EUrrest
EUrrest

Mogen er voorwaarden worden gesteld aan een inbesteding?

december 2019

Introductie

Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs uitspraak gedaan in een Litouwse zaak, die ging over de vraag of een lidstaat voorwaarden mag stellen aan een inhousetransactie (quasi-inbesteding). In dit EUrrest wordt besproken waarom het Hof tot de conclusie komt dat dergelijke voorwaarden niet in strijd zijn met de Europese aanbestedingsrichtlijn. Daarbij wordt echter benadrukt dat in zulke situaties wel bepaalde Europese beginselen in acht moeten worden genomen. (meer…)

Wanneer mag er op wolven worden gejaagd?

oktober 2019

Introductie

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 10 oktober 2019 prejudiciële vragen beantwoord omtrent de voorwaarden voor het toestaan van de beheersjacht op wolven op grond van de afwijkingsgrond uit artikel 16 lid 1 onder e) van de Habitatrichtlijn. Deze uitspraak is van belang aangezien de wolf een beschermde diersoort is en de wolvenpopulatie in Nederland aan het toenemen is. Dit gaat helaas ook gepaard met een toename van faunaschade, bijvoorbeeld door het doden van schapen. De Europese rechter heeft aangegeven dat wolven slechts onder zeer strenge voorwaarden mogen worden afgeschoten en dat in de voorliggende zaak niet blijkt dat hieraan wordt voldaan.

Zaak

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Gerecht) van 10 oktober 2019 in zaak C-674/17 (Tapiola tegen Suomen riistakeskus (Fins wildcentrum))

Beleidsdossier en thematiek

Natuur en biodiversiteit

Samenvatting en feiten

Het Finse wildcentrum, de organisatie verantwoordelijk voor het wildbeheer in Finland, heeft op 18 december 2015 door middel van een tweetal besluiten toestemming verleend voor het doden van zeven wolven. Deze wolven behoorden tot roedels die schade en overlast veroorzaakten. De jachtvergunningen werden afgegeven om te voorkomen dat er illegale jacht zou plaatsvinden. Vervolgens is er door Tapiola, een Finse milieubeschermingsvereniging, beroep ingesteld tegen deze besluiten bij de Finse bestuursrechter.

De Finse bestuursrechter heeft meerdere prejudiciële vragen gesteld aan het Hof. Er geldt namelijk op basis van de Habitatrichtlijn (artikel 12 lid 1) een verbod op het doden van bedreigde diersoorten, waaronder wolven. Hier kan van worden afgeweken op basis van artikel 16 lid 1 van de Habitatrichtlijn. De Finse autoriteiten verleenden de jachtvergunningen op grond van een Fins wetsartikel dat een van de afwijkingsgronden op dit verbod implementeert voor onder andere wolven (artikel 16 lid 1 onder e) Habitatrichtlijn).

Rechtsvragen

1)      Kan er, gelet op de bewoordingen van artikel 16 lid 1 onder e) van de Habitatrichtlijn, een regionale afwijking voor de zogeheten beheersjacht worden verleend op basis van aanvragen van individuele jagers?

2)      Kan het toestaan van afwijkingen voor de in de eerste vraag bedoelde beheersjacht gerechtvaardigd zijn, omdat er geen andere bevredigende oplossing bestaat om illegale jacht te voorkomen in de zin van artikel 16 lid 1 van de Habitatrichtlijn?

3)      Op welke wijze moet de in artikel 16 lid 1 van de Habitatrichtlijn genoemde voorwaarde voor het toestaan van regionale afwijkingen betreffende de staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort worden beoordeeld?

Deze vragen worden gezamenlijk behandeld door het Hof. Volgens het Hof wil de verwijzende rechter weten of het opzettelijk doden van wolven, in het kader van de beheersjacht teneinde de illegale jacht te bestrijden, verenigbaar is met de afwijkingsgrond zoals geformuleerd in artikel 16 lid 1 onder e) van de Habitatrichtlijn.

