EUrrest
EUrrest

Erkenning homohuwelijk in andere lidstaat op grond van het recht op vrij verkeer en familieleven

juni 2018

Introductie

Een lidstaat mag het vrij verkeer van personen niet belemmeren door het verblijfsrecht van een derdelander (niet zijnde een Unieburger) die getrouwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht, te weigeren.

Zaak

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2018 in zaak C-673/16 (Coman e.a. v. Inspectoratul General pentru Imigrări & Ministerul Afacerilor Interne)

Beleidsdossier en thematiek

Vrij verkeer

Vrij verkeer van personen

Feiten

In juni 2002 hebben Coman (Roemeens en Amerikaans staatsburger) en Hamilton (Amerikaans staatsburger) elkaar ontmoet in New York (Verenigde Staten), waar zij van mei 2005 tot en met mei 2009 hebben samengewoond. In de periode daarna is Coman verhuisd naar Brussel om daar te werken als parlementair assistent bij het Europees Parlement. Hamilton verbleef toen in New York. Op 5 november 2010 zijn zij in Brussel met elkaar in het huwelijk getreden. In december 2012 hebben Coman en Hamilton de Roemeense inspectie immigratie verzocht om inlichtingen over de procedure en de voorwaarden waaronder Hamilton, die geen Unieburger is, het recht kon verkrijgen om als familielid van Coman meer dan drie maanden legaal in Roemenië te verblijven. De inspectie antwoordt hierop dat Hamilton slechts een verblijfsvergunning van drie maanden kan krijgen en dat verlenging van het tijdelijke verblijfsrecht niet wordt toegestaan. De reden hiervoor is dat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht naar burgerlijk recht niet wordt erkend in Roemenië. Op grond hiervan kan het echtpaar geen beroep doen op gezinshereniging. Coman en Hamilton hebben tegen dit besluit van de inspectie beroep ingesteld. Volgens hen is sprake van discriminatie op grond van seksuele geaardheid met betrekking tot de uitoefening van het recht van vrij verkeer in de Unie. Bovendien menen zij dat het feit dat in het buitenland gesloten huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht voor de uitoefening van het verblijfsrecht niet worden erkend, in strijd is met Roemeense grondwettelijke bepalingen over gelijke behandeling en bescherming van het familie‑ en gezinsleven en van de persoonlijke levenssfeer. De Roemeense rechter in eerste aanleg heeft de zaak doorverwezen naar het Roemeense Constitutionele Hof.

Rechtsvraag

Het Roemeense Constitutionele Hof twijfelt over de uitleg van bepaalde begrippen in richtlijn 2004/38 (Burgerschapsrichtlijn) in relatie tot het EU-Handvest van de grondrechten en recente rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM).

Het Constitutionele Hof stelt daarom de volgende prejudiciële vragen:

  1. Is het in strijd met de regels van vrij verkeer als een lidstaat verblijfsrecht weigert aan een derdelander, op grond dat het recht van deze lidstaat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet erkent? Deze derdelander is in een andere lidstaat getrouwd met een Unieburger van hetzelfde geslacht en heeft een gezinsleven opgebouwd.
  2. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, beschikt een derdelander die gehuwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht dan over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft?
  3. Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, kwalificeert de derdelander dan als ‘ander familielid’ of als ‘partner met wie de Unieburger een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft’ in de zin van richtlijn 2004/38? En heeft het gastland daarmee de verplichting om binnenkomst en verblijf van die echtgenoot te vergemakkelijken, ook al erkent het gastland het huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht niet?
  4. Indien het antwoord op de derde vraag bevestigend is, beschikt de derdelander dan over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft.

Uitspraak Hof

Het Hof benadrukt allereerst dat Coman als Roemeens staatsburger de hoedanigheid van Unieburger heeft. En staatsburgers van de lidstaten hebben het recht om zowel in de gastlidstaat als in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, wanneer zij naar deze lidstaat terugkeren, een normaal familieleven te leiden, samen met hun familieleden (op grond van artikel 21 lid 1 VWEU).

Familielid – echtgenoot

Het Hof gaat vervolgens in op de vraag of een derdelander (Hamilton in deze zaak) van hetzelfde geslacht als de burger van de Unie (Coman in deze zaak), die met deze Unieburger is gehuwd in een lidstaat overeenkomstig het recht daarvan, onder het begrip ‘echtgenoot’ valt (in de zin van artikel 2 lid 2 onder a Burgerschapsrichtlijn). Het Hof concludeert dat het begrip „echtgenoot” geslachtsneutraal is en dus ook de echtgenoot van hetzelfde geslacht van de betrokken Unieburger kan omvatten. En op grond van artikel 2 lid 2 onder a Burgerschapsrichtlijn) identificeert een ‘echtgenoot’ als ‘familielid’. Het Hof maakt vervolgens onderscheid tussen het begrip ‘partner’ als zijnde familielid in de zin van de artikel 2 lid 2 onder b Burgerschapsrichtlijn en ‘echtgenoot’ als zijnde familielid in de zin van artikel 2 lid 2 onder a Burgerschapsrichtlijn. Bij het begrip ‘partner’ wordt verwezen naar de voorwaarden van de relevante wetgeving van de lidstaat waarnaar de burger van plan is zich te begeven of waar hij van plan is te verblijven. Een dergelijke verwijzing is niet opgenomen bij het begrip ‘echtgenoot’. Op grond hiervan kan een lidstaat zich dus niet beroepen op zijn nationale recht om zich te verzetten tegen het toekennen van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander, die in een andere lidstaat wettig getrouwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht. Het Hof merkt daarbij op dat de staat van personen, waaronder het huwelijk valt, een bevoegdheid van de lidstaten is. En het staat dus iedere lidstaat vrij om het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in te voeren.

