EUrrest
EUrrest

Is een vennootschap die bepaalde publieke taken van de gemeente uitvoert btw-plichtig?

december 2018

  1. INTRODUCTIE

Volgens artikel 13 van de Europese BTW-richtlijn (richtlijn 2006/112/EG) zijn publiekrechtelijke lichamen, zoals gemeenten, niet belastingplichtig voor de werkzaamheden die zij als overheid verrichten. Er is echter sprake van een uitzondering wanneer dit tot een verstoring van de mededinging zou leiden. Dit arrest gaat over de vraag of een vennootschap, waarvan een gemeente 100% van de aandelen bezit, belastingplichtig is als het gaat om bepaalde activiteiten die zij uitvoert voor een gemeente.

(meer…)

Wanneer moet een subsidieovereenkomst aanbesteed worden?

november 2018

Op 18 oktober 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat subsidieovereenkomsten kunnen vallen onder het begrip ‘overeenkomst onder bezwarende titel’ indien er sprake is van een afdwingbare prestatie. Er is in dat geval sprake van een aanbestedingsplichtige overheidsopdracht. Het Hof heeft deze uitspraak gedaan naar aanleiding van prejudiciële vragen uit Italië over een subsidieovereenkomst ten behoeve van de levering van medicijnen. Verder heeft het Hof uitgelegd wanneer instanties publiekrechtelijk zijn (en dus niet vallen onder de Richtlijn 2004/18) en daarom aanbestedingsplichtig zijn.

(meer…)

Het ter beschikking stellen van natuurterreinen aan natuurorganisaties en staatssteunregels

oktober 2018

  1. Introductie

De vraag in hoeverre natuurbeheer  onder de staatssteunregels valt, blijft tot op heden een punt van discussie. De vraag is of natuur- en landschapbeheerorganisaties wel als onderneming kwalificeren, omdat zij mogelijk geen economische activiteiten verrichten. Een recente uitspraak van het Gerecht bevestigt dat bij steunverlening aan organisaties die zich inspannen voor het behoud van natuur en landschappen rekening moet worden gehouden met de staatssteunregels

  1. Zaak

Arrest Hof van Justitie, (Gerecht) , 15 oktober 2018, Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters tegen de Europese Commissie ondersteund door Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Zaak T-79/16

  1. Beleidsdossier en thematiek

Staatssteun, natuurbeheer en Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB)

4. Samenvatting en feiten

In december 2008 werd er een staatssteunklacht ingediend bij de Europese Commissie door een aantal partijen die later zijn opgevolgd door de Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters (VGG).  Het betrof een vermeende bevoordeling voor terreinbeherende organisaties (TBO’s) bij de verwerving en het beheer van natuurgronden. Dit gebeurt onder meer door aan deze organisaties subsidies te verstrekken voor de aankoop van grond en door aan hen grond te leveren om niet of onder de marktwaarde.

Op 2 september 2015 nam de Europese Commissie een beslissing (besluit C-2015 5929) op de klacht van de VGG. De Europese Commissie stelde vast dat de TBO’s weliswaar staatssteun hebben ontvangen, maar deze steun werd goedgekeurd omdat deze werd verleend voor Diensten van Algemeen Economisch Belang.

  1. Rechtsvraag

Verzoekers willen dat dit besluit van de Europese Commissie nietig wordt verklaard en dat hun beroep hierop ontvankelijk wordt verklaard. Ze voeren hiervoor vier middelen aan (terug te vinden in punt 35) waaronder onjuiste rechtsopvatting van DAEB regelgeving.  Daartegenover verzoekt de Europese Commissie dat het beroep niet ontvankelijk wordt verklaard en dat het beroep ongegrond wordt verklaard.

Het Gerecht van de Europese Unie gaat hier verder op in en gaat voorts ook na in hoeverre de Commissie de DAEB regelgeving juist heeft geïnterpreteerd.

  1. Uitspraak

Het Gerecht toetst aan de vier middelen die zijn opgevoerd door de verzoekers. Interessant is hoe het Gerecht aankijkt tegen het besluit van de Europese Commissie dit onder DAEB regelgeving toe te staan.

Aldus het Gerecht kon de Commissie destijds niet concluderen dat de economische activiteiten van de TBO’s alleen een algemeen belang dienen. Immers kunnen deze activiteiten mogelijk ook door andere commerciële partijen worden uitgevoerd. Een bekend voorbeeld wat vaak terugkomt is de verkoop van hout en het ontvangen van inkomsten uit toerisme/horeca activiteiten.

Het Gerecht heeft tevens gekeken naar andere vergelijkbare steunregelingen waar de Europese Commissie zich over heeft uitgesproken en die hebben geresulteerd in een zaak. Zo is er bij een Duitse steunregeling (Duitsland/Commissie T-347/09) gekeken naar de verbondenheid van deze activiteiten met de publieke taak. Echter hier is sprake van een andersoortig compensatiemechanisme.

Het Gerecht stelt derhalve vast dat het besluit van de Commissie niet inging op de vraag hoe overcompensatie zou moeten worden voorkomen en een onderzoek achteraf. Dit alles resulteert erin dat de Europese Commissie een formeel onderzoek moet starten naar de staatssteun aan de natuurorganisaties, omdat er twijfels zijn of deze staatssteun wel goedgekeurd kan worden

  1. Conclusie

De uitspraak van het Gerecht heeft tot gevolg dat ten aanzien van sommige activiteiten NBO’s dus als ondernemingen kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat het Europees staatssteunverbod ook van toepassing kan zijn op steun verleend door decentrale overheden aan zulke organisaties.

Door:

Paul Zondag

Is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) verenigbaar met de Habitatrichtlijn? A-G Kokott uit twijfels in conclusie

september 2018

Introductie 

In mei 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling vroeg het Hof of het PAS in overeenstemming is met de Europese Habitatrichtlijn. In dit EUrrest wordt de conclusie – een soort vooradvies aan het Europese Hof van Justitie – van de Advocaat-Generaal (A-G) in deze zaak besproken.

De provincies Limburg, Gelderland en Noord-Brabant hebben als partijen aan de mondelinge behandeling van deze zaak deelgenomen. Voor provincies is deze zaak van belang omdat zij in de meeste gevallen verantwoordelijk zijn voor vergunningverlening in het kader van het PAS. Ook zijn de provincies verantwoordelijk voor het beheer van de meeste Natura 2000-gebieden in Nederland.

