Ambisig-AICP

Conclusie AG Wathelet, 3 maart 2016. Zaak C-46/15. In deze conclusie van de Advocaat-Generaal (AG) Wathelet geeft de AG het HvJ-EU in overweging de prejudiciële vraag die het Portugese gerecht voorlegde over mogelijke rechtstreekse werking van artikel 48 van richtlijn 2004/18 (over technische bekwaamheid) stelde, als volgt te beantwoorden: ‘Artikel 48, lid 2, onder a, ii, tweede streepje van richtlijn 2004/18 moet aldus worden uitgelegd dat, bij gebreke van omzetting daarvan in nationaal recht, particulieren er rechten aan kunnen ontlenen die zij tegenover de aanbestedende diensten kunnen inroepen in het kader van geschillen die bij de nationale rechter aanhangig zijn, op voorwaarde dat de betrokken aanbestedende dienst voldoet aan het begrip staat in de zin van de rechtspraak van het Hof.’

Portgás

HvJ-EU, 12 december 2013. Zaak C-425/12. In deze zaak gaat het om het inroepen van bepalingen van richtlijn 93/38 over overheidsopdrachten voor nutssectoren door de Portugese overheid tegen een particuliere onderneming die belast is met een dienst van algemeen belang. Overweging 21 en volgende gaan in op de mogelijke rechtstreekse werking van de toenmalige aanbestedingsrichtlijn nutssectoren bepalingen in een zaak waarin de Portugese overheid een concessie had verleend aan Portgás voor openbare dienstverlening op het gebied van gastransport en distributie.

(meer…)

Tögel

HvJ-EG, 24 september 1998. Zaak C-76/97. Overweging 44 en volgende gaan in op de mogelijke rechtstreekse werking van bepalingen aangaande de werkingssfeer van de toenmalige aanbestedingsrichtlijn diensten en 2A en 2B-diensten daarin. Deze zaak gaat over de inroepbaarheid van de Richtlijn Diensten als het gaat om overeenkomsten van onbepaalde tijd.

(meer…)

Fratelli Constanzo

HvJ-EG 22 juni 1989. Zaak 103/88. In deze zaak bepaalde het Hof dat ‘evenals de nationale rechter een overheidsinstantie – een gemeentelijke instantie daaronder begrepen – artikel 29 lid 5 van de toenmalige aanbestedingsrichtlijn voor werken (71/305, betreffende de onderzoeksplicht van een aanbestedende dienst bij een abnormaal lage inschrijving) moet toepassen en bepalingen van nationaal recht die er niet mee verenigbaar zijn, buiten toepassing te laten’.

Beentjes tegen Nederlandse Staat

HvJ-EG, 20 september 1988. Zaak 31/87. Overweging 43 en volgende van richtlijn 71/305 gaan in op het voldoende onvoorwaardelijke en nauwkeurige karakter van de bepalingen betreffende geschiktheid en gunning in de toenmalige aanbestedingsrichtlijn werken, en daarmee de mogelijkheid van rechtstreekse werking van die bepalingen.

(meer…)

Beentjes tegen Nederlandse staat

HvJ-EG, 20 september 1988. Zaak 31/87. Deze zaak gaat over het uitleggen van richtlijn 71/305 betreffende de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken. Daarvoor diende het Hof ook het begrip ‘Staat’ te definiëren zoals bedoeld wordt om te kwalificeren als aanbestedende dienst. Dit moet functioneel worden uitgelegd en een lichaam in het leven geroepen om bij de wet opgedragen taken uit te voeren valt daaronder, ongeacht of het formeel een deel uitmaakt van de overheidsadministratie.

(meer…)

Mannesmann Austria

HvJ-EG, 15 januari 1998. Zaak C-44/96. In deze zaak gaat het om het de uitlegging van de voorwaarden van het begrip ‘publiekrechtelijke instelling’ (art. 1 lid 9c richtlijn 2004/18). Het Hof bepaalde dat een aanbestedende dienst naast wettelijke taken ook commerciële taken kan verrichten. De voorwaarde dat de instelling moet zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang betekent niet dat ze geen andere taken mag hebben.

(meer…)

BFI Holding

HvJ-EG, 10 november 1998. Zaak C-360/96. Het gaat in deze zaak om de invulling van het begrip publiekrechtelijke instelling in de zin van de aanbestedingsrichtlijn. Het Hof stelt dat het ophalen van afval een dienst van algemeen belang is, dat steeds meer particulieren ondernemingen deze taak ook uitvoeren doet hier niet aan af. Het feit dat er concurrentie bestaat leidt er niet toe dat publiekrechtelijke instellingen zich door andere dan economische overwegingen laten leiden en als de uitsluiting van particuliere partijen die kunnen voorzien in eenzelfde behoefte zorgt voor een uitholling van het begrip publiekrechtelijke instelling.

(meer…)

Gemeenten Arnhem en Rheden tegen BFI Holding

Hof Arnhem, 15 februari 2000. Zaak KG 95/403. In deze zaak toetst de Nederlandse rechter de invulling van het begrip aanbestedende dienst in de zin van de Aanbestedingsrichtlijn betreffende ophaaldiensten voor huishoudelijk afval. Het Hof stelt dat de overheid een centrale rol speelt bij de financiering van de feitelijke inzameling. Daarnaast is het ophalen van afval een dienst van algemeen belang, dat steeds meer particulieren ondernemingen deze taak ook uitvoeren doet hier niet aan af.

(meer…)

University of Cambridge

HvJ-EG, 3 oktober 2000. Zaak C-380/98. In deze zaak verduidelijkt het Hof de derde voorwaarde van het begrip publiekrechtelijke instelling (art. 1 lid 9c richtlijn 2004/18) en wat de activiteiten in de hoofdzaak door de staat worden gefinancierd. Er wordt uitgeweid wat openbare financiering behelst, wat onder ‘in hoofdzaak moet worden verstaan en welke gelden daartoe gerekend moeten worden.

(meer…)

Commissie tegen Frankrijk

HvJ EG, 1 februari 2001. Zaak C-237/99. In deze zaak verduidelijkt het Hof de derde voorwaarde van het begrip publiekrechtelijke instelling: ‘toezicht door de overheid’. Er is sprake van toezicht door de overheid indien deze een afhankelijkheid schept die gelijkwaardig is aan één van de andere genoemde voorwaarden in art. 1 lid 9 sub c richtlijn 93/37 (nieuwe richtlijn 2004/18/EG).

(meer…)