Uitspraak Hof

Bij de beantwoording van het bovenstaande vraagstuk geeft het Hof aan dat afwijkingen op basis van artikel 16 lid 1 restrictief moet worden uitgelegd. Er wordt dan ook door het Hof gewezen op de voorwaarden met betrekking tot andere bevredigende oplossingen en de instandhouding van populaties. Daarnaast geeft het Hof aan dat er nauwkeurige en uitputtende afwijkingsgronden op het verbod om beschermde wilde dieren te doden zijn geformuleerd (artikel 16 lid 1 onder a t/m e). Deze afwijkingsgronden vormen een uitzondering op het door de Habitatrichtlijn opgezette beschermingsstelsel en moeten daarom ook restrictief worden uitgelegd. Voor de afwijkingsgrond uit artikel 16 lid 1 onder e) geldt dit des te meer aangezien hier geen duidelijke doelstelling wordt nagestreefd, in tegenstelling tot de andere afwijkingsgronden (artikel 16 lid 1 onder a t/m d). Deze afwijkingsgrond mag dan ook pas worden ingeroepen als de andere afwijkingsgronden niet van toepassing zijn.

Om te beoordelen of de afwijking op het verbod van het doden van wolven op grond van artikel 16 lid 1 onder e) door het Finse wildcentrum toegestaan is, moet de verwijzende rechter volgens het Hof dan ook meerdere stappen doorlopen.

Doelstelling & geschiktheid

Allereerst moet worden vastgesteld of de strijd tegen de illegale jacht kan worden aangevoerd als manier om bij te dragen aan de instandhouding van de wolf en daarmee een doelstelling is die onder artikel 16 lid 1 onder e) van de richtlijn valt. Het Hof geeft aan dat de strijd tegen de illegale jacht inderdaad een doelstelling is die hieronder kan vallen.

Vervolgens moet er echter wel worden vastgesteld dat de afwijking geschikt is om de nagestreefde doelstelling te bereiken. Met andere woorden, vermindert de illegale jacht door een beperkte vergunning voor legale jacht en heeft dit daardoor een positief effect op de instandhouding van de wolvenpopulatie? Deze vaststelling moet gebeuren op grond van nauwkeurige wetenschappelijke gegevens. In deze zaak wordt betwist door Tapiola en de Europese Commissie dat een dergelijke nauwkeurige analyse is uitgevoerd.

Andere bevredigende oplossing

Naast deze controle op geschiktheid, moet er ook worden onderzocht of er geen andere bevredigende oplossing is voor de nagestreefde doelstelling (artikel 16 lid 1). Hiervoor moet een nauwkeurige en passende motivering worden gegeven op basis van wetenschappelijke en technische informatie en de specifieke omstandigheden van het geval. Het Hof concludeert, naar aanleiding van de informatie uit de verwijzingsbeslissing, dat niet door het wildcentrum is aangetoond dat het toestaan van beheersjacht de enige manier was om de illegale jacht te bestrijden.

Instandhoudingsvoorwaarde

Een andere voorwaarde (uit artikel 16 lid 1) waaraan de afwijkingsbeslissing moet voldoen, is dat er geen afbreuk plaatsvindt van het streven om de populaties van de wolf in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (de instandhoudingsvoorwaarde). Hierbij moet het langetermijnbehoud van de dynamiek en de sociale stabiliteit van de wolf worden gewaarborgd. Het Hof verwijst hierbij naar het voorzorgsbeginsel van artikel 191 lid 2 VWEU. In deze zaak komt dit erop neer dat, als er onzekerheid bestaat over de schadelijkheid van het toestaan van de beheersjacht op wolven, Finland hiervan moet afzien.

Voorwaarden artikel 16 lid 1 onder e)

Naast de hierboven genoemde voorwaarden gelden er aanvullende voorwaarden voor afwijkingen op basis van artikel 16 lid 1 onder e). Ten eerste mogen er slechts een beperkt en vastgesteld aantal wolven worden gedood op basis van de afwijking. Ten tweede worden er strenge eisen gesteld aan de selectie van de wolven die vallen onder de afwijking. Het Hof stelt dat de selectie zo nauw, specifiek en passend mogelijk moet worden vastgesteld. Ten slotte mogen de afwijkingen op grond van artikel 16 lid 1 onder e) alleen worden toegestaan onder strikt gecontroleerde omstandigheden zodat het selectieve en beperkte karakter van de jacht op de wolven wordt gewaarborgd.