Zaak

Conclusie in de gevoegde zaken C-293/17 en C-294/17, Coöperatie Mobilisation for the Environment en Vereniging Leefmilieu

Beleidsdossier en thematiek

Duurzaamheid, milieu en klimaat

Samenvatting en feiten

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

In een groot gedeelte van de Nederlandse Natura 2000-gebieden is sprake van overbelasting van stikstofneerslag. De belangrijkste bron van stikstof is de landbouw, maar ook het verkeer, scheepvaart en industrie dragen bij aan de stikstofuitstoot. In Nederland wordt de stikstofneerslag van projecten en plannen in het kader van de Habitatrichtlijn (Natura 2000) niet individueel beoordeeld, maar op basis van een algemeen programma: het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021.

Het PAS betreft een toestemmingskader voor activiteiten die stikstofneerslag veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Het doel van het PAS is tweeledig: ten eerste biedt het PAS ruimte om (herstel)maatregelen te nemen om de gevolgen van stikstofneerslag af te laten nemen in Natura 2000- gebieden en ten tweede maakt het PAS het mogelijk om bestaande en nieuwe economische ontwikkelingen te laten plaatsvinden (ontwikkelingsruimte). Het PAS wordt gezien als een compromis tussen de belangen van natuurbescherming en de belangen van de maatschappij en economie.

Omdat stikstof tot op grote afstand van de bron neerslaat en Natura 2000-gebieden door heel Nederland verspreid liggen, is het PAS op een groot aantal vergunningsaanvragen van toepassing. Denk bijvoorbeeld aan natuurvergunningen, omgevingsvergunningen, bestemmingsplannen, woningbouwprojecten en de aanleg van wegen. De provincies zijn in de meeste gevallen verantwoordelijk voor vergunningverlening in het kader van het PAS.

Prejudiciële vragen Afdeling bestuursrechtspraak

In een groot aantal procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak is aangevoerd dat het PAS in strijd is met de Europese Habitatrichtlijn. De prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak zijn gesteld in twee specifieke zaken: een zaak over veehouderijen waarvoor PAS-vergunningen zijn verleend en een zaak over het weiden van vee en het bemesten van gronden, waarvoor geen PAS-vergunning nodig is.

Rechtsvraag

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt het Hof van Justitie twee vragen:

1) Mag het PAS worden gebruikt voor het verlenen van natuurvergunningen in het licht van de Habitatrichtlijn?

2) Mogen bepaalde activiteiten, zoals het bemesten van grond en het weiden van vee, worden toegestaan zonder vergunning?

Conclusie Advocaat-Generaal

Volgens A-G Kokott is het PAS een veelbelovend instrument, maar bestaan er nog teveel twijfels over de verenigbaarheid van het PAS met de Europese Habitatrichtlijn. A-G Kokott geeft aan dat het gebruik van een programmatisch totaalplan zoals het PAS moet worden toegejuicht, maar geeft in haar conclusie aan dat in de praktische uitwerking nog verbeteringen nodig zijn. Met name twijfelt de A-G of met het PAS wordt voldaan aan de eisen van artikel 6 lid 2 en 3 van de Habitatrichtlijn.

Artikel 6 lid 2 en 3 van de Habitatrichtlijn stelt hoge eisen aan een passende beoordeling van plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De Habitatrichtlijn vereist dat deze beoordeling volledige, precieze en definitieve constateringen bevat, die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de stikstofneerslag uitsluiten. De beoordeling moet met name worden uitgevoerd tegen de achtergrond van de specifieke milieukenmerken van het betreffende gebied. Dit komt erop neer dat voor elk project afzonderlijk moet kunnen worden gewaarborgd dat de (totale) toegestane hoeveelheid stikstof op de lange termijn geen bedreiging vormt.

Daarnaast stelt de A-G dat maatregelen ter vermindering van stikstofneerslag uit andere bronnen, herstelmaatregelen ter versterking van stikstofgevoelige habitattypen en de autonome daling van stikstofemissies alleen in aanmerking mogen worden genomen bij het toestaan van extra stikstofneerslag in een Natura 2000-gebied, indien op het tijdstip van het besluit al definitief vaststaat dat de totale stikstofneerslag onder de grenswaarde blijft. Loutere prognoses over de verwachte daling van stikstofemissies mogen bij verlening van toestemming voor extra stikstofneerslag niet in aanmerking worden genomen. De A-G stelt daarmee dat hoewel de Habitatrichtlijn een individuele beoordeling van plannen en projecten beoogt, de richtlijn zich niet verzet tegen een programmatische aanpak indien aan de vereisten van artikel 6 lid 2 en 3 wordt voldaan.

De A-G concludeert tevens dat het achterwege laten van een vergunningsprocedure alleen verenigbaar is met artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn wanneer vaststaat dat voor de betrokken activiteiten geen beoordeling nodig is. Een beoordeling kan enkel achterwege worden gelaten indien op basis van objectieve gegevens vaststaat dat een plan of project geen significante gevolgen heeft. De A-G acht het aannemelijk dat de (grens- en drempel)waarden voor de projecten die door het PAS worden uitgezonderd van de vergunningsplicht voldoende wetenschappelijk zijn gefundeerd. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of voor de drempel- en grenswaarden in het PAS inderdaad met voldoende zekerheid kan worden aangetoond dat de nadelige gevolgen niet significant zijn. Daarbij merkt de A-G op dat het bemesten van grond en het weiden van vee niet van de vergunningsplicht kan worden uitgesloten met het argument dat gemiddeld genomen geen stijging van de stikstofneerslag wordt verwacht.

Decentrale relevantie

De beantwoording van de prejudiciële vragen is van belang voor veel ontwikkelingen in Nederland. Momenteel zijn 200 zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak aangehouden in afwachting van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie. De zaken gaan over bestemmingsplannen, handhavingsbesluiten en omgevingsbesluiten voor (onder andere) woningbouwlocaties, veehouderijen, de uitbreiding van industriële activiteiten en de aanleg van wegen. De uitspraak van het Hof van Justitie kan daarmee grote gevolgen hebben voor de economie en de Natura 2000-gebieden in Nederland. De uitspraak van het Hof wordt dit najaar verwacht. 

