniging een bedrag van €199.761. Dit bedrag staat gelijk aan een percentage van 45% van de totale kosten. Nadat een accountantskantoor, in opdracht van de Europese Commissie, vaststelt dat voor een groot deel van de kosten (met name personeelskosten) een aanvaardbare onderbouwing ontbreekt, besluit het ministerie van VenJ de subsidie te verlagen en het restant terug te vorderen. Deze tekortkoming heeft ertoe geleid dat een subsidiebedrag van € 188.675,87 ten onrechte is verstrekt.

Terugvordering

Aldus de Nederlandse rechter is het subsidiebesluit genomen op grond van artikel 4 lid 46 in de Algemene wet Bestuursrecht (AwB). Dit betekent dat de subsidieverstrekker slechts limitatief mag overgaan tot intrekken dan wel wijzigen van de subsidie in het nadeel van de ontvanger. Een wijziging van de subsidiebepaling (op basis van nationaal recht) wordt in deze kwestie dus niet mogelijk geacht door de rechter.

5. Rechtsvraag

De Raad van State vraagt zich af of het Unierecht wel een rechtsgrondslag biedt voor een besluit tot vermindering van een toegekende subsidie en tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen bedragen. Uit eerdere arresten van het Hof lijkt te kunnen worden opgemaakt dat een algemene regel tot bescherming van financiële belangen van de Unie geen rechtsgrondslag kan bieden voor een besluit tot vermindering en terugvordering van subsidie. Dit zou alleen gelden voor specifieke regelingen. Het Hof krijgt daarop de volgende twee prejudiciële vragen van de Raad van State voorgelegd.

Allereerst vraagt de Raad van State of de Verordening 2988/95 (over de bescherming van de financiële belangen van de EG) of de verordening 1605/2002 (over het financieel reglement van de EG) een rechtsgrondslag bieden. Het gaat hier om een rechtsgrondslag voor een wijziging in het nadeel van de begunstigde, en terugvordering van een vastgestelde subsidie, verstrekt uit het Europees Vluchtelingenfonds, door de nationale autoriteiten bij de subsidieontvanger.

Daarnaast stelt het Hof de vraag of beschikking 2004/904/EG (over procedures inzake financiële correcties) een rechtsgrondslag biedt in deze situatie?

6. Samenvatting uitspraak

Het Hof is van mening dat in Verordening 2988/95 (in artikel 4), alleen algemene bepalingen inzake controle en sancties zijn opgenomen met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie.

Wat betreft Verordening 1605/2008 (in artikel 53 lid 2) oordeelt het Hof dat de ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke bewoordingen kunnen worden uitgelegd als een verplichting voor lidstaten om financiële correcties toe te passen wanneer zij de begroting onder gedeeld beheer uitvoeren. Wanneer dit artikel anders zou worden gelezen, zou dit tot gevolg hebben dat de verordening elk nuttig effect verliest en de bescherming van de financiële Unie gevaar loopt.

Hieruit volgt volgens het Hof dat bij gebreke van rechtsgrondslag in het nationaal recht deze bepaling een rechtsgrondslag biedt voor een besluit van de nationale autoriteiten tot wijziging, in het nadeel van de ontvanger, van het bedrag van een uit het Europees Vluchtelingenfonds verstrekte subsidie.

Het Hof heeft de tweede vraag niet beantwoord gelet op het antwoord op de eerste vraag.

Kortom: Als het nationale recht niet toelaat dat Europese subsidies worden teruggevorderd, kan het Financieel reglement van de EU een algemene rechtsgrondslag vormen voor terugvordering van subsidies met een EU-component.

7. Nieuwe verordening

In hun berichtgeving voegt het Expertisecentrum Europees Recht toe dat Verordening 1605/2002, waar het Hof zijn uitspraak op heeft gebaseerd, inmiddels is ingetrokken en vervangen door Verordening 966/2012. Het bewuste artikel dat van toepassing is, bestaat als zodanig dus niet meer. In de nieuwe Verordening 966/2012 staat echter wel een soortgelijke terugvorderingsbepaling. In deze bepaling is namelijk ook opgenomen dat lidstaten wordt opgedragen over te gaan tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en in voorkomend geval gerechtelijke procedures te starten.

