Varec tegen Belgische Staat

HvJ-EG, 14 februari 2008. Zaak C-450/06. In deze zaak ging het om een openbare aanbesteding voor de levering van kettingschakels voor tanks. De opdracht werd gegund aan Diehl. De verliezende partij, Varec, wordt uitgesloten op een aantal technische, administratieve en wettelijke gronden. De conclusie is gebaseerd op een aantal plannen en stalen.

Op verzoek van Diehl worden deze plannen en stalen aan haar teruggezonden. Varec betoogt voor de Raad van State dat de offerte va Diehl in werkelijkheid niet aan de gunningscriteria voldoet. Varec stelt dat de plannen en stalen zowel door de rechter als door de eisende partij dienen te worden onderzocht. Diehl verzet zich hiertegen, omdat de plannen en stalen vertrouwelijke informatie en zakengeheimen bevatten.

Prejudiciële vraag

De Raad van State vraagt het Hof of art. 1(1) richtlijn 89/665, art. 15(2) richtlijn 93/36 en art. 6 richtlijn 2004/18 aldus worden uitgelegd dat de beroepsinstantie de vertrouwelijkheid en het recht op eerbiediging van de zakengeheimen in de door de betrokken partijen aan haar overgelegde dossiers moet garanderen? Dit terwijl zijzelf van deze inlichtingen kennis mag nemen en ze in haar beschouwing mag betrekken.

Antwoord Hof

De betreffende artikelen moeten zo worden uitgelegd dat de beroepsinstantie de vertrouwelijk en het recht op eerbiediging van zakengeheimen moet waarborgen. Dit met betrekking tot de informatie die is vervat in door de betrokken partijen, in het bijzonder door de aanbestedende dienst, aan haar overgelegde dossiers, ook al kan zijzelf van deze informatie kennis nemen en deze in haar beschouwing betrekken.

Het is aan deze instantie om te oordelen in welke mate en op welke wijze de vertrouwelijkheid en het geheime karakter van deze informatie wordt gewaarborgd. Er moet rekening gehouden worden met de vereisten van een effectieve rechtsbescherming en van de eerbiediging van het recht van verweer van de procespartijen.

Daarnaast, in het geval van een beroep bij een rechter of bij een instantie die een gerecht is in de zin van art. 234 EG, met het vereiste dat de procedure op alle onderdelen het recht op een eerlijk proces eerbiedigt.

Van Gend en Loos arrest

HvJ-EU, 5 februari 1963. Zaak 26/62: het Van Gend en Loos arrest. Met het Van Gend en Loos arrest introduceerde het Europese Hof van Justitie van de EG het beginsel van de rechtstreekse werking van het Gemeenschapsrecht in de lidstaten. In deze zaak uit 1963 stelde het Hof dat de communautaire rechtsorde een rechtstreekse bron van rechten en plichten vormt voor zowel lidstaten als burgers. De Gemeenschap, zo stelde het Hof, moet namelijk worden gezien als een nieuwe rechtsorde in het internationale recht.

(meer…)

Ambulanz Glöckner

Hof van Justitie, 25 oktober 2001. Zaak C 475/99. In deze zaak voerde Ambulanz Glöckner spoedeisend en niet-spoedeisend ziekenvervoer uit. Voor de uitvoering van het spoedeisende vervoer had de onderneming een DAEB opgelegd gekregen. Dit niet-winstgevende deel werd betaald uit de winst van het niet-spoedeisende vervoer.

Hof

Volgens het Hof van Justitie was deze kruissubsidiëring mogelijk, omdat de twee diensten niet los van elkaar konden worden gezien en hiermee de uitvoering van een Dienst van Algemeen Economisch Belang verzekerd werd.