Volgens het Hof geeft de informatie uit het dossier van deze zaak geen aanleiding om vast te stellen dat er aan deze drie aanvullende voorwaarden is voldaan. Het is echter aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

Relevantie voor decentrale overheden

In deze uitspraak van het Hof worden de zeer strikte voorwaarden voor het doden van beschermde diersoorten duidelijk uiteengezet. In Nederland zijn de relevante artikelen uit de Habitatrichtlijn geïmplementeerd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het verbod op het doden van beschermde diersoorten staat in artikel 3.5 lid 1 Wnb en de voorwaarden voor afwijking (artikel 16 lid 1 van de Habitatrichtlijn) zijn opgenomen in artikel 3.8 lid 5 Wnb. De provincies zijn verantwoordelijk voor het verlenen van ontheffingen op het verbod uit artikel 3.5 lid 1 Wnb.

De provincies kunnen in de toekomst met vergelijkbare vraagstukken te maken krijgen als het bevoegd gezag in Finland. De wolvenpopulatie in Nederland neemt namelijk toe. Hiermee zal naar alle waarschijnlijkheid ook de overlast toenemen. Het aantal incidenten van faunaschade door toedoen van wolven is de afgelopen jaren gestegen. Daarnaast is de uitspraak natuurlijk ook van belang voor andere beschermde diersoorten (uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn), omdat de zeer strikte voorwaarden voor het doden van deze desbetreffende diersoorten duidelijk uiteen worden gezet in dit arrest.

Door:

Jos Pees, Kenniscentrum Europa decentraal

Alleen de Europese Commissie kan een vermoeden van verenigbaarheid van steun met de interne markt bevestigen

september 2019

Introductie

Wanneer een lidstaat vaststelt dat een steunvoornemen aan de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) voldoet, houdt die vaststelling slechts een ‘vermoeden van verenigbaarheid’ in. De Europese Commissie is exclusief bevoegd om de verenigbaarheid van de steunmaatregel te beoordelen.

In het geval een steunmaatregel niet noodzakelijk is om de investering te laten plaatsvinden in de betrokken steunregio, kan die maatregel onverenigbaar met de interne markt worden verklaard, zelfs als er bewijs voorhanden is dat de maatregel niet tot verstoring van de mededinging zou leiden of dat de mededinging erdoor zou worden bevorderd. De gevolgen die een niet noodzakelijk geachte steunmaatregel zou hebben voor de mededinging, of deze nu negatief dan wel positief zijn, worden simpelweg niet in aanmerking genomen. De onevenredigheid van de maatregel ontslaat de Commissie met andere woorden van de verplichting om een economische analyse te verrichten.

Zaak

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juli 2019 in zaak C‑654/17 P (Bayerische Motoren Werke AG tegen Europese Commissie)

Beleidsdossier en thematiek

Staatssteun, Algemene Groepsvrijstellingsverordening

Samenvatting en feiten

Duitsland heeft voor € 45,3 miljoen regionale investeringssteun verleend aan BMW voor de bouw van een nieuwe fabriek voor de productie van twee nieuwe automodellen: het elektrische voertuig ‘i3’ en het hybride voertuig ‘i8’. Op grond van de aanmeldingsdrempels uit de (destijds geldende) Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EG) nr. 800/2008) heeft Duitsland de steunverlening gemeld bij de Europese Commissie. Vanwege twijfels over de verenigbaarheid van de steun heeft de Europese Commissie een formele onderzoeksprocedure (op grond van artikel 108, lid 2, VWEU) ingeleid.

BMW heeft ervoor gekozen de investering uit te voeren in Leipzig nadat duidelijk werd dat dit gepaard zou gaan met (Duitse) regionale investeringssteun. Volgens interne documenten van BMW zou het project in München echter € 17 miljoen goedkoper uitvallen. De steun heeft, anders gezegd, een prikkel gevormd bij de locatiekeuze. De Commissie heeft vastgesteld dat het aangemelde steunbedrag slechts met de interne markt verenigbaar is voor wat betreft het verschil tussen de kosten van een investering in Leipzig of in München. Dat wil zeggen: slechts tot een bedrag van € 17 miljoen in plaats van de verleende steun van € 45,3 miljoen.

BMW heeft tegen het besluit van de Commissie beroep ingesteld bij het Europese Hof van Justitie. Het Gerecht van het EU-Hof heeft alle middelen van het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard, dan wel afgewezen. Hierop gaat BMW in hoger beroep, waarbij zij met name de kwestie van evenredigheid van de steun aan de orde brengt.