8. Decentrale relevantie

Decentrale overheden kunnen organisaties steunen door middel van een subsidie uit een Europees Fonds of organisaties faciliteren bij het aanvragen van Europese subsidies. Hierdoor kan een organisatie projecten realiseren die anders niet, of minder van de grond zouden kunnen komen. Wanneer er echter wordt vastgesteld dat de subsidie ten onrechte is verleend is het van belang voor decentrale overheden om te weten op welke wijze terugvordering kan plaatsvinden. Europese regelgeving kan voor decentrale overheden dan mogelijk als rechtsgrondslag dienen wanneer het nationale recht niet volstaat.

Meer informatie

Algemeen en definities, staatssteun, Europa decentraal
Arrest, Europees Hof van Justitie: Zaak C-599/13
Nieuwsbericht, Expertisecentrum Europees Recht: Financieel Reglement van de EU basis voor nationale terugvordering EU subsidies
Onderzoek terugvordering EU subsidies, Universiteit van Leiden
Regionaal beleid en structuurfondsen, Europa decentraal
Terugvordering, staatssteun, Europa decentraal
VNG Directie Europa. Voor meer inhoudelijke informatie en vragen over beschikbaarheid van Europese subsidies voor decentrale overheden.

Reacties en disclaimer:

Van de informatie in dit document mag onbeperkt gebruik worden gemaakt, mits de bron wordt vermeld. Opmerkingen over de inhoud en suggesties voor aanvullingen zijn van harte welkom op info@europadecentraal.nl. Aan dit document is de grootst mogelijke zorg besteed, maar Europa decentraal kan niet instaan voor de juistheid van de informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor mogelijke vervolgschade door het gebruik ervan.

Uitsluiting door beroepsfout onder aanbestedingsdrempel

februari 2015

1. Introductie

Decentrale overheden mogen ook bij een opdracht waarbij de waarde onder de Europese aanbestedingsdrempels een zogenoemde beroepsfout als uitzonderingsgrond toepassen. Wel dient bij de opdracht een grensoverschrijdend belang te zijn. Dit volgt uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2. HvJ EU, 18 december 2014. Generali-Providencia Biztosító Zrt tegen Közbeszerzési Hatóság Közbeszerzési Döntőbizottság

Zaak C-470/13

3. Beleidsdossiers en thematiek

Aanbesteden
Uitsluiting

4. Samenvatting feiten

De nationale belasting- en douanedienst van Hongarije heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd voor verzekeringsdiensten. De waarde van de opdracht ligt onder de Europese drempelwaarde voor diensten. Generali, een verzekeraar, heeft zich ingeschreven op de opdracht. Generali is op grond van een geldende Hongaarse wettelijke bepaling uitgesloten van deelneming aan de aanbestedingsprocedure omdat zij een inbreuk op de nationale mededingingsregels had gemaakt. Generali is hiervoor veroordeelt in een rechterlijke uitspraak, waarvan de beroepstermijn is verlopen. Generali ging in beroep tegen de uitsluiting van de aanbestedingsprocedure. Dit heeft geleid tot prejudiciële vragen van de nationale rechter aan het Hof.

5. Rechtsvraag

De vraag die de nationale rechter stelde aan het Hof was als volgt: ‘Verzetten artikelen 49 en 56 VWEU zich tegen toepassing van een nationale regeling op grond waarvan een ondernemer van een aanbestedingsprocedure wordt uitgesloten wanneer die ondernemer een in een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht heeft gemaakt?’

6. Toepasselijk Unierecht

Het gaat in deze zaak om een uitsluitingsgrond zoals vastgelegd in artikel 45 lid 2 sub c en d van richtlijn 2004/18 (artikel 2.87 Aanbestedingswet). Hierin is vastgelegd dat: ‘van deelneming aan een opdracht kan worden uitgesloten iedere ondernemer:
– Jegens wie een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde volgens de wetgeving van het land is gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels;
– Die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende diensten aannemelijk kunnen maken.’

7. Samenvatting uitspraak

De belangrijkste punten uit de uitspraak staan hieronder samengevat.

