EUrrest
EUrrest

Privacy shield voor doorgifte van gegevens aan de verenigde staten ongeldig verklaard

september 2020

INTRODUCTIE

In deze zaak heeft het Europese Hof van Justitie een prejudiciële vraag beantwoord van een Ierse rechter. De vraag gaat over de geldigheid van besluiten die doorgifte van persoonsgegevens aan de Verenigde Staten (en andere derde landen) mogelijk maken. De zaak is relevant voor decentrale overheden omdat na het arrest doorgifte van persoonsgegevens naar de Verenigde Staten op grond van het Privacy Shield niet meer mogelijk is. Ook worden er nadere regels gesteld voor de toepassing van standaardcontractbepalingen bij doorgifte van gegevens aan derde landen op basis van het MCB-besluit.

ZAAK

HvJ EU 16 juli 2020, C-311/18, ECLI:EU:C:2020:559, (Data Protection Commissioner/Facebook Ireland and Maximilian Schrems)

BELEIDSDOSSIER EN THEMATIEK

Informatiemaatschappij, Privacy

FEITEN

De Oostenrijkse Maximilian Schrems is van mening dat Facebook Ireland zijn persoonsgegevens niet mag doorgeven aan de moederonderneming Facebook Inc. in de Verenigde Staten. Volgens Schrems is er in de Verenigde Staten sprake van ontoereikende bescherming van de gegevens. Schrems dient daarom een klacht in bij de Ierse toezichthoudende autoriteit waarin hij verzoekt om het opschorten of verbieden van de doorgifte van gegevens. Deze doorgifte is gebaseerd op standaardbepalingen inzake gegevensbescherming uit de bijlage bij besluit 2010/87 (MCB-besluit) van de Europese Commissie. De standaardbepalingen worden opgenomen in overeenkomsten met betrekking tot de doorgifte van gegevens, zodat er voldoende waarborgen worden geboden ter bescherming van deze gegevens.

De Ierse toezichthoudende autoriteit is van oordeel dat het voor de behandeling van de klacht van Schrems vooral relevant is of het Europese MCB-besluit hier geldig is. De toezichthoudende autoriteit wendt zich daarom tot de Ierse rechter in eerste aanleg (de High Court) en verzoekt de rechter om het Europese Hof een vraag te stellen. Op 4 mei 2018 heeft de High Court de zaak prejudicieel verwezen naar het Hof.

Na het aanhangig maken van de zaak heeft de Europese Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 gepubliceerd. In dit adequaatheidsbesluit werd vastgesteld dat het EU-VS Privacy Shield een passend niveau aan bescherming bood voor de doorgifte van persoonsgegevens van de EU naar de VS. Gegevens konden daarmee ook uitgewisseld worden met organisaties uit de Verenigde Staten die zich aansloten bij de gegevensbeschermingsprincipes van het Privacy Shield. Omdat zowel het MCB-besluit als het Privacy Shield een grondslag voor doorgifte van gegevens aan organisaties in de Verenigde Staten bieden, stelde de High Court daarom ook over de uitvoeringsverordening een prejudiciële vraag.

RECHTSVRAGEN

De Ierse High Court stelde de volgende vragen aan het Europese Hof:

  • Valt de doorgifte van persoonsgegevens door een onderneming in een lidstaat naar een onderneming in een derde land, binnen de werkingssfeer van de AVG, wanneer de autoriteiten van het derde land deze gegevens kunnen inzien ten behoeve van openbare veiligheid, defensie of veiligheid van de staat?
  • Wat is het door de AVG vereiste beschermingsniveau voor doorgifte van gegevens naar een derde land op basis van standaardbepalingen? En aan de hand van welke aspecten moet het beschermingsniveau worden beoordeeld?
  • Moeten bevoegde toezichthoudende autoriteiten de doorgifte naar derde landen op basis van standaardbepalingen opschorten of verbieden wanneer de autoriteit van oordeel is dat het derde land niet voldoet aan het door de EU vereiste beschermingsniveau voor persoonsgegevens?
  • Is het MCB-besluit geldig?
  • In hoeverre waarborgt het Privacy Shield een passend beschermingsniveau voor gegevens die aan de Verenigde Staten worden doorgegeven?

UITSPRAAK HOF

TOEPASSING AVG

Het Hof heeft in het arrest bepaald dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing is in gevallen van de doorgifte van persoonsgegevens met commerciële doeleinden naar een derde land. Het feit dat autoriteiten van het derde land de gegevens kunnen inzien ten behoeve van openbare veiligheid, defensie of veiligheid van de staat doet hier niet aan af.