Rechtsvragen

Het Hof van Justitie wordt gevraagd om zich te buigen over de vraag of het Gerecht artikel 107, lid 3, VWEU heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie het steunbedrag kon beperken tot € 17 miljoen zonder aan de hand van een economische analyse na te gaan of het deel van de steun dat dat bedrag overschreed, tot verstoring van de mededinging zou leiden.

Daarnaast wordt aan het EU-Hof voorgelegd of het Gerecht artikel 288 VWEU, artikel 3 en artikel 13 lid 1 AGVV en het discriminatieverbod heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie niet onjuist heeft gehandeld door de steun te beperken tot een lager bedrag dan het bedrag dat op grond van de AGVV van de aanmeldingsplicht was vrijgesteld, namelijk € 22,5 miljoen.

Uitspraak

Evenredig en stimulerend effect

Uit de Mededeling betreffende een diepgaande beoordeling van regionale steun voor grote investeringsprojecten (“Mededeling 2009”) blijkt dat de Commissie, om een steunmaatregel onverenigbaar met de interne markt te kunnen verklaren, niet hoeft aan te tonen dat toekenning van de steun de mededinging zou verstoren. Volgens Mededeling 2009 moet de Commissie de positieve effecten die regionale steun kan hebben, afwegen tegen de potentiële negatieve effecten ervan voor concurrenten van de begunstigde en voor andere regio’s.

Een regionale steunmaatregel dient:

  • de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende regio’s van de Unie te verkleinen;
  • het passende instrument te zijn om dat doel te bereiken;
  • een stimulerend effect te hebben;
  • evenredig te zijn.

Er is sprake van een stimulerend effect wanneer de investering zonder de steun niet zou plaatsvinden, ofwel wanneer zonder de steun de investering elders zou plaatsvinden. Steun wordt als evenredig beschouwd indien deze gelijk is aan het verschil tussen de kosten voor de begunstigde onderneming van een investering in de steunregio en de kosten voor die onderneming van een investering in een andere regio.

Volgens Mededeling 2009 zal de Commissie, nadat is vastgesteld dat de steun noodzakelijk is als stimulans om de investering in de betrokken regio te doen, de positieve effecten afwegen tegen de negatieve effecten van de steun. Wanneer de Commissie daarentegen vaststelt dat een steunmaatregel niet noodzakelijk is, kan zij die maatregel onverenigbaar met de interne markt verklaren zonder na te gaan of de maatregel de mededinging zou verstoren.

Het Hof komt tot het oordeel dat de Commissie dus gerechtigd is om het steunbedrag dat het kostenverschil overschrijdt onverenigbaar te verklaren zonder de relevante markt af te bakenen en zonder de positie van de begunstigde op die markt te beoordelen.

Bevoegdheid Commissie

Met de vaststelling van de AGVV is de bevoegdheid om de verenigbaarheid te beoordelen van steun waarvan het bedrag niet boven de in die verordening bepaalde aanmeldingsdrempel uitkomt, niet overgegaan op de lidstaten, aldus het Hof. De vaststelling door de lidstaat dat een steunmaatregel aan de voorwaarden van de AGVV voldoet, vormt voor de Commissie geen beletsel om na te gaan of dat al dan niet het geval is, en zo niet, om die maatregel onverenigbaar met de interne markt te verklaren.

In de tweede plaats concludeert het Hof dat wanneer de betrokken lidstaat vaststelt dat een steunmaatregel aan de voorwaarden van de AGVV voldoet, die vaststelling geen verenigbaarverklaring inhoudt. Wanneer een nationale rechterlijke instantie nagaat of aan de voorwaarden van de AGVV is voldaan, past zij algemene criteria inzake verenigbaarheid toe die de Commissie heeft vastgesteld op grond van haar ervaring. Die instantie toetst de steunmaatregel niet afzonderlijk aan artikel 107, lid 3, VWEU of, indien het gaat om regionale steun voor een groot investeringsproject, aan Mededeling 2009. Enkel een dergelijke individuele beoordeling, die uitsluitend door de Commissie kan worden verricht, kan in een verenigbaarverklaring resulteren.

Het Hof oordeelt dat de Commissie bevoegd is om de verenigbaarheid van een steunmaatregel te beoordelen, zelfs wanneer het bedrag van die steun de in de AGVV vastgestelde aanmeldingsdrempel niet overschrijdt. Artikel 288 VWEU en het discriminatieverbod staan hieraan niet in de weg.