Geen onvoorwaardelijke en rechtstreekse toepassing richtlijn 2004/18

Het Hof oordeelt dat richtlijn 2004/18 niet van toepassing is op een opdracht met een drempelwaarde onder de Europese drempels, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende nationale rechter. Het feit dat de Hongaarse implementatie van de richtlijn zowel geldt voor opdrachten boven en onder de Europese drempelwaarde, doet daar volgens het Hof niets aan af. Dit omdat nergens uit blijkt dat de richtlijn op grond van de Hongaarse regelgeving rechtsreeks en onvoorwaardelijk van toepassing is verklaard op opdrachten onder de Europese drempels.

Grensoverschrijdend belang

Het Hof gaat voor verdere beoordeling van de prejudiciële vraag uit van het bestaan van een grensoverschrijdend belang. Het Hof benadrukt daarbij wel de verantwoordelijkheid van de nationale rechter om hier onderzoek naar te doen. Op grond van artikel 49 VWEU (vrijheid van vestiging) en artikel 56 VWEU (vrijheid van diensten) geldt bij een duidelijk grensoverschrijdend belang dat aanbestedende diensten moeten voldoen aan het verbod op discriminatie naar nationaliteit en aan de transparantieverplichting.

on-discriminatie en transparantie

Op grond van artikel 45 lid 2 sub d van richtlijn 2004/18 kan iedere ondernemer worden uitgesloten, ‘die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft bestaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende diensten aannemelijk kunnen maken’.
Het Hof oordeelt dat de Hongaarse uitsluitingsgrond ten aanzien van beroepsfouten niet tot een overtreding van de beginselen van non-discriminatie en transparantie kan leiden.

‘Fout in de uitoefening van zijn beroep’

Tot slot herinnert het Hof eraan dat het begrip ‘fout in de uitoefening van zijn beroep’ als bedoeld in de bepaling van de richtlijn niet alleen ziet op schendingen van de door de beroepsgroep van de betrokken ondernemer geldende gedragsregels in enge zin. Het omvat ook elk onrechtmatig gedrag dat invloed heeft op diens professionele geloofwaardigheid.
Als een dergelijke uitsluitingsgrond mogelijk is op grond van richtlijn 2004/18, dan is die grond volgens het Hof des te meer gerechtvaardigd wanneer het gaat om overheidsopdrachten die onder de desbetreffende drempelwaarde van de richtlijn blijven en daardoor niet zijn onderworpen aan de in de richtlijn vastgestelde bijzondere en rigoureuze procedures.

8. Decentrale relevantie

Decentrale overheden kunnen aan de hand van criteria als economische en financiële draagkracht, technische bekwaamheid en/of vakbekwaamheid vast stellen of een ondernemer mag deelnemen aan een aanbestedingsprocedure. Dit moet een bijdrage leveren aan fraude en corruptiebestrijding. Om dit te kunnen vaststellen zijn er in de Aanbestedingsrichtlijn uitsluitingsgronden opgesteld. Dit arrest maakt duidelijk dat uitsluitingsgronden die zien op beroepsfouten niet-discriminatoir en transparant zijn. Deze zijn ook geoorloofd bij opdrachten onder de Europese drempelwaarden met een duidelijk grensoverschrijdend belang.

9. Meer informatie

Uitsluiting, Europa decentraal
Richtlijn 2004/18, Eur-lex
Veelgestelde vragen Aanbesteden, hoofdstuk 7, Europa decentraal

Februari 2015

1. Introductie

Decentrale overheden mogen ook bij een opdracht waarbij de waarde onder de Europese aanbestedingsdrempels een zogenoemde beroepsfout als uitzonderingsgrond toepassen. Wel dient bij de opdracht een grensoverschrijdend belang te zijn. Dit volgt uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2. HvJ EU, 18 december 2014. Generali-Providencia Biztosító Zrt tegen Közbeszerzési Hatóság Közbeszerzési Döntőbizottság

Zaak C-470/13

3. Beleidsdossiers en thematiek

Aanbesteden
Uitsluiting

4. Samenvatting feiten

De nationale belasting- en douanedienst van Hongarije heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd voor verzekeringsdiensten. De waarde van de opdracht ligt onder de Europese drempelwaarde voor diensten. Generali, een verzekeraar, heeft zich ingeschreven op de opdracht. Generali is op grond van een geldende Hongaarse wettelijke bepaling uitgesloten van deelneming aan de aanbestedingsprocedure omdat zij een inbreuk op de nationale mededingingsregels had gemaakt. Generali is hiervoor veroordeelt in een rechterlijke uitspraak, waarvan de beroepstermijn is verlopen. Generali ging in beroep tegen de uitsluiting van de aanbestedingsprocedure. Dit heeft geleid tot prejudiciële vragen van de nationale rechter aan het Hof.