Door:

Pauline A’Campo, Europa decentraal

Erkenning homohuwelijk in andere lidstaat op grond van het recht op vrij verkeer en familieleven

juni 2018

Introductie

Een lidstaat mag het vrij verkeer van personen niet belemmeren door het verblijfsrecht van een derdelander (niet zijnde een Unieburger) die getrouwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht, te weigeren.

Zaak

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2018 in zaak C-673/16 (Coman e.a. v. Inspectoratul General pentru Imigrări & Ministerul Afacerilor Interne)

Beleidsdossier en thematiek

Vrij verkeer

Vrij verkeer van personen

Feiten

In juni 2002 hebben Coman (Roemeens en Amerikaans staatsburger) en Hamilton (Amerikaans staatsburger) elkaar ontmoet in New York (Verenigde Staten), waar zij van mei 2005 tot en met mei 2009 hebben samengewoond. In de periode daarna is Coman verhuisd naar Brussel om daar te werken als parlementair assistent bij het Europees Parlement. Hamilton verbleef toen in New York. Op 5 november 2010 zijn zij in Brussel met elkaar in het huwelijk getreden. In december 2012 hebben Coman en Hamilton de Roemeense inspectie immigratie verzocht om inlichtingen over de procedure en de voorwaarden waaronder Hamilton, die geen Unieburger is, het recht kon verkrijgen om als familielid van Coman meer dan drie maanden legaal in Roemenië te verblijven. De inspectie antwoordt hierop dat Hamilton slechts een verblijfsvergunning van drie maanden kan krijgen en dat verlenging van het tijdelijke verblijfsrecht niet wordt toegestaan. De reden hiervoor is dat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht naar burgerlijk recht niet wordt erkend in Roemenië. Op grond hiervan kan het echtpaar geen beroep doen op gezinshereniging. Coman en Hamilton hebben tegen dit besluit van de inspectie beroep ingesteld. Volgens hen is sprake van discriminatie op grond van seksuele geaardheid met betrekking tot de uitoefening van het recht van vrij verkeer in de Unie. Bovendien menen zij dat het feit dat in het buitenland gesloten huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht voor de uitoefening van het verblijfsrecht niet worden erkend, in strijd is met Roemeense grondwettelijke bepalingen over gelijke behandeling en bescherming van het familie‑ en gezinsleven en van de persoonlijke levenssfeer. De Roemeense rechter in eerste aanleg heeft de zaak doorverwezen naar het Roemeense Constitutionele Hof.

Rechtsvraag

Het Roemeense Constitutionele Hof twijfelt over de uitleg van bepaalde begrippen in richtlijn 2004/38 (Burgerschapsrichtlijn) in relatie tot het EU-Handvest van de grondrechten en recente rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM).

Het Constitutionele Hof stelt daarom de volgende prejudiciële vragen:

  1. Is het in strijd met de regels van vrij verkeer als een lidstaat verblijfsrecht weigert aan een derdelander, op grond dat het recht van deze lidstaat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet erkent? Deze derdelander is in een andere lidstaat getrouwd met een Unieburger van hetzelfde geslacht en heeft een gezinsleven opgebouwd.
  2. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, beschikt een derdelander die gehuwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht dan over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft?
  3. Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, kwalificeert de derdelander dan als ‘ander familielid’ of als ‘partner met wie de Unieburger een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft’ in de zin van richtlijn 2004/38? En heeft het gastland daarmee de verplichting om binnenkomst en verblijf van die echtgenoot te vergemakkelijken, ook al erkent het gastland het huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht niet?
  4. Indien het antwoord op de derde vraag bevestigend is, beschikt de derdelander dan over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft.

Uitspraak Hof

Het Hof benadrukt allereerst dat Coman als Roemeens staatsburger de hoedanigheid van Unieburger heeft. En staatsburgers van de lidstaten hebben het recht om zowel in de gastlidstaat als in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, wanneer zij naar deze lidstaat terugkeren, een normaal familieleven te leiden, samen met hun familieleden (op grond van artikel 21 lid 1 VWEU).

Familielid – echtgenoot

Het Hof gaat vervolgens in op de vraag of een derdelander (Hamilton in deze zaak) van hetzelfde geslacht als de burger van de Unie (Coman in deze zaak), die met deze Unieburger is gehuwd in een lidstaat overeenkomstig het recht daarvan, onder het begrip ‘echtgenoot’ valt (in de zin van artikel 2 lid 2 onder a Burgerschapsrichtlijn). Het Hof concludeert dat het begrip „echtgenoot” geslachtsneutraal is en dus ook de echtgenoot van hetzelfde geslacht van de betrokken Unieburger kan omvatten. En op grond van artikel 2 lid 2 onder a Burgerschapsrichtlijn) identificeert een ‘echtgenoot’ als ‘familielid’. Het Hof maakt vervolgens onderscheid tussen het begrip ‘partner’ als zijnde familielid in de zin van de artikel 2 lid 2 onder b Burgerschapsrichtlijn en ‘echtgenoot’ als zijnde familielid in de zin van artikel 2 lid 2 onder a Burgerschapsrichtlijn. Bij het begrip ‘partner’ wordt verwezen naar de voorwaarden van de relevante wetgeving van de lidstaat waarnaar de burger van plan is zich te begeven of waar hij van plan is te verblijven. Een dergelijke verwijzing is niet opgenomen bij het begrip ‘echtgenoot’. Op grond hiervan kan een lidstaat zich dus niet beroepen op zijn nationale recht om zich te verzetten tegen het toekennen van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander, die in een andere lidstaat wettig getrouwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht. Het Hof merkt daarbij op dat de staat van personen, waaronder het huwelijk valt, een bevoegdheid van de lidstaten is. En het staat dus iedere lidstaat vrij om het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in te voeren.

Recht verkeer van personen (artikel 21 VWEU)

De weigering van een lidstaat om het huwelijk te erkennen dat tijdens het daadwerkelijk verblijf in een andere lidstaat rechtsgeldig is gesloten tussen een derdelander en een Unieburger van hetzelfde geslacht (die nationaliteit van de weigerende lidstaat heeft) kan een belemmering vormen voor de uitoefening van het recht van deze burger om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (artikel 21 lid 1 VWEU). Een dergelijke weigering heeft namelijk tot gevolg dat deze Unieburger de mogelijkheid wordt ontnomen om met zijn echtgenoot terug te keren naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit.