Decentrale relevantie

In de uitspraak van het EU-Hof wordt benadrukt dat het volgen van een kennisgevingsprocedure op grond van de AGVV niet betekent dat de steun verenigbaar is met de interne markt. De steunverlening wordt slechts vermoed in overeenstemming met de interne markt te zijn. Eveneens kan er niet zomaar vanuit worden gegaan dat gemelde steun (ongeacht de hoogte van de steun) op basis van de AGVV is toegestaan. Het is daarom voor steunverlenende overheden van groot belang om bij gebruik van een vrijstellingsverordening er scherp op toe te zien dat de steun voldoet aan alle voorwaarden.

Door:

Marieke Merkus & Paul Zondag, Kenniscentrum Europa decentraal

 

 

 

Moeten ambtenaren worden geïnformeerd over het maken en op internet publiceren van video-opnamen van het uitoefenen van hun functie?

juni 2019

INTRODUCTIE

Op 14 februari 2019 heeft het Hof van Justitie van de EU twee prejudiciële vragen beantwoord over de uitlegging van het begrip ‘voor uitsluitend journalistieke doeleinden’ in artikel 9 van richtlijn 95/46/EG. Deze richtlijn is inmiddels vervangen door de Algemene verordening gegevensbescherming (Verordening 2016/679). Het begrip ‘journalistieke doeleinden’ is ook in de AVG vastgelegd (artikel 85). De uitspraak is daarom ook relevant voor uitlegging van de AVG.

Wanneer persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden worden verwerkt, gelden sommige regels van het gegevensbeschermingsrecht niet. De EU heeft de lidstaten de ruimte gegeven om zelf vast te stellen welke regels uitgezonderd worden, zodat zij de bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming kunnen brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie. Het gaat hier namelijk om twee fundamentele rechten die even belangrijk zijn. In Nederland is dit vastgelegd in artikel 43 van de Uitvoeringswet AVG. Daaruit blijkt dat een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden wel bijvoorbeeld een grondslag moet hebben, maar de betrokkene niet hoeft te worden geïnformeerd en zich ook niet kan beroepen op rechten zoals wissing van de persoonsgegevens.

ZAAK

HvJ EU 14 februari 2019, C-345/17, ECLI:EU:C:2019:122 (Buivids)

BELEIDSDOSSIER EN THEMATIEK

Informatiemaatschappij

FEITEN

Sergejs Buivids heeft op een Lets politiebureau op video vastgelegd hoe hij een verklaring aflegt wegens een overtreding. De beelden heeft Buivids daarna op YouTube gepubliceerd. Op de beelden zijn de politieagenten die zijn verklaring afnemen te zien en te horen. Volgens de Letse Dienst gegevensbescherming (Datu valsts inspekcija) had Buivids zich bij het maken en publiceren van de opname aan bepaalde regels van de Letse wet op de bescherming van persoonsgegevens moeten houden, waaronder het informeren van de politieagenten over het doel van de verwerking van hun persoonsgegevens. De Dienst gegevensbescherming verzoekt Buivids daarom de beelden van internet te verwijderen. Tegen dit besluit heeft Buivids zich gewend tot de Letse bestuursrechter, omdat hij door het publiceren van de video een praktijk van de politie onder de aandacht van de bevolking wilde brengen die volgens hem onrechtmatig was. Via de regionale bestuursrechter komt de zaak uiteindelijk bij de hoogste rechterlijke instantie in Letland terecht (Augstākā tiesa), die besluit prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU (het Hof).

RECHTSVRAGEN

De verwijzende rechter stelt het Hof de volgende twee vragen:

  1. Valt het op een politiebureau maken van videobeelden van politieagenten die procedurele handelingen verrichten en het plaatsen van de video op de website www.youtube.com, binnen de werkingssfeer van richtlijn 95/46?
  2. Moet richtlijn 95/46 aldus worden uitgelegd dat dergelijke gedragingen kunnen worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden in de zin van artikel 9 van richtlijn 95/46?

UITSPRAAK EU HOF VAN JUSTITIE

Met de eerste vraag wil de rechter weten of het maken en publiceren van de videobeelden een verwerking van persoonsgegevens is, waar de richtlijn op van toepassing is. Met de tweede vraag wil de rechter weten of het maken en publiceren van de videobeelden onder de journalistieke exceptie van de richtlijn kan vallen.