5. Rechtsvraag

De vraag die de nationale rechter stelde aan het Hof was als volgt: ‘Verzetten artikelen 49 en 56 VWEU zich tegen toepassing van een nationale regeling op grond waarvan een ondernemer van een aanbestedingsprocedure wordt uitgesloten wanneer die ondernemer een in een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht heeft gemaakt?’

6. Toepasselijk Unierecht

Het gaat in deze zaak om een uitsluitingsgrond zoals vastgelegd in artikel 45 lid 2 sub c en d van richtlijn 2004/18 (artikel 2.87 Aanbestedingswet). Hierin is vastgelegd dat: ‘van deelneming aan een opdracht kan worden uitgesloten iedere ondernemer:
– Jegens wie een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde volgens de wetgeving van het land is gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels;-
– Die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende diensten aannemelijk kunnen maken.’

7. Samenvatting uitspraak

De belangrijkste punten uit de uitspraak staan hieronder samengevat.

Geen onvoorwaardelijke en rechtstreekse toepassing richtlijn 2004/18

Het Hof oordeelt dat richtlijn 2004/18 niet van toepassing is op een opdracht met een drempelwaarde onder de Europese drempels, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende nationale rechter. Het feit dat de Hongaarse implementatie van de richtlijn zowel geldt voor opdrachten boven en onder de Europese drempelwaarde, doet daar volgens het Hof niets aan af. Dit omdat nergens uit blijkt dat de richtlijn op grond van de Hongaarse regelgeving rechtsreeks en onvoorwaardelijk van toepassing is verklaard op opdrachten onder de Europese drempels.

Grensoverschrijdend belang

Het Hof gaat voor verdere beoordeling van de prejudiciële vraag uit van het bestaan van een grensoverschrijdend belang. Het Hof benadrukt daarbij wel de verantwoordelijkheid van de nationale rechter om hier onderzoek naar te doen.
Op grond van artikel 49 VWEU (vrijheid van vestiging) en artikel 56 VWEU (vrijheid van diensten) geldt bij een duidelijk grensoverschrijdend belang dat aanbestedende diensten moeten voldoen aan het verbod op discriminatie naar nationaliteit en aan de transparantieverplichting.

Non-discriminatie en transparantie

Op grond van artikel 45 lid 2 sub d van richtlijn 2004/18 kan iedere ondernemer worden uitgesloten, ‘die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft bestaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende diensten aannemelijk kunnen maken’.
Het Hof oordeelt dat de Hongaarse uitsluitingsgrond ten aanzien van beroepsfouten niet tot een overtreding van de beginselen van non-discriminatie en transparantie kan leiden.

‘Fout in de uitoefening van zijn beroep’

Tot slot herinnert het Hof eraan dat het begrip ‘fout in de uitoefening van zijn beroep’ als bedoeld in de bepaling van de richtlijn niet alleen ziet op schendingen van de door de beroepsgroep van de betrokken ondernemer geldende gedragsregels in enge zin. Het omvat ook elk onrechtmatig gedrag dat invloed heeft op diens professionele geloofwaardigheid.
Als een dergelijke uitsluitingsgrond mogelijk is op grond van richtlijn 2004/18, dan is die grond volgens het Hof des te meer gerechtvaardigd wanneer het gaat om overheidsopdrachten die onder de desbetreffende drempelwaarde van de richtlijn blijven en daardoor niet zijn onderworpen aan de in de richtlijn vastgestelde bijzondere en rigoureuze procedures.