Belemmering gerechtvaardigd?

Volgens het Hof kan een belemmering van het vrije verkeer van personen worden gerechtvaardigd als deze belemmering is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig is aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel.
Het Hof concludeert dat het erkennen van een in een andere lidstaat gesloten rechtsgeldig huwelijk geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van iedere lidstaat om in het nationale recht het huwelijk te omschrijven. Een lidstaat is namelijk niet verplicht om het huwelijk tussen personen van het hetzelfde geslacht in zijn wetgeving op te nemen. De lidstaat dient deze huwelijken enkel te erkennen met het doel deze personen in staat te stellen de rechten uit te oefenen die zij aan het Unierecht ontlenen. Deze verplichting tot erkenning druist niet in tegen de nationale identiteit en vormt ook geen bedreiging voor de openbare orde van de lidstaat in kwestie, aldus het Hof.
Bovendien kan een belemmering van het vrij verkeer van personen slechts worden gerechtvaardigd indien deze maatregel in overeenstemming is met de grondrechten uit het Handvest. Met betrekking tot het begrip „echtgenoot” (artikel 2 onder 2 onder a Burgerschapsrichtlijn) is het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie‑ en gezinsleven (artikel 7 Handvest) van fundamenteel belang. Artikel 7 van het Handvest heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als de rechten die zijn gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). En met betrekking tot artikel 8 EVRM heeft het EHRM bepaald dat de relatie van een homoseksueel paar onder de begrippen „privéleven” en „familie‑ en gezinsleven” kan vallen, net zoals de relatie van een paar van verschillend geslacht dat zich in dezelfde situatie bevindt.

Het Hof beantwoordt op de eerste prejudiciële vraag dus bevestigend. Een lidstaat handelt in strijd met de regels van vrij verkeer als zij het verblijfsrecht weigert aan een derdelander die in een andere lidstaat is getrouwd met een Unieburger van het hetzelfde geslacht en een gezinsleven heeft opgebouwd.

Duur verblijfsrecht

Vervolgens gaat het Hof in op de tweede prejudiciële vraag: heeft een derdelander die gehuwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft. Het Hof benadrukt dat een Unieburger die in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft een gezinsleven heeft opgebouwd (zoals bepaald in de Burgerschapsrichtlijn), dit kan voortzetten in zijn eigen lidstaat, met daarbij de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan het betrokken familielid dat derdelander is. De voorwaarden voor toekenning van het afgeleide verblijfsrecht mogen niet strenger zijn dan is vastgelegd in richtlijn 2004/38. Volgens artikel 7 lid 2 Burgerschapsrichtlijn strekt het verblijfsrecht van lid 1 van dit artikel zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de Unieburger begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen (voor zover voldaan wordt aan de voorwaarden van lid 1, onder a), b) of c), van dit artikel).
Op basis hiervan komt het Hof tot de conclusie dat een derdelander van hetzelfde geslacht als de Unieburger, die met hem is gehuwd in een lidstaat overeenkomstig het recht daarvan, beschikt over een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft.

Decentrale relevantie

In Nederland zijn gemeenten vaak het directe aanspreekpunt voor migranten. Bij het stellen van regels voor migranten op terreinen van burgerzaken, ruimtelijke ordening of huisvesting worden zij geconfronteerd met het vrije verkeer van personen. Voor een Unieburger is dan in de eerste plaats de Burgerschapsrichtlijn van belang en in dat kader ook de uitleg daarvan in jurisprudentie. Deze uitspraak van het Hof biedt meer duidelijkheid over de situatie waarin een derdelander gehuwd is met een Unieburger van hetzelfde geslacht.

Door:

Madeleine Heitmeijer-Broersen, Europa decentraal

Meer informatie:

Hof van Justitie EU, 5 juni 2018, zaak C-673/16 (Coman e.a. v. Inspectoratul General pentru Imigrări & Ministerul Afacerilor Interne)

Nieuwsbericht: EU-Hof: Verblijfsrecht voor echtgenoot van eigen onderdaan van gelijk geslacht, ECER

Vrij verkeer, Europa decentraal

Vrij verkeer van personen, Europa decentraal

Inachtneming aanbestedingsbeginselen bij gezondheidszorgdiensten met grensoverschrijdend belang

mei 2018

1. Introductie

Bepaalde categorieën diensten, zoals maatschappelijke diensten, gezondheidszorg- en onderwijsdiensten dragen naar hun aard een beperkte grensoverschrijdende dimensie met zich mee. Voor deze “sociale en andere specifieke diensten” (voorheen IIB-diensten) geldt een verlicht aanbestedingsregime. In deze zaak herinnert het Europese Hof van Justitie eraan dat dergelijke opdrachten evenwel de fundamentele regels en de algemene beginselen van het EU-Werkingsverdrag dienen te eerbiedigen wanneer er sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Uit dit arrest blijkt dat dit dient te worden beoordeeld op het oorspronkelijke tijdstip van de gunning van de overheidsopdracht.

2. Zaak

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juli 2018 in zaak C-65/17 (Oftalma Hospital Srl v. Commissione Istituti Ospitalieri Valdesi & Regione Piemonte)

3. Beleidsdossier en thematiek

Aanbestedingen
Sociaal domein

4. Feiten

CIOV, de Commissie van waldenzische ziekenhuizen in Italië, en de regio Piemonte hebben aan Oftalma Hospital Srl de opdracht verleend om gespecialiseerde gezondheidsdiensten op het gebied van de oogheelkunde te verstrekken in het oogheelkundig centrum van het evangelisch-waldenzisch ziekenhuis in Turijn. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gold de richtlijn 92/50, die sindsdien is herzien door richtlijn 2004/18 en daarna door richtlijn 2014/24. In elk van deze richtlijnen zijn medische en sociale diensten uitgezonderd van de reguliere procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten.

De nationale rechter gelast CIOV en de regio Piemonte om de vergoeding voor de gezondheidsdiensten aan Oftalma te betalen, nadat zij in gebreke zijn gebleven. De twee opdrachtgevers weigeren dit echter op grond van de stelling dat de overeenkomst is gesloten in strijd met de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten. Zij ondersteunen dit standpunt met het argument dat de beginselen uit het EU-Werkingsverdrag onbedoeld niet zijn nageleefd toen er een addendum bij de oorspronkelijke overheidsopdracht werd gevoegd.