BESCHERMINGSNIVEAU IN STANDAARDBEPALINGEN

Het Hof heeft een beschermingsniveau vastgesteld voor de doorgifte van gegevens met gebruik van standaardbepalingen. De geboden bescherming moet volgens het Hof in grote lijnen overeenkomen met het beschermingsniveau dat in het Unierecht wordt gewaarborgd. Het gaat met name om de beschermingsbepalingen uit de AVG en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De gegevensexporteur die in de Europese Unie is gevestigd, heeft de verplichting na te gaan of het vereiste beschermingsniveau in acht wordt genomen in het derde land. Is dit niet het geval, dan kan de exporteur aanvullende maatregelen toevoegen aan de standaardbepalingen voor een toereikende bescherming. Voor de Verenigde Staten heeft het Hof in het arrest geoordeeld dat er geen sprake is van een voldoende overeenkomend beschermingsniveau. Dit houdt in dat bij doorgifte aan de Verenigde Staten, per geval moet worden beoordeeld of er voldoende bescherming is, en zo niet, of dit tekort met aanvullende maatregelen kan worden opgelost.

Wanneer er sprake is van ontoereikende bescherming bij een doorgifte aan een derde land, kunnen toezichthoudende autoriteiten ingrijpen. Volgens het Hof zijn deze autoriteiten verplicht om een doorgifte op te schorten of te verbieden wanneer zij van oordeel zijn dat de doorgifte niet voldoet aan het vereiste beschermingsniveau.

GELDIGHEID MCB-BESLUIT

Voor het MCB-besluit heeft het Hof bepaald dat dit geldig is. Het besluit biedt namelijk voldoende doeltreffende mechanismen voor het waarborgen van een passend beschermingsniveau. Een van deze mechanismen is de verplichting van de gegevensexporteur om na te gaan of het beschermingsniveau in acht wordt genomen in het derde land. De exporteur moet beoordelen of het derde land bescherming biedt die in grote lijnen overeenkomt met het beschermingsniveau dat wordt geboden in Unierecht. Daarnaast kan de exporteur ook aanvullende maatregelen stellen en overeenkomsten opschorten of beëindigen bij ontoereikende bescherming.

GELDIGHEID PRIVACY SHIELD

Tot slot heeft het Hof het Privacy Shield tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten ongeldig verklaard. Volgens het Hof zijn de beperkingen op de bescherming van gegevens van EU-burgers in de Verenigde Staten niet genoeg afgebakend. De Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen namelijk op grond van interne regelingen toegang krijgen tot, en gebruik maken van gegevens die zijn doorgegeven op basis van het Privacy Shield. Deze toegang is niet beperkt tot strikt noodzakelijke gevallen en komt daarom niet overeen met het Europese evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel bepaalt dat beperkingen op het recht op bescherming van persoonsgegevens alleen toegestaan zijn in noodzakelijke gevallen, waarbij wordt beantwoord aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of ter bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

DECENTRALE RELEVANTIE

Na dit arrest is het voor decentrale overheden niet meer mogelijk om gegevens door te geven aan organisaties in de Verenigde Staten op basis van het Privacy Shield. Doorgifte van persoonsgegevens is nog steeds mogelijk wanneer hiervoor een andere grondslag wordt gebruikt. Het MCB-besluit kan zo’n grondslag zijn. Bij een dergelijke doorgifte met standaardbepalingen, moet de decentrale overheid een passende bescherming van de persoonsgegevens waarborgen. Deze bescherming dient in grote lijnen overeen te komen met het beschermingsniveau dat door Unierecht wordt vereist. Als sprake is van een ontoereikend beschermingsniveau, kan de decentrale overheid aanvullende maatregelen toevoegen aan de standaardbepalingen. Wanneer de beschermingsbepalingen niet worden nageleefd moet de doorgifte worden opgeschort of verboden.