Recht verkeer van personen (artikel 21 VWEU)

De weigering van een lidstaat om het huwelijk te erkennen dat tijdens het daadwerkelijk verblijf in een andere lidstaat rechtsgeldig is gesloten tussen een derdelander en een Unieburger van hetzelfde geslacht (die nationaliteit van de weigerende lidstaat heeft) kan een belemmering vormen voor de uitoefening van het recht van deze burger om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (artikel 21 lid 1 VWEU). Een dergelijke weigering heeft namelijk tot gevolg dat deze Unieburger de mogelijkheid wordt ontnomen om met zijn echtgenoot terug te keren naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit.

Belemmering gerechtvaardigd?

Volgens het Hof kan een belemmering van het vrije verkeer van personen worden gerechtvaardigd als deze belemmering is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig is aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel.
Het Hof concludeert dat het erkennen van een in een andere lidstaat gesloten rechtsgeldig huwelijk geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van iedere lidstaat om in het nationale recht het huwelijk te omschrijven. Een lidstaat is namelijk niet verplicht om het huwelijk tussen personen van het hetzelfde geslacht in zijn wetgeving op te nemen. De lidstaat dient deze huwelijken enkel te erkennen met het doel deze personen in staat te stellen de rechten uit te oefenen die zij aan het Unierecht ontlenen. Deze verplichting tot erkenning druist niet in tegen de nationale identiteit en vormt ook geen bedreiging voor de openbare orde van de lidstaat in kwestie, aldus het Hof.
Bovendien kan een belemmering van het vrij verkeer van personen slechts worden gerechtvaardigd indien deze maatregel in overeenstemming is met de grondrechten uit het Handvest. Met betrekking tot het begrip „echtgenoot” (artikel 2 onder 2 onder a Burgerschapsrichtlijn) is het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie‑ en gezinsleven (artikel 7 Handvest) van fundamenteel belang. Artikel 7 van het Handvest heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als de rechten die zijn gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). En met betrekking tot artikel 8 EVRM heeft het EHRM bepaald dat de relatie van een homoseksueel paar onder de begrippen „privéleven” en „familie‑ en gezinsleven” kan vallen, net zoals de relatie van een paar van verschillend geslacht dat zich in dezelfde situatie bevindt.

Het Hof beantwoordt op de eerste prejudiciële vraag dus bevestigend. Een lidstaat handelt in strijd met de regels van vrij verkeer als zij het verblijfsrecht weigert aan een derdelander die in een andere lidstaat is getrouwd met een Unieburger van het hetzelfde geslacht en een gezinsleven heeft opgebouwd.

Duur verblijfsrecht

Vervolgens gaat het Hof in op de tweede prejudiciële vraag: heeft een derdelander die gehuwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft. Het Hof benadrukt dat een Unieburger die in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft een gezinsleven heeft opgebouwd (zoals bepaald in de Burgerschapsrichtlijn), dit kan voortzetten in zijn eigen lidstaat, met daarbij de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan het betrokken familielid dat derdelander is. De voorwaarden voor toekenning van het afgeleide verblijfsrecht mogen niet strenger zijn dan is vastgelegd in richtlijn 2004/38. Volgens artikel 7 lid 2 Burgerschapsrichtlijn strekt het verblijfsrecht van lid 1 van dit artikel zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de Unieburger begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen (voor zover voldaan wordt aan de voorwaarden van lid 1, onder a), b) of c), van dit artikel).
Op basis hiervan komt het Hof tot de conclusie dat een derdelander van hetzelfde geslacht als de Unieburger, die met hem is gehuwd in een lidstaat overeenkomstig het recht daarvan, beschikt over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft.

Decentrale relevantie

In Nederland zijn gemeenten vaak het directe aanspreekpunt voor migranten. Bij het stellen van regels voor migranten op terreinen van burgerzaken, ruimtelijke ordening of huisvesting worden zij geconfronteerd met het vrije verkeer van personen. Voor een Unieburger is dan in de eerste plaats de Burgerschapsrichtlijn van belang en in dat kader ook de uitleg daarvan in jurisprudentie. Deze uitspraak van het Hof biedt meer duidelijkheid over de situatie waarin een derdelander gehuwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht.

Door:

Madeleine Heitmeijer-Broersen, Europa decentraal

Meer informatie:

Hof van Justitie EU, 5 juni 2018, zaak C-673/16 (Coman e.a. v. Inspectoratul General pentru Imigrări & Ministerul Afacerilor Interne)

Nieuwsbericht: EU-Hof: Verblijfsrecht voor echtgenoot van eigen onderdaan van gelijk geslacht, ECER

Vrij verkeer, Europa decentraal

Vrij verkeer van personen, Europa decentraal

X