5. Rechtsvraag

De nationale rechter heeft het Europese Hof van Justitie vervolgens de vraag voorgelegd of een overeenkomst die is vrijgesteld van de volledige aanbestedingsplicht toch onderworpen blijft aan de beginselen van vrijheid van vestiging en vrije dienstverrichting en de daaruit voortvloeiende beginselen van gelijke behandeling, transparantie en non-discriminatiebeginsel?

6. Uitspraak Hof

Grensoverschrijdend belang

Het Europese Hof van Justitie brengt in herinnering dat gezondheidszorgdiensten, gelet op hun specifieke aard, een beperkte grensoverschrijdende dimensie met zich mee dragen. Er kan vanuit worden gegaan dat dienstverleners uit andere EU-lidstaten weinig tot geen interesse zullen hebben in een dergelijke opdracht. Het Hof oordeelde evenwel dat deze opdrachten de fundamentele regels en de algemene beginselen van het EU-Werkingsverdrag dienen te eerbiedigen wanneer de opdrachten een duidelijk grensoverschrijdend belang vertonen. In het bijzonder moeten het beginsel van gelijke behandeling en transparantie en het verbod op discriminatie in acht genomen worden. De verplichting komt erop neer dat een passende mate van openbaarheid moet worden gegarandeerd, zodat de opdracht openstaat voor mededinging en de aanbestedingsprocedure op onpartijdigheid kan worden getoetst.

Beoordeling

Het Hof geeft aan dat het aan de verwijzende rechter is om aan de hand van alle relevante gegevens betreffende de markt in kwestie te beoordelen of er sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Bij de beoordeling dient er te worden gekeken naar de datum van gunning van de overheidsopdracht. Het feit dat er naderhand een addendum aan de overeenkomst wordt toegevoegd verandert daar niets aan, mits het addendum de algemene opzet van de overeenkomst niet wezenlijk verandert.

Criteria

Het Hof attendeert op de objectieve criteria die kunnen duiden op het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Dit zijn de omvang van de opdracht, de technische (specialistische) aard en de plaats van de uitvoering. Ook klachten van in andere EU-lidstaten gevestigde marktdeelnemers kunnen wijzen op een grensoverschrijdend belang. Het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang dient in concreto te blijken uit de omstandigheden van de opdracht.

Objectieve rechtvaardiging

Verder wijst het Hof erop dat de ongelijke behandeling van partijen bij een grensoverschrijdend belang in sommige gevallen door objectieve omstandigheden kan worden gerechtvaardigd. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de bescherming van de volksgezondheid door de instandhouding van een toegankelijke verzorging door artsen en ziekenhuizen.

7. Decentrale relevantie

In Nederland zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Diensten in het sociaal domein zullen veelal niet onderworpen zijn aan het volledige aanbestedingsregime, maar aan de procedure voor sociale en andere specifieke diensten. Gemeenten dienen bij dergelijke opdrachten acht te slaan op de aanwezigheid van een grensoverschrijdend belang en de gevolgen daarvan.

Door:

Marieke Merkus, Europa decentraal

Meer informatie:

Aanbestedingen, Europa decentraal
Aanbesteden in het sociaal domein, Europa decentraal
Wat is de aanbestedingsprocedure voor sociale en andere specifieke diensten?, praktijkvraag Europa decentraal
Zoektool CPV-codes sociale en specifieke diensten, PIANOo

Examenvragen: de reikwijdte van het begrip persoonsgegevens en het recht van inzage

april 2018

  1. Introductie

    In deze zaak gaat het om de reikwijdte van het begrip persoonsgegevens en de uitwerking van het recht op toegang tot deze gegevens uit richtlijn 95/46 (hierna: de richtlijn). Deze richtlijn is in Nederland in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geïmplementeerd. Vanaf 25 mei 2018 zullen de regels van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) gelden en worden zowel de richtlijn als de Wbp ingetrokken. De definitie van ‘persoonsgegevens’ is in de AVG hetzelfde als in de richtlijn. Het recht van toegang tot de gegevens, in de AVG het ‘recht van inzage’ genoemd, is onder de AVG echter wat aangescherpt. Wanneer een decentrale overheid persoonsgegevens verwerkt, zullen de regels van de richtlijn, en straks van de AVG toegepast moeten worden. Ook zal de betrokkene zich dan kunnen beroepen op rechten zoals het recht van inzage, vastgelegd in artikel 12 richtlijn en artikel 15 AVG.

    (meer…)

Kan een detacheringsverklaring in geval van fraude buiten beschouwing worden gelaten?

maart 2018

1. Introductie

Op 6 februari 2018 deed het Europese Hof van Justitie, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak in een Belgische zaak. Het Hof oordeelde dat detacheringsverklaringen in sommige gevallen door nationale rechters buiten beschouwing moeten worden gelaten als er sprake is van fraude. Daarnaast kunnen ondernemingen aansprakelijk worden gesteld indien deze verklaringen frauduleus zijn. Deze uitspraak is van belang voor de toepasselijkheid van een sociaal zekerheidsstelsel. Via de verklaring kunnen werknemers onder meer aantonen in welk land ze sociale zekerheidsgelden betalen.

(meer…)

Is het verbieden van kleine detailhandel buiten het stadscentrum in een bestemmingsplan toegestaan onder de Dienstenrichtlijn?

februari 2018

1. Introductie

Op 30 januari 2018 deed het Europese Hof van Justitie, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak in twee Nederlandse zaken. Deze langverwachte uitspraak is van belang voor decentrale overheden, omdat het Hof duidelijkheid verschaft over de werkingssfeer van Richtlijn 2006/123 (hierna: de Dienstenrichtlijn). Uit de zaak Visser Vastgoed Beleggingen, een van de twee gevoegde zaken, blijkt dat het bestemmingsplan van de gemeente Appingedam dat kleine detailhandel buiten het stadscentrum verbiedt in beginsel onder de Dienstenrichtlijn valt, maar onder bepaalde voorwaarden wel is toegestaan. De andere zaak (X) wordt in een afzonderlijk EUrrest besproken.

