EUrrest
EUrrest

Kosten in verband met vergunningaanvraag

december 2016

1. Introductie 

Overheden mogen de kosten van vergunningsprocedures in rekening brengen bij de aanvrager van een vergunning. Deze kostenvergoeding voor de aanvrager dient echter wel redelijk en evenredig te zijn met de kosten van de vergunningsprocedure. Het Hof van Justitie heeft zich in deze zaak uitgelaten over de vraag of de beheers‑ en handhavingskosten van het vergunningstelsel, als kosten van de vergunningsprocedure mogen worden beschouwd en dus in rekening mag worden gebracht bij de aanvrager.

2. Zaak 

HvJEU 16 november 2016 Timothy Martin Hemming, handelend onder de handelsnaam „Simply Pleasure Ltd”, James Alan Poulton, Harmony Ltd, Gatisle Ltd, handelend onder de handelsnaam „Janus”, Winart Publications Ltd, Darker Enterprises Ltd en Swish Publications Ltd (hierna: „Hemming e.a.”) tegen Westminster City Council (gemeenteraad van Westminster, Verenigd Koninkrijk)

Zaak C‑316/15

3. BELEIDSDOSSIER EN THEMATIEK

Dienstenrichtlijn
Vergunningsstelsels en eisen
Leges

4. SAMENVATTING FEITEN

Hemming e.a. zijn vergunninghouders van diverse seksondernemingen in Westminster. Voor deze vergunning betaalden zij een vergoeding die uit twee delen bestond: (i) dekking van de kosten (niet-terugbetaalbaar) voor de behandeling van de aanvragen voor de verlening of verlenging van een vergunning voor een seksonderneming, en (ii) dekking van de kosten voor het inspecteren van de panden nadat de vergunningen zijn verleend, om de openbare orde nauwlettend te handhaven en degenen die zonder vergunning een seksonderneming exploiteren, op te sporen en te vervolgen. De tweede kostenpost vormde een aanzienlijk groter deel van de vergoeding. Volgens Hemming had de gemeente het tweede deel van de vergoeding (de kosten voor beheer van het vergunningstelsel) niet in rekening mogen brengen. De Engelse rechter stelt Hemming in het gelijk. Hierop volgend wordt hoger beroep ingesteld.

5. RECHTSVRAAG

De rechter in hoger beroep beredeneert vervolgens dat de kosten die niet voor vergoeding in aanmerking komen, gedragen zouden moeten worden door de instantie die belast is met het beheer van het vergunningstelsel. De rechter vraagt zich af hoe te werk moet worden gegaan als deze instantie niet over algemene middelen beschikt. Bovendien twijfelt de rechter of het door de gemeente Westminster toegepaste stelsel verenigbaar is met de dienstenrichtlijn. De Engelse rechter went zich daarom tot het Europese Hof van Justitie met de vraag of de vergoeding die moet worden betaald op het moment van de aanvraag voor de verlening/verlenging van een vergunning, waarvan een deel overeenkomt met de beheers‑ en handhavingskosten van het betrokken vergunningstelsel (ook al wordt dit deel terugbetaald in geval van afwijzing van deze aanvraag) verenigbaar is met artikel 13 lid 2 van richtlijn 2006/123/EG (Dienstenrichtlijn).

6. SAMENVATTING UITSPRAAK

VERGOEDING KOSTEN VAN BEHANDELING AANVRAAG

Het Hof oordeelt dat het feit dat de vergoeding moet worden betaald voordat de aanvraag in behandeling wordt genomen (zowel voor de behandeling van de aanvraag (i) als voor het beheer van het vergunningstelsel (ii)), voor dienstaanbieders een kostenpost is. Het is een kostenpost ongeacht het feit dat dit bedrag in geval van afwijzing van de aanvraag wordt terugbetaald. En een dergelijke kostenpost heeft een ontmoedigend effect op de toegang tot dienstenactiviteiten. Dit is in strijd met artikel 13 lid 2 en overweging 39, 42 en 43 van de dienstenrichtlijn. Vervolgens gaat het Hof in op de vraag of Westminster überhaupt een vergoeding voor het beheer van het vergunningstelsel mag vragen.