1.     Is er sprake van persoonsgegevens?

Het Hof beantwoordt de eerste vraag bevestigend. De richtlijn is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (artikel 2a, artikel 3 richtlijn). Aangezien de politieagenten duidelijk te zien en te horen zijn, bevatten de opnames persoonsgegevens. Zowel het opnemen met een digitale fotocamera als het plaatsen van informatie op een website betreft een handeling die (gedeeltelijk) geautomatiseerd wordt verricht.

Het Hof verduidelijkt verder dat de verwerking niet onder een van de uitzonderingen van het toepassingsbereik van de richtlijn valt. De verwerking heeft bijvoorbeeld geen betrekking op de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied, omdat het dan moet gaan om activiteiten van een lidstaat of overheidsdiensten zelf en niet van particulieren. Evenmin is er sprake van een uitzondering wegens persoonlijke of huishoudelijke doeleinden. Buivids heeft de persoonsgegevens op de website namelijk voor een onbepaald aantal personen toegankelijk gemaakt.

2.     Valt de verwerking onder de journalistieke exceptie?

Het antwoord op de tweede vraag is dat dit zou kunnen. Het is aan de verwijzend rechter om in het specifieke geval de afweging te maken.

Het begrip ‘journalistieke doeleinden’ wordt in het Europees recht ruim uitgelegd: het gaat niet alleen om de activiteiten van mediaondernemingen, maar ook om alle personen die zelf informatie en meningen of ideeën overbrengen aan het publiek. Het maakt daarbij niet uit of deze persoon een professioneel journalist is. Ook maakt het niet uit welk medium gebruikt wordt om de meningen over te dragen. Maar, merkt het Hof in navolging van de Advocaat-Generaal op: deze brede uitleg van het begrip ‘journalistieke doeleinden’ betekent niet dat alle informatie die op internet gepubliceerd wordt en persoonsgegevens bevat als ‘journalistieke activiteit’ moet worden gezien. Het Hof geeft daarom aan de verwijzend rechter mee dat gekeken moet worden of het uitsluitend doel van de opname en publicatie ervan was om informatie, meningen of ideeën aan het publiek bekend te maken. In dat geval zal het maken en publiceren van de opname als activiteit met journalistieke doeleinden kunnen worden gezien.

Volgens het Hof kan de argumentatie van Buivids, dat hij met de opname en publicatie de aandacht wilde vestigen op vermeende onregelmatige praktijken van de politie tijdens het afleggen van zijn verklaring, in principe als journalistieke activiteit kan worden gezien. Belangrijk om op te merken is verder dat het voor deze conclusie niet nodig is dat de onregelmatige praktijken ook daadwerkelijk vastgesteld worden. De vraag voor de verwijzend rechter om verder uit te zoeken is of er in dit specifieke geval ook sprake was van een uitsluitend journalistiek doel.

  1. Worden de rechten van de politieagenten onrechtmatig geschonden?

Als het maken en publiceren van de opname als journalistieke activiteit moet worden gezien, moet er vervolgens ook nog een afweging worden gemaakt tussen het recht van de politieagenten op de bescherming van hun persoonsgegevens en de vrijheid van meningsuiting en informatie van Buivids. De uitzonderingen van de regels van de richtlijn voor verwerkingen van persoonsgegevens met journalistieke doeleinden is alleen gerechtvaardigd als dit nodig is om de twee fundamentele rechten te verzoenen.

Het Hof geeft de verwijzend rechter hierbij mee dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een aantal relevante criteria heeft ontwikkeld die bij het maken van deze afweging kunnen worden gebruikt.

EHRM: Criteria afweging recht op privacy en vrijheid van meningsuiting

  • De bijdrage aan een debat van openbaar belang
  • De bekendheid van de betrokken persoon
  • Het onderwerp van het bericht
  • Het eerdere gedrag van de betrokken persoon
  • De inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie
  • De wijze waarop en de omstandigheden waarin de informatie is verkregen
  • De waarachtigheid van de informatie

Ook hier is het aan de verwijzend rechter om te beoordelen of de gemaakte inbreuk en de uitzonderingen en afwijkingen van de regels strikt noodzakelijk zijn om het recht op de bescherming van persoonsgegevens met de vrijheid van meningsuiting en informatie te verzoenen.