2. Zaak

HvJ EU 30 januari 2018, C-31/16, ECLI:EU:C:2018:44 (Visser Vastgoed Beleggingen).

3. Beleidsdossiers en thematiek

Dienstenrichtlijn
Informatiemaatschappij

4. Samenvatting feiten

Het bestemmingplan van de gemeente Appingedam staat in het Woonplein (een winkelgebied gelegen buiten het stadcentrum) alleen volumineuze detailhandel toe, zoals meubelen, keukens en bouwmaterialen. Visser Vastgoed Beleggingen BV (hierna: Visser) heeft winkelpanden aan het Woonplein en wil een pand verhuren aan Bristol BV, een discountketen voor schoenen en kleding. Detailhandel in schoenen en kleding wordt op die plaats echter volgens het bestemmingsplan niet toegestaan. Volgens Visser is dit in strijd met de Dienstenrichtlijn. Het vastgoedbedrijf stelt daarom bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep in tegen het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van het bestemmingsplan. De gemeenteraad stelt dat de bestreden regel gerechtvaardigd is vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening: structurele leegstand wordt op deze manier voorkomen en daarmee wordt de leefbaarheid van het stadscentrum behouden. De Raad van State verzoekt het Europese Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing.

5. Rechtsvragen

  • Is detailhandel in goederen als schoenen en kleding een ‘dienst’ in de zin van de Dienstenrichtlijn?
  • Is hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn, dat gaat over de vrijheid van vestiging van dienstverrichters, van toepassing op een ‘zuiver interne situatie’ (een situatie waarin alle relevante aspecten zich binnen één EU-lidstaat afspelen)?
  • Is het vaststellen van een bestemmingsplan dat niet-volumineuze detailhandel buiten het stadscentrum verbiedt in strijd met de Dienstenrichtlijn?

6. Samenvatting uitspraak

Het Hof stelt vast dat de Dienstenrichtlijn volgens art. 2 lid 1 van de richtlijn van toepassing is op de diensten van dienstverrichters die in een EU-lidstaat zijn gevestigd, met uitsluiting van de activiteiten en aangelegenheid bedoeld in art. 2 lid 2 en 3 (zie ook hierboven). Onder ‘dienst’ wordt volgens art. 4 sub 1 verstaan: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in art. 57 VWEU. Het Hof concludeert dat ook detailhandel in goederen als schoenen en kleiding een dienst is in de zin van art. 4 sub 1 Dienstenrichtlijn. Detailhandel is namelijk een economische activiteit, anders dan in loondienst, die tegen vergoeding geschiedt en valt niet onder de genoemde uitsluitingen van art. 2 lid 2 en 3 Dienstenrichtlijn. Bovendien, zo stelt het Hof, worden werkzaamheden van commerciële aard in art. 57 VWEU expliciet vermeld als diensten.

Het Hof merkt vervolgens op dat uit de bewoordingen van de bepalingen in hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn (over de vrijheid van vestiging van dienstverrichters) niet volgt dat er sprake moet zijn van een grensoverschrijdend aspect. Na een nadere analyse concludeert het Hof dat de bepalingen van hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn mede van toepassing zijn op een situatie waarvan alle relevante aspecten zich binnen één EU-lidstaat afspelen (een ‘zuiver interne situatie’).

Ten slotte bekijkt het Hof of het bestemmingsplan van de gemeente Appingedam valt onder het begrip ‘vergunningsstelsel’ of onder het begrip ‘eis’ in de zin van de Dienstenrichtlijn. Het Hof stelt dat het bestemmingsplan geen vergunningsstelsel is in de zin van art. 4 sub 6 van de richtlijn. Het gaat hierbij namelijk niet om een procedure die een dienstverrichter verplicht bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een beslissing over de toegang of de uitoefening van een dienstenactiviteit. Daarom zijn art. 9 en 10 Dienstenrichtlijn niet van toepassing.

Het bestemmingsplan valt wel aan te merken als ‘eis’ in de zin van art. 4 sub 7 Dienstenrichtlijn. Een eis is ‘elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten’. Volgens het Hof staat vast dat het bestemmingsplan tot gevolg heeft dat niet-volumineuze detailhandel (zoals schoenen en kleding) buiten het stadscentrum verboden is. Daarom moet worden getoetst aan art. 14 en 15 Dienstenrichtlijn, waarin regels staan met betrekking tot verboden of aan evaluatie onderworpen eisen.

In dit geval is er volgens het Hof sprake van een eis in de zin van art. 15 lid 2 sub a, want het bestemmingsplan maakt de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk van een territoriale beperking. Een territoriale beperking is echter toegestaan als is voldaan aan de voorwaarden van art. 15 lid 3 (non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid). Een bestemmingsplan dat niet-volumineuze detailhandel buiten het stadscentrum verbiedt is dus niet in strijd met de Dienstenrichtlijn, mits aan alle in art. 15 lid 3 van de richtlijn genoemde voorwaarden is voldaan. Het is aan de Raad van State zelf om daarover te oordelen.

Met betrekking tot de noodzakelijkheidsvereiste merkt het Hof nog op dat het doel van het bestemmingsplan – behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum van Appingedam – overeenkomstig art. 4 sub 8 juncto overweging 40 Dienstenrichtlijn een dwingende reden van algemeen belang vormt (namelijk: bescherming van het stedelijk milieu), die een territoriale beperking in beginsel rechtvaardigt.

7. Decentrale relevantie

De hierboven besproken uitspraak van het Europese Hof van Justitie is relevant voor gemeenten die net als Appingedam met hun bestemmingsplan leegstand in het stadscentrum (willen) tegengaan. Voor hen is van belang dat de Dienstenrichtlijn dat in beginsel toelaat. Zulke beperkingen moeten echter wel voldoen aan de voorwaarden van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid (art. 15 lid 3 Dienstenrichtlijn). Verwacht wordt dat de Raad van State in zijn einduitspraak het Hof zal volgen. Dan wordt duidelijk of het verbod dat is opgenomen in het bestemmingsplan van de gemeente Appingedam in dit concrete geval is toegestaan.

