EUrrest
EUrrest

Wettelijke verplichting voor elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling is geen staatssteun

september 2017

1. Introductie

Deze zaak gaat over de wettelijke verplichting om elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling (wkk) af te nemen en de kwalificatie van ‘staatsmiddelen’ in de zin van artikel 107 VWEU (het staatstssteunverbod). Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) oordeelt in deze zaak dat de verplichting om elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling af te nemen geen staatsmiddel is. Daarom levert het geen staatstssteun op. Dat deze wettelijke verplichting ook geldt voor bedrijven die volledig in handen zijn van de Staat, maakt dit oordeel niet anders.

2. casus

Arrest Hof van Justitie, (HvJ EU), 13 september 2017, ENEA SA tegen Prezes Urzędu Regulacji Energetyki. Zaak C-329/15

3. beleidsdossier(s) en thematiek

Energie
Staatssteun

4. samenvatting en feiten 

ENEA is een Pools energiebedrijf (privaatrechtelijke vennootschap) dat voor 100% in handen is van de Poolse Staat en elektriciteit produceert, in handel brengt en verkoopt. Op grond van de Poolse energiewet zijn bedrijven die elektriciteit verkopen in Polen verplicht om 15% van de verkochte elektriciteit af te nemen uit warmtekrachtkoppeling. De prijs die de eindgebruikers betalen voor deze elektriciteit wordt door de Poolse dienst voor energieregulatie vastgesteld. Hierdoor kunnen energiebedrijven de kosten die zij maken voor elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling niet afwentelen op de eindgebruikers.

ENEA heeft niet aan haar verplichting voldaan om elektriciteit bestaande uit 15% warmtekrachtkoppeling te verkopen. Zij krijgt een geldboete opgelegd door de Poolse dienst voor energieregulatie. De Poolse verwijzende rechter vraagt zich af of de wettelijke verplichting om elektriciteit afkomstig uit warmtekrachtkoppeling te verkopen onder het staatssteunverbod van 107 VWEU valt. Als gevolg van de wettelijke eis is immers een bevoorradingsverplichting voor energie uit warmtekrachtkoppeling ontstaan. Hierdoor hebben energieproducenten feitelijk een afzetgarantie en kunnen ze hun prijzen op een hoger niveau vaststellen waarmee ze mogelijk een economisch voordeel verkrijgen.

De verwijzende rechter vermeldt daarbij dat deze zaak grote gelijkenissen vertoont met de zaak PreussenElektra (C-379/98), waarin het Hof oordeelde dat een wettelijke verplichting voor particuliere bedrijven om groene stroom af te nemen geen staatssteun vormt. Anders dan in de zaak PreussenElektra, gaat het hier niet alleen om een verplichting voor particuliere bedrijven, maar is ENEA volledig in handen van de Poolse Staat.

5. rechtsvraag

De hoogste Poolse rechter stelt drie prejudiciële vragen. Het Hof beantwoordt in de uitspraak maar één vraag, namelijk: is de afnameverplichting voor zowel particuliere bedrijven als openbare bedrijven om elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling af te nemen een maatregel die staatssteun oplevert.

6. uitspraak hof 

Het Hof stelt allereerst dat voor de kwalificatie van ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, te weten dat (1) het gaat om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd, (2) dat deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, (3) dat de maatregel de begunstigde ervan een selectief voordeel verschaft en (4) dat de maatregel de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen. In deze zaak staat vast dat aan de laatste drie voorwaarden is voldaan. Voor het Hof ligt de vraag of een nationale maatregel waarbij zowel aan particuliere bedrijven als openbare bedrijven de verplichting wordt opgelegd elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling af te nemen, moet worden aangemerkt als een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd.

voordeel

Het Hof onderzoekt of het voordeel direct of indirect met staatsmiddelen is bekostigd en aan de staat is toe te rekenen. Om dit laatste vast te kunnen stellen, bekijkt het Hof of de overheid bij de vaststelling van de maatregel betrokken was. Dit is het geval, omdat de bevoorradingsverplichting voor elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling is opgenomen in de energiewet en dus toerekenbaar is aan de Staat.

staatsmiddelen

Vervolgens bekijkt het Hof of de staatsmiddelen een maatregel zijn van de staat of met staatsmiddelen zijn bekostigd. Volgens het Hof kan een maatregel die bestaat in een verplichting tot afname van elektriciteit onder het begrip ‘steunmaatregel van de staat’ vallen, ook al gaat de maatregel niet gepaard met een overdracht van staatsmiddelen (zie bijvoorbeeld de zaak Association Vent De Colère C-262/12). Artikel 107 VWEU omvat, zo stelt het Hof, alle geldelijke middelen die de overheid kan gebruiken om een onderneming te steunen, ongeacht of die middelen een vast onderdeel uitmaken van de schatkist. Bepalend is dat de gelden onder constante staatscontrole staan en daarmee ter beschikking staan aan de nationale autoriteiten.

In deze zaak was ENEA niet belast met het beheer van staatsmiddelen. Ook kochten sommige bedrijven, waaronder ENEA, de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling in voor een hogere prijs dan die zij in rekening konden brengen bij de eindgebruikers. Aangezien ENEA de meerkosten die werden gemaakt niet afwentelde op de eindverbruikers, zij niet werd gefinancierd door een door de Staat opgelegde verplichte bijdrage en er geen sprake was van een compensatieregeling, moet volgens het Hof worden aangenomen dat ENEA niet door de Staat met het beheer van staatsmiddelen was belast. Er kan aangenomen worden dat ENEA  een op haar rustende afnameverplichting financierde met eigen financiële middelen.

Dat ENEA volledig in handen is van de Poolse Staat maakt dit oordeel van het Hof niet anders. Slechts als de Staat een dominerende invloed heeft op het gebruik van staatsmiddelen en op die wijze de middelen kan sturen om voordelen voor andere ondernemingen te financieren, is sprake van een overdracht van staatsmiddelen. Het feit dat de Staat 100% aandeelhouderschap heeft, is volgens het Hof niet voldoende om te spreken over een dominerende invloed. De afnameverplichting geldt namelijk voor alle energiebedrijven, ongeacht of deze bedrijven in handen zijn van de Staat of particuliere aandeelhouders. Ook blijkt nergens anders uit dat de Staat zeggenschap heeft over de wijze waarop ENEA de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling inkoopt.

Het Hof komt tot de conclusie dat een nationale regel waarbij zowel aan particuliere bedrijven als aan openbare bedrijven de verplichting wordt opgelegd elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling af te nemen, niet kan worden aangemerkt als een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In deze zaak is vormt de wettelijke verplichting om elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling af te nemen, geen  staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU.

7. decentrale relevantie

Decentrale overheden komen in veel situaties in aanraking met de staatssteunregels. Voordat overheidssteun kan worden gekwalificeerd als staatssteun moet eerst aan vijf cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Dit arrest gaat in op voorwaarde of een maatregel met staatsmiddelen moet zijn bekostigd. Het Hof geeft in dit arrest aan wanneer een wettelijke verplichting voor particuliere bedrijven en openbare bedrijven onder deze voorwaarden kan vallen. Ook voor decentrale overheden geldt dat er alleen sprake is van een overdracht van staatsmiddelen wanneer ze een dominerende en sturende invloed hebben op het gebruik hiervan.

DOOR:

Pauline A’Campo, Europa decentraal

Meer informatie:

Duurzaamheid, milieu en klimaat, Europa decentraal
Staatssteun, Europa decentraal
Milieusteun, Europa decentraal
Staassteun voor milieu-innovatie (Growing Power), Europa decentraal

X