DECENTRALE RELEVANTIE

Het maken en publiceren van opnames van ambtenaren in functie zoals in deze zaak betreft een verwerking van persoonsgegevens. In principe valt dit onder de regels van de richtlijn en de AVG. Wanneer vastgesteld kan worden dat het filmen en publiceren van de opname uitsluitend is gedaan wegens journalistieke doeleinden, kan het zijn dat bepaalde regels van de AVG hier niet op van toepassing zijn. Er moet per geval worden bekeken in hoeverre een inmenging op de rechten van een betrokkene noodzakelijk is om het recht op de bescherming van persoonsgegevens met de vrijheid van meningsuiting en informatie te verzoenen. Het zou dus kunnen dat de politieagenten inderdaad niet over het maken en publiceren van de opname hoefden te worden geïnformeerd.

Door:

Juliëtte Fredriksz, Kenniscentrum Europa decentraal

Onrechtmatige steun op basis van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening moet worden teruggevorderd

mei 2019

1. Introductie

Het Hof van Justitie van de EU heeft op 5 maart prejudiciële vragen beantwoord in een zaak omtrent onrechtmatig verkregen staatssteun op basis van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). Aangezien het Hof zich niet vaak uitspreekt over de toepassing van de AGVV is dit noemenswaardig, ook al betreft het hier de oude AGVV. De Europese rechter heeft in dit geval geoordeeld dat de nationale autoriteiten inderdaad verplicht zijn de steun met rente terug te vorderen.

(meer…)

Wanneer mag de Europese Commissie een Europees burgerinitiatief weigeren?

april 2019

Introductie

Deze zaak gaat over de vraag of de Europese Commissie de registratie van een Europees burgerinitiatief (EBI) mocht weigeren met als reden dat het onderwerp zichtbaar buiten het kader van de bevoegdheden van de Commissie valt. In mei 2016 oordeelde het Gerecht in deze zaak dat de Commissie terecht een burgerinitiatief had geweigerd. In dit Eurrest wordt de uitkomst van de hogere voorziening bij het Europees Hof besproken.

(meer…)

Kunnen reeds verleende subsidies automatisch worden aangemerkt als bestaande steun bij de liberalisering van een bepaalde markt?

februari 2019

Introductie

Wanneer een bepaalde markt wordt geliberaliseerd, is het belangrijk om te kijken of verleende subsidies binnen die markt aangemerkt moeten worden als bestaande staatssteun of nieuwe staatssteun. Deze kwalificatie heeft belangrijke rechtsgevolgen: bestaande staatssteun hoeft namelijk niet te worden aangemeld bij de Europese Commissie.
(meer…)

Kan er later worden aangesloten bij een niet ondertekende raamovereenkomst?

januari 2019

Introductie

Op 19 december 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen beantwoord over het uitbreiden van een gesloten raamovereenkomst naar andere aanbestedende diensten. In het hieronder besproken arrest bepaalde het Hof dat het mogelijk is om raamovereenkomsten uit te breiden naar aanbestedende diensten die niet direct betrokken waren bij een oorspronkelijke overeenkomst, mits er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Ook heeft het Hof bepaald dat in dit geval secundaire aanbestedende diensten de hoeveelheid prestaties niet zelf kunnen bepalen.

 

Zaak

HvJ EU 19 december 2018, C-216/17, ECLI:EU:C:2018:1034 (Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato – Antitrust and Coopservice)

Beleidsdossier en thematiek

Aanbestedingen

Feiten

In 2015 heeft de aanbestedende dienst ASST Valcamonica, een lokale onderneming in de sociale en gezondheidssector, het besluit genomen om tussen 1 februari 2016 en 15 februari 2021 toe te treden tot een reeds bestaande raamovereenkomst met betrekking tot afvalverwerking, zonder een aanbestedingsprocedure te beginnen. De oorspronkelijke raamovereenkomst was gesloten tussen de aanbestedende dienst ASST del Garda en de onderneming ATE Markas en bevatte een uitbreidingsclausule waarin werd bepaald dat andere specifieke aanbestedende diensten onder dezelfde voorwaarden konden toetreden tot de raamovereenkomst. De opdrachtnemer was contractueel echter niet verplicht om een dergelijke toetreding te aanvaarden.

Als gevolg hiervan ging de onderneming Coopservice, die tot dan toe verantwoordelijk was voor de reiniging van de faciliteiten van ASST Valcamonica, tegen dit besluit in beroep samen met AGCM, de Italiaanse mededingingsautoriteit. Bij dit beroep werden hun aangevoerde gronden afgewezen. Als reactie hierop stelden de eisers hoger beroep in bij de Consiglio di Stato, de hoogste bestuursrechter van Italië, die vervolgens twee prejudiciële vragen stelde aan het Europese Hof van Justitie.