8. Decentrale relevantie

Decentrale overheden kunnen aan de hand van criteria als economische en financiële draagkracht, technische bekwaamheid en/of vakbekwaamheid vast stellen of een ondernemer mag deelnemen aan een aanbestedingsprocedure. Dit moet een bijdrage leveren aan fraude en corruptiebestrijding. Om dit te kunnen vaststellen zijn er in de Aanbestedingsrichtlijn uitsluitingsgronden opgesteld. Dit arrest maakt duidelijk dat uitsluitingsgronden die zien op beroepsfouten niet-discriminatoir en transparant zijn. Deze zijn ook geoorloofd bij opdrachten onder de Europese drempelwaarden met een duidelijk grensoverschrijdend belang.

9. Meer informatie

Uitsluiting, Europa decentraal
Richtlijn 2004/18, Eur-lex
Veelgestelde vragen Aanbesteden, hoofdstuk 7, Europa decentraal

 

 

Januari 2015

januari 2015

1. Introductie

Niet enkel subsidies van decentrale overheden aan ondernemingen kunnen staatssteun opleveren. Ook andere vormen van steunmaatregelen kunnen als staatssteun kwalificeren. Zo kan er bijvoorbeeld sprake van staatssteun zijn indien decentrale overheden de economische lasten die ondernemingen normaliter moeten dragen, verlichten. Dit laatste speelde in de zaak Navantia. In deze zaak ging het Hof van Justitie van de EU (het Hof) na of een vrijstelling van de verplichting tot betaling van onroerendezaakbelasting staatssteun kan opleveren.

2. HVJ EU, 9 oktober 2014. Ministerio de Defensa, Navantia SA tegen Concello de Ferrol

Zaak C-522/13

3. Beleidsdossiers en thematiek

Staatssteun
Algemeen en definities

4. Samenvatting feiten

Scheepsbouwbedrijf Navantia
Navantia is een onderneming die in handen is van de Spaanse staat en actief is in de scheepsbouwsector. In 2001 heeft de Spaanse staat een terrein met daarop een scheepswerf ter beschikking gesteld aan Navantia.

Onroerendezaakbelasting
Over deze scheepswerf dient onroerendezaakbelasting te worden betaald worden. Doordat de Spaanse staat eigenaar van deze scheepswerf is, moet zij deze belasting voldoen. Tot 2008 berekende zij deze onroerendezaakbelasting door aan Navantia, waardoor Navantia uiteindelijk de last hiervan droeg.

Verzoek om vrijstelling
Voor de belastingjaren vanaf 2008 hebben Navantia en de Spaanse staat de Concello de Ferrol (de betrokken lokale overheid) verzocht om, op grond van de Spaanse wet, een vrijstelling van de onroerendezaakbelasting te verlenen. Dit verzoek is echter afgewezen vanwege strijd met de Europese staatssteunregels hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de onderhavige zaak.

5. Rechtsvraag

Ten einde de vraag te kunnen beantwoorden of met de vrijstelling van onroerendezaakbelasting die door Navantia en de Spaanse staat is verzocht, staatssteun is gemoeid, heeft de lokale Spaanse rechter een prejudiciële vraag aan het Hof voorgelegd. De vraag die de Spaanse rechter het Hof heeft voorgelegd is of ‘de vrijstelling van onroerendezaakbelasting van een aan de staat toebehorend terrein dat ter beschikking is gesteld van een onderneming die volledig in handen is van de staat en die op dat terrein goederen vervaardigt en diensten levert die tussen de lidstaten kunnen worden verhandeld op markten die openstaan voor concurrentie … staatssteun vormt’.

6. Samenvatting uitspraak

Staatssteun
In zijn antwoord aan de Spaanse rechter herhaalt het Hof allereerst dat een maatregel slechts staatssteun oplevert als aan alle voorwaarden uit het Europees staatssteunverbod dat is neergelegd in artikel 107, lid 1, VWEU is voldaan. Dit houdt in dat er pas sprake is van staatssteun indien de maatregel ten eerste een selectief voordeel oplevert dat met staatsmiddelen is bekostigd, ten tweede het handelsverkeer binnen de EU ongunstig kan beïnvloeden, ten derde de begunstigde een selectief voordeel verschaft, en ten vierde de mededing vervalst of dreigt te vervalsen.