Door:

Chris Koedooder, Europa decentraal

Meer informatie:

Dienstenrichtlijn, Europa decentraal
Informatiemaatschappij, Europa decentraal
Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt
Raad van State wil uitleg over Dienstenrichtlijn, nieuwsbericht Europa decentraal
AG spreekt zich uit over de Dienstenrichtlijn, nieuwsbericht Europa decentraal
Belangrijke uitspraak EU-Hof over de Dienstenrichtlijn in twee Nederlandse zaken, nieuwsbericht Europa decentraal

Vallen leges voor de aanleg van een glasvezelnetwerk onder de Dienstenrichtlijn?

februari 2018

1. Introductie

Op 30 januari 2018 deed het Europese Hof van Justitie, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak in twee Nederlandse zaken. Deze langverwachte uitspraak is van belang voor decentrale overheden, omdat het Hof duidelijkheid verschaft over de werkingssfeer van Richtlijn 2006/123 (hierna: de Dienstenrichtlijn). Uit de zaak X, een van de twee gevoegde zaken, blijkt dat het heffen van leges voor de aanleg van een glasvezelnetwerk door de gemeente Amersfoort niet onder de Dienstenrichtlijn valt. De andere zaak (Visser Vastgoed Beleggingen) wordt in een afzonderlijk EUrrest besproken. 

2. Zaak

HvJ EU 30 januari 2018, C-360/15, ECLI:EU:C:2018:44 (X).

3. Beleidsdossiers en thematiek

Dienstenrichtlijn

Informatiemaatschappij

4. Samenvatting feiten

De onderneming X BV (hierna: X) heeft de opdracht gekregen een glasvezelnetwerk aan te leggen in de gemeente Amersfoort. Op grond van de Telecommunicatiewet heeft X het recht om kabels aan te leggen op het grondgebied van de gemeente. Voor de bijbehorende werkzaamheden verzoekt X het college van B&W om instemming omtrent de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering daarvan. De gemeente vraagt daarvoor € 149.949,- aan leges (administratieve vergoedingen voor overheidswerkzaamheden) op grond van de Gemeentewet en de eigen Verordening leges 2010. X gaat hiertegen in beroep. De zaak komt via het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden terecht bij de Hoge Raad die vervolgens prejudiciële vragen voorlegt aan het Europese Hof van Justitie. Het gerechtshof, tegen wiens uitspraak door het college van B&W cassatie is ingesteld, wordt verweten de Dienstenrichtlijn niet in de beschouwing te hebben betrokken. De Hoge Raad betwijfelt echter of de inning van de leges in dit geding binnen de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn valt.

5. Rechtsvraag

Is de Dienstenrichtlijn van toepassing op leges die verschuldigd worden in verband met de rechten van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken om kabels voor een glasvezelnetwerk aan te leggen?

6. Samenvatting uitspraak

Het Hof stelt vast dat in art. 2 lid 3 Dienstenrichtlijn staat dat de richtlijn niet van toepassing is op het gebied van belastingen. Verder staat in art. 2 lid 2 sub c dat de richtlijn niet van toepassing is op elektronische-communicatiediensten en -netwerken en bijbehorende faciliteiten en diensten, wat de aangelegenheden betreft die vallen onder Richtlijn 2002/21 (hierna: de Kaderrichtlijn) en Richtlijn 2002/20 (hierna: de Machtigingsrichtlijn).

De Hoge Raad gaat er vanuit dat het geding tussen het college van B&W en X niet valt onder de Machtigingsrichtlijn en dat daarmee ook de bovengenoemde uitsluiting van art. 2 lid 3 Dienstenrichtlijn niet van toepassing is. Volgens de Hoge Raad gaat het bij de in art. 12 Machtigingsrichtlijn bedoelde administratieve bijdragen namelijk alleen om bijdragen die zijn opgelegd door een nationale regelgevende instantie (NRI) in de zin van de Kaderrichtlijn en de Machtigingsrichtlijn. De gemeente Amersfoort is nooit als zodanig aangewezen.

Administratieve bijdragen mogen volgens art. 12 lid 1 sub a Machtigingsrichtlijn uitsluitend bestemd zijn om administratiekosten te dekken die samenhangen met activiteiten die in dit artikel worden genoemd. De leges die de gemeente Amersfoort heeft gevorderd hangen volgens het Hof niet samen met dergelijke activiteiten. Echter, ook op grond van art. 13 Machtigingsrichtlijn kunnen financiële lasten aan aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken worden opgelegd. Het Hof oordeelt dat de bestreden leges verschuldigd worden in verband met het recht van X om ‘faciliteiten’ te installeren in de zin van art. 13 Machtigingsrichtlijn. De in art. 13 Machtigingsrichtlijn bedoelde ‘bevoegde autoriteit’ (die de mogelijkheid heeft om vergoedingen te verlangen) beperkt zich niet tot de NRI en dus kan er aan dit artikel worden getoetst.

Volgens vaste rechtspraak kunnen er alleen heffingen of vergoedingen voor de levering van elektronische communicatienetwerken en -diensten worden opgelegd als de Machtigingsrichtlijn daarin voorziet, dus moet aan de hand van de Machtigingsrichtlijn worden bepaald welke financiële lasten al dan niet kunnen worden opgelegd. Daarom concludeert het Hof dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op leges die verschuldigd worden in verband met de rechten van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken om kabels voor een glasvezelnetwerk aan te leggen.

7. Decentrale relevantie

De hierboven besproken uitspraak van het Europese Hof van Justitie is relevant voor decentrale overheden. Op grond van de Gemeentewet mogen gemeenten leges heffen voor aanvragen om instemming zoals bedoeld in art. 5.4 Telecommunicatiewet (plaats, tijdstip en de wijze van uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg van een openbaar elektronisch communicatienetwerk). Het Hof heeft nu duidelijk gemaakt dat art. 13 Machtigingsrichtlijn op deze situatie van toepassing is. De vereisten van deze bepaling bieden gemeenten meer ruimte dan art. 12 Machtigingsrichtlijn. Deze laatste stelt een limiet aan de hoogte van de leges. Verwacht wordt dat de Hoge Raad in zijn einduitspraak de uitspraak van het Hof zal volgen. Hoe in het concrete geval getoetst moet worden zal dan waarschijnlijk duidelijk worden.