Rechtsvragen

De vragen van de Consiglio di Stato waren als volgt:

1. Is het mogelijk om op basis van artikel 1 lid 5 en artikel 32 Richtlijn 2004/18 (de oude aanbestedingsrichtlijn) en artikel 33 Richtlijn 2014/24 (de huidige aanbestedingsrichtlijn) een raamovereenkomst te sluiten waarin:

  • een aanbestedende dienst voor zichzelf handelt en handelt voor andere, specifiek vermelde secundaire aanbestedende diensten die deze raamovereenkomst niet ondertekenen; en
  • de hoeveelheid prestaties die kan worden gevraagd door de secundaire aanbestedende diensten (die niet hebben ondertekend) niet is bepaald?

2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, mag op basis van artikel 1 lid 5 en artikel 32 van Richtlijn 2004/18 en 33 Richtlijn 2014/24 dan wel een raamovereenkomst worden gesloten waarin:

  • een aanbestedende dienst voor zichzelf handelt en handelt voor andere, specifiek vermelde secundaire aanbestedende diensten die deze raamovereenkomst niet ondertekenen; en
  • de hoeveelheid prestaties die kan worden gevraagd door de secundaire aanbestedende diensten (die niet hebben ondertekend) wordt bepaald onder verwijzing naar hun normale behoefte?

Uitspraak Hof

Ten opzichte van de vraag of een aanbestedende dienst voor secundaire aanbestedende diensten kon handelen ten opzichte van een raamovereenkomst heeft het Hof geoordeeld dat dit mogelijk is. Dit herleidde het Hof uit artikel 32 lid 4 Richtlijn 2004/18, gelezen in samenhang met overweging 11 van de richtlijn. Hiernaast zou volgens het Hof het nuttig effect van artikel 1 lid 5 en artikel 32 Richtlijn 2004/18, die toestaan dat raamovereenkomsten door meerdere aanbestedende diensten worden uitgevoerd vanwege efficiëntieredenen, weggenomen worden indien secundaire aanbestedende diensten raamovereenkomsten zouden moeten ondertekenen. Dit is echter alleen maar mogelijk indien openbaarheid, rechtszekerheid en transparantie in acht wordt genomen.

De tweede vraag is dan in welke mate de hoeveelheid prestaties bepaald mag worden in een dergelijk geval. Hier oordeelt het Hof dat secundaire aanbestedende diensten bij het plaatsen van uit de raamovereenkomst vloeiende opdrachten niet simpelweg kunnen verwijzen naar hun normale behoeften, aangezien dit een inbreuk zou zijn op de beginselen van transparantie en gelijke behandeling van geïnteresseerde ondernemers. De opdracht moet namelijk zo zijn aangekondigd dat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juist draagwijdte ervan kunnen begrijpen. De genoemde beginselen zouden volgens het Hof in het gedrang komen indien de aanbestedende dienst die oorspronkelijk partij is bij de raamovereenkomst niet specificeert wat de totale hoeveelheid is waarop de raamovereenkomst betrekking heeft. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het Hof expliciet stelt dat een raamovereenkomst geen effect meer sorteert zodra de vooraf bepaalde maximale hoeveelheid is bereikt. In dat geval moet er dus opnieuw worden aanbesteed.

Decentrale relevantie

Uit deze uitspraak volgt dat andere aanbestedende diensten ook op een later moment nog kunnen meedoen aan een raamovereenkomst, zelfs als zij de oorspronkelijke raamovereenkomsten niet ondertekend hadden. De uitspraak lijkt dus ruimte te bieden voor meer samenwerking tussen decentrale overheden. Uit de uitspraak blijkt echter wel dat de hoeveelheid prestaties die zulke secundaire aanbestedende diensten willen afnemen binnen de raamovereenkomst, wel vooraf moet worden gepreciseerd. Decentrale overheden moeten daar dus wel goed op letten, want het gunnen van opdrachten binnen de raamovereenkomst nadat de vooraf bepaalde maximale hoeveelheid is bereikt, leidt tot onrechtmatigheid.

Door:

Maxim Vennegoor en Chris Koedooder, Europa decentraal