VERGOEDING KOSTEN BEHEER VERGUNNINGSTELSEL

Artikel 13 lid 2 van de dienstenrichtlijn bepaalt dat de kosten voor de aanvrager van een vergunning in verband met hun aanvraag redelijk en evenredig moeten zijn met de kosten van de vergunningsprocedures in kwestie. Bovendien mogen de kosten voor de aanvrager de kosten van de procedures niet overschrijden. Om te kunnen beoordelen of het door Westminster toegepaste stelsel in overeenstemming is met artikel 13 lid 2 onderzoekt het Hof of de beheers‑ en handhavingskosten van het vergunningstelsel in zijn geheel als „kosten van de procedures” kunnen worden beschouwd. Het Hof geeft aan dat zij nog niet eerder de gelegenheid heeft gehad om dit begrip in het kader van de dienstenrichtlijn uit te leggen. In een andere context heeft het Hof geoordeeld dat bij de berekening van een vergoeding, naast kosten voor materiaal en salarissen die rechtstreeks verband houden met de verwerking van de vergunningsaanvraag, ook de algemene kosten van de bevoegde administratie die met de verrichting samenhangt mogen worden meegenomen (arrest van 2 december 1997, Fantask e.a., C‑188/95, EU:C:1997:580, punt 30).

Verder heeft het Hof eerder geoordeeld dat de kosten die verband hielden met het algemene toezicht door de betrokken reguleringsautoriteit niet vallen onder administratiekosten. Het ging in dit geval om  een andere Unierechtelijke bepaling waarbij bij de berekening van de administratiekosten rekening mocht worden gehouden met de kosten voor de uitvoering, het beheer en de controle van een regeling voor individuele vergunningen, maar dus niet met de bovengenoemde toezichtskosten (arrest van 19 september 2006, i‑21 Germany en Arcor, C‑392/04 en C‑422/04, EU:C:2006:586, punten 34 en 35).

Volgens het Hof gaat deze overweging ook op voor artikel 13 lid 2 van de dienstenrichtlijn, welke in de eerste plaats enkel betrekking heeft op „kosten van de procedure”, en in de tweede plaats tot doel heeft de toegang tot dienstenactiviteiten te vergemakkelijken. Deze doelstelling wordt niet gediend door het vereiste dat de beheers‑ en handhavingskosten van vergunningstelsel in Westminster vooraf moeten worden betaald (waaronder met name de kosten die verband houden met de opsporing en bestrijding van niet-toegelaten activiteiten). Op basis hiervan komt het Hof tot de conclusie dat een vergoeding als in deze casus, waarvan een deel overeenkomt met de beheers‑ en handhavingskosten van het betrokken vergunningstelsel, in strijd is met artikel 13 lid 2 van de dienstenrichtlijn. Het Hof verwijst de zaak terug naar de verwijzende rechter om over de kosten te beslissen.

7. DECENTRALE RELEVANTIE

Overheden moeten op basis van deze uitspraak rekening houden met de kosten die zij in rekening brengen bij aanvragers van een vergunning voor een dienstenactiviteit. De vergoeding voor de vergunning moet redelijk en evenredig zijn en mogen de kosten van de procedure niet overschrijden. Dit betekent dat kosten die verband houden met de opsporing en bestrijding van niet-toegelaten activiteiten geen onderdeel mogen zijn van de vergoeding voor de vergunning.
Daarnaast mag een kostenpost voor de aanvrager van een vergunning geen ontmoedigend effect hebben op de toegang tot dienstenactiviteiten.

8. MEER INFORMATIE

Zaak C‑316/15
Richtlijn 2006/123/EG (Dienstenrichtlijn)
Dienstenrichtlijn
Vergunningsstelsels en eisen
Leges

X