Sprake van een economisch voordeel?
Daarnaast herhaalt het Hof zijn vaste rechtspraak dat ook overheidsmaatregelen die de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken staatssteun kunnen opleveren. Specifiek ten aanzien van Navantia stelt het Hof dat de onroerendezaakbelasting een belasting is die normaliter door Navantia betaald dient te worden. De betwiste vrijstelling van deze belasting leidt tot een verlichting van de lasten die normaal gezien op het budget van Navantia drukken en verleent derhalve een economisch voordeel aan Navantia. Aangezien de lokale Spaanse overheid hiermee belastinginkomsten misloopt, is de maatregel ook duidelijk met staatsmiddelen bekostigd.

Is dit voordeel selectief?
Vervolgens gaat het Hof na of het voordeel dat aan Navantia selectief is. Er kan enkel sprake van staatssteun zijn indien de steunmaatregel in kwestie tot gevolg heeft dat de financiële situatie van Navantia wordt verbeterd vis-à-vis andere ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch gezien vergelijkbare situatie bevinden. Dit houdt in andere woorden in dat algemene maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op alle marktdeelnemers geen staatssteun opleveren.

Navantia is zowel op militair als op civiel gebied operationeel. Daardoor bevinden zich niet alleen ondernemingen die actief zijn op het gebied van de nationale defensie zich in dezelfde juridische situatie als Navantia. Dit geldt ook voor ondernemingen die terreinen bezitten of daarvan gebruiken maken met een louter civiel oogmerk. Het Hof oordeelt dan ook dat Navantia wat haar civiele activiteiten betreft een voordeel geniet waarop andere ondernemingen, die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, geen aanspraak kunnen maken. Bijgevolg concludeert het Hof dan ook dat de steunmaatregel in kwestie selectief is.

Sprake van een ongunstige beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer en een vervalsing van de mededinging?
Ten aanzien van deze voorwaarden herhaalt het Hof zijn vaste jurisprudentie dat enkel dient te worden nagegaan of de steunmaatregel in kwestie het handelsverkeer binnen de EU ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen. Een daadwerkelijke ongunstige beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer en vervalsing van de mededinging hoeft niet te worden aangetoond. In deze zaak oordeelt het Hof dat de scheepsbouwsector een sector is die openstaat voor mededinging en voor interstatelijke handel. Doordat de onderhavige steunmaatregel de concurrentiepositie van Navantia kan verbeteren ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen, kan de verzochte vrijstelling van onroerendezaakbelasting het interstatelijk handelsverkeer ongunstig beïnvloeden en de mededinging verstoren.

Samenvattend
Het Hof concludeert dan ook dat de vrijstelling van onroerendezaakbelasting mogelijk voldoet aan alle voorwaarden uit het Europees staatssteunverbod. Vervolgens laat het Hof het aan de nationale rechter om, met alle gegevens van het bij hem aanhangige geding en de uitleg van het Hof, na te gaan of de belastingvrijstelling daadwerkelijk staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

7. Decentrale relevantie

De uitspraak van het Hof in de Navantia zaak geeft, nogmaals, aan dat indien overheden ondernemingen vrijstellen van bepaalde verplichtingen, zoals in dit geval de onroerendezaakbelasting, er sprake kan zijn van staatssteun. Niet alleen maatregelen als subsidies kunnen staatssteun opleveren. Ook als decentrale overheden overgaan tot het verlichten van de economische lasten die ondernemingen normaliter moet dragen, kan er sprake zijn van staatssteun.

Daarnaast vertoont deze uitspraak enige gelijkenis met het formele onderzoek dat de Europese Commissie in juli van 2014 is gestart in het dossier inzake de vrijstelling van vennootschapsbelastingplicht die Nederlandse overheidsbedrijven genieten. Het voorlopige oordeel van de Europese Commissie in deze zaak is dat het verschil in behandeling van overheidsbedrijven en private bedrijven die een economische activiteit uitoefenen, staatssteun vormt die niet verenigbaar is met de interne markt.

8. Meer informatie

Nieuwsbericht, Europees Hof: vrijstelling van onroerendezaakbelasting is staatssteun, Europa decentraal
Nieuwsbericht, Commissie onderzoekt vrijstelling vennootschapsbelastingplicht Nederlandse overheidsbedrijven, Europa decentraal
Algemeen en definities, staatssteun, Europa decentraal
Zaak SA.25338, Vrijstelling van vennootschapsbelasting voor Nederlandse overheidsbedrijven, Europese Commissie

X