Door:

Chris Koedooder, Europa decentraal

Meer informatie:

Dienstenrichtlijn, Europa decentraal
Informatiemaatschappij, Europa decentraal
Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over de Dienstenrichtlijn, nieuwsbericht Europa decentraal
AG spreekt zich uit over de Dienstenrichtlijn, nieuwsbericht Europa decentraal
Belangrijke uitspraak EU-Hof over de Dienstenrichtlijn in twee Nederlandse zaken, nieuwsbericht Europa decentraal

Uber: vervoersdienst of digitaal bemiddelingsplatform?

januari 2018

1. Introductie

In dit arrest oordeelt het Europees Hof van Justitie dat het aanbieden van taxidiensten via de applicatie Uber kwalificeert als een vervoersdienst. Dit in tegenstelling tot het standpunt van Uber dat het slechts een digitaal platform is dat vraag en aanbod van stedelijk vervoer bij elkaar brengt. Uber kan zich door de kwalificatie als vervoersdienst niet beroepen op het vrij verkeer van diensten zoals neergelegd in de Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG).  Lidstaten zijn daarom vrij Uber te verplichten om te voldoen aan nationale vereisten zoals taxivergunningen.

2. Casus

Arrest Hof van Justitie (HvJ EU), 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi, in zaak C-434/15

3. Beleidsdossier en thematiek

Vervoer
Dienstenrichtlijn

4. Samenvatting en feiten

Uber is een elektronisch platform dat het mogelijk maakt om via de Uber-applicatie (‘Uber-app’) in bepaalde steden in Europa een vervoersdienst te bestellen. De Uber-applicatie brengt particuliere, niet-professionele chauffeurs in contact met reizigers die tegen betaling een route willen afleggen. Via de app worden chauffeurs en klanten bij elkaar gebracht en wordt de ritprijs berekend. Uber stelt een aantal voorwaarden aan de chauffeurs en voertuigen en stelt de prijs van de geleverde dienst vast.

Uber (specifiek UberPOP) is onder andere actief in de Spaanse stad Barcelona. In Barcelona behartigt een beroepsorganisatie de belangen van taxichauffeurs (Asociación Profesional Elite Taxi). Volgens de beroepsvereniging vormen de activiteiten van Uber oneerlijke concurrentie, omdat Uber voorheen niet over de nodige (taxi)vergunningen hoefde te beschikken om de activiteit in Barcelona uit te mogen voeren. De beroepsorganisatie vraagt de Spaanse rechter daarom om de activiteiten van Uber te verbieden.

Uber ziet de eigen activiteiten niet als een vervoersdienst, maar stelt dat zij slechts een digitaal bemiddelingsplatform is. Dergelijke diensten vormen ‘een dienst in de zin van de informatiemaatschappij’ en vallen onder het vrij verkeer van diensten dat is neergelegd in de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn staat slechts onder strikte voorwaarden nationale vergunningsvereisten toe. Volgens de Spaanse belangenorganisatie kan Uber zich echter niet op de Dienstenrichtlijn beroepen, omdat  vervoersdiensten expliciet zijn uitgezonderd van de Dienstenrichtlijn.

5. Rechtsvraag

De verwijzende rechter stelt het Europees Hof van Justitie vier prejudiciële vragen, waarvan het Hof in deze zaak twee vragen beantwoordt. Samengevat komen de vragen op het volgende neer:

Is Uber een aanbieder van een vervoersdienst, een dienst van de informatiemaatschappij waaraan op basis van de Dienstenrichtlijn (in beginsel) geen nationale eisen mogen worden gesteld? Of vallen de activiteiten van Uber onder beide definities?

6. Uitspraak Hof

Vervoersdiensten vs. diensten in de zin van de informatiemaatschappij

Het Hof brengt eerst een onderscheid aan tussen diensten in de zin van de informatiemaatschappij en vervoersdiensten. Een dienst in de zin van de informatiemaatschappij is een dienst die tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht (zie ook de Richtlijn inzake elektronische handel). Niet-collectieve diensten voor stedelijk vervoer zoals taxidiensten, worden naar Europees recht omschreven als een vervoersdienst. Vervolgens overweegt het Hof dat bemiddelingsdiensten en vervoersdiensten in beginsel twee te onderscheiden diensten zijn, maar dat een dienst ook onder beide definities kan vallen (een gemengde dienst).

Uber biedt een vervoersdienst aan

Voor wat betreft de bemiddelingsdienst die Uber aanbiedt via de applicatie stelt het Hof vervolgens vast dat deze onlosmakelijk verbonden is met een vervoersdienst. De dienst die Uber aanbiedt valt daarom volgens het Hof onder vervoersdiensten. Voor het Hof zijn daarbij de volgende elementen van belang:

  1. Zonder de elektronische bemiddelingsdienst zouden de niet-professionele chauffeurs de vervoersdiensten niet kunnen uitoefenen.
  2. Zonder de elektronische bemiddelingsdienst zouden personen die een stadsreis willen maken, geen gebruik kunnen maken van de diensten die de chauffeurs leveren.
  3. Uber oefent een beslissende invloed uit op de wijze waarop de vervoersdienst wordt uitgevoerd.

Het Hof kwam al eerder tot het oordeel dat onder de definitie van vervoersdiensten ook diensten kunnen vallen die hier inherent aan zijn, zoals technische controlediensten van voertuigen (zaak C-168/14, Grupo Itevelesa and Others). Vervoersdiensten zijn uitgezonderd van de werkingssfeer van het vrij verkeer van diensten (artikel 58 lid 1 VWEU), zoals ook neergelegd in de Dienstenrichtlijn (artikel 2 lid 2 onder d). Lidstaten mogen daarom nationale eisen stellen aan de wijze waarop vervoersdiensten worden uitgevoerd.

De uitspraak van het Hof is grotendeels in lijn met de eerdere conclusie van de Advocaat-Generaal.

7. Decentrale relevantie

Op basis van de Wet personenvervoer (Wp2000) is het verboden om taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door de minister verleende vergunning. In die wet wordt taxivervoer omschreven als personenvervoer per auto tegen betaling, waarbij het niet gaat om openbaar vervoer. Ook Uber dient zich aan deze wetgeving te houden en dus over een taxivergunning te beschikken. Gemeenten kunnen op basis van de Wet personenvervoer (artikel 28a en 28b van de Wp2000) extra kwaliteitseisen stellen aan taxivervoerders.

Door:

Pauline A’Campo, Europa decentraal

X