Vossloh Laeis

HvJ-EU, 27 april 2017, Prejudiciële zaak C-124/17. In deze zaak werd een onderneming uitgesloten van deelname aan een aanbestedingsprocedure omdat de aanbestedende dienst twijfelde aan de betrouwbaarheid van de onderneming vanwege eerdere betrokkenheid bij een kartel. De betreffende onderneming had namelijk niet actief meegewerkt om het tegendeel te bewijzen (zelfreiniging), hetgeen volgens Duits recht wel vereist is. De Duitse rechter vraagt zich vervolgens af of deze regeling waarbij een deelnemer actief moet meewerken met een aanbestedende dienst voor zelfreiniging wel verenigbaar is met artikel 80 richtlijn 2014/25 en artikel 57 lid 6 richtlijn 2014/24.

VAR

HvJ-EU, 28 februari 2017. Prejudiciële zaak C-14/17. In deze zaak werd het Hof verzocht om uitleg te geven of artikel 34 lid 8 richtlijn 2004/17/EG betekent dat reeds bij een inschrijving het bewijs moet worden geleverd dat de te leveren producten gelijkwaardig zijn aan het originele product.

Lloyd’s of London

HvJ EU, 22 mei 2017. Prejudiciële zaak C-144/17. In deze zaak werden twee inschrijvers uitgesloten van een openbare aanbesteding omdat beide inschrijvers bij Lloyd’s of London aangesloten syndicaten waren, waarbij de offertes waren ondertekend door dezelfde algemeen landelijke vertegenwoordiger van de onderneming. De verwijzende rechter vraagt zich af of er sprake is van strijd met de Europese mededingingsregels en de daaruit voortvloeiende beginselen.

Secretaria regional de saude dos acores

HvJ-EU, 17 april 2017. Prejudiciële zaak C-102/17. Het geschil in deze zaak gaat over een geografisch geschiktheidsvereiste voor inschrijvers bij een aanbesteding. De aanbestedende dienst vereiste namelijk van inschrijvers dat zij eerdere ervaring hebben met werkzaamheden in de regio. De nationale rechter wil weten of mogelijk artikel 58 lid 4 richtlijn 2014/24 zich verzet tegen een dit vereiste.

Tirkkonen

HvJ-EU, 6 maart 2017. Prejudiciële zaak C-9/17. Deze zaak gaat over de strekking van het begrip overheidsopdracht. Een aanbestedende dienst had bij een oproep tot inschrijving een ontwerp van het raamcontract gevoegd, dat wordt gesloten tussen de dienst en de inschrijvers indien de inschrijver als opdrachtnemer wordt opgenomen in de raamovereenkomst. Het Hof van Justitie wordt verzocht te beantwoorden of in dit geval wel sprake is van een overheidsopdracht.

Bosman

HvJ-EU, 15 december 1995. Zaak C-415/93. In deze zaak bevestigde het Hof dat het beginsel van vrij verkeer van werknemers (art. 39 EG-Verdag, nu art. 45 VWEU) ook voor beroepsvoetballers binnen de EU geldt. Sport moet worden gezien als een economische activiteit (art. 2 EG-Verdrag, nu art. 3 VEU). Om deze reden is sport onderworpen aan het Gemeenschapsrecht en de beginselen van het vrij verkeer.

Pressetext Nachrichtenagentur tegen Republik Österreich

HvJ-EG, 19 juni 2008. Zaak C-454/06. In deze zaak wordt uiteengezet onder welke voorwaarden wijzigingen van een overeenkomst kunnen worden gekwalificeerd als wezenlijke wijziging en daarmee een nieuwe plaatsing voor een overheidsopdracht moet worden uitgezet. Het Hof diept de criteria voor een wezenlijke wijziging verder uit in deze zaak.

(meer…)

Finn Frogne A/S tegen Rigspolitiet ved Center

HvJ-EU, 7 september 2016. Zaak C-549/14. In deze zaak oordeelde het Hof dat de verandering van een aanbesteedde opdracht wegens een schikking tussen de aanbestedende dienst en een opdrachtnemer kan leiden tot een wezenlijke wijziging. Dit betekent dat de aanbestedende dienst de opdracht in dat geval opnieuw had moeten aanbesteed.

(meer…)