Door

Monika Beck en Juliëtte Fredriksz, Kenniscentrum Europa decentraal

Horizontale samenwerking als uitzondering op de aanbestedingsplicht

juli 2020

Decentrale relevantie

De Aanbestedingswet 2012, waarin de bepalingen van Richtlijn 2014/24 zijn geïmplementeerd, biedt een uitzonderingsmogelijkheid op de aanbestedingsplicht als het gaat om horizontale samenwerking. Dit arrest verschaft decentrale overheden inzicht in de voorwaarden van horizontale samenwerking zoals neergelegd in artikel 12, lid 4 Richtlijn 14 (geïmplementeerd in artikel 2.24 c Aanbestedingswet 2012), en meer specifiek in het vereiste dat er sprake moet zijn van een bepaalde ‘samenwerking’. Samenwerkingsverbanden tussen decentrale overheden zullen volgens deze uitspraak alleen onder de uitzondering ‘horizontale samenwerking’ kunnen vallen wanneer iedere partij bijdraagt aan de samenwerking. Dit houdt in dat de deelnemende partijen gezamenlijk de wederzijdse behoeften en gemeenschappelijke strategie vastleggen en gezamenlijk hun taken van openbare diensten vervullen.

Introductie

Het Europese Hof van Justitie heeft op 2 juni 2020 een prejudiciële vraag beantwoord over publiek-publieke (in dit geval: horizontale) samenwerking, een vorm van samenwerking die is uitgezonderd van de aanbestedingsplicht. In dit arrest legt het Hof uit wanneer voldaan is aan de eisen van het begrip ‘samenwerking’ in het kader van horizontale samenwerkingen. Het Hof heeft bepaald dat, om te kunnen spreken van dergelijke samenwerking, alle partijen bij de samenwerkingsovereenkomst moeten bijdragen aan de uitvoering van de openbare diensten die zij verlenen. Dit houdt in dat de deelnemende partijen in de samenwerking de wederzijdse behoeften en gemeenschappelijke strategie vastleggen en gezamenlijk hun taken van openbare diensten vervullen. Wanneer de bijdrage van partijen enkel bestaat uit een kostenvergoeding, zoals in het hieronder besproken arrest het geval was, kan de overeenkomst niet kwalificeren als samenwerking in de zin van de uitzonderingsbepaling voor horizontale samenwerking.

Zaak

HvJ EU 4 juni 2020, C-429/19, ECLI:EU:C:2020:436 (Remondis)

Beleidsdossier en thematiek

Aanbestedingen

Feiten

Drie Duitse decentrale overheden hebben hun taak om het restafval op hun grondgebieden te verwerken, nuttig toe te passen of te verwijderen, toevertrouwd aan een door hen gecontroleerd samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft echter enkel de capaciteit om restafval te storten en beschikt niet over een installatie om restafval te verkrijgen en voor te bereiden voor storting. Daarom besteedt het samenwerkingsverband, dat als aanbestedende dienst fungeert, ongeveer 80% van de afvalbeheertaak uit aan particuliere ondernemingen. Voor de verwerking van de overgebleven 20% sluit het samenwerkingsverband een overeenkomst met een Duits bestuursdistrict.

Remondis, een particuliere onderneming, heeft een klacht ingediend tegen de overeenkomst tussen het samenwerkingsverband en het bestuursdistrict, welke volgens Remondis kwalificeert als een onrechtmatige onderhandse gunning.

Remondis stelt uiteindelijk beroep in bij de hoogste rechterlijke instantie van de betreffende deelstaat en voert aan dat betreffende situatie een overheidsopdracht betreft die had moeten worden toegewezen middels een aanbestedingsprocedure.

Rechtsvragen

De verwijzende Duitse rechter stelde de volgende prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie:

Moet artikel 12, lid 4, onder a), van [richtlijn 2014/24] aldus worden uitgelegd dat er reeds sprake is van samenwerking wanneer een aanbestedende dienst die binnen zijn territoriale bevoegdheidsgebied verantwoordelijk is voor de afvalverwerking, een volgens het nationale recht uitsluitend op hem rustende afvalverwerkingstaak die meerdere stappen omvat, niet geheel zelf uitvoert, maar aan een andere, onafhankelijke aanbestedende dienst, die op zijn territoriale bevoegdheidsgebied eveneens verantwoordelijk is voor de afvalverwerking, opdracht verleent tot het onder bezwarende titel verrichten van een van de vereiste verwerkingsstappen?

Uitspraak

De verwijzende Duitser rechter verzoekt het Europese Hof om te bepalen of er in dit geval sprake is van een publiek-publieke (horizontale) samenwerking tussen de aanbestedende diensten in de zin van artikel 12, lid 4 Richtlijn 2014/24, die als volgt luidt:

Artikel 12, lid 4 Richtlijn 2014/24

„Een opdracht die uitsluitend tussen twee of meer aanbestedende diensten wordt gegund valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn wanneer aan elk van de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a) de opdracht voorziet in of geeft uitvoering aan samenwerking tussen de deelnemende aanbestedende diensten om te bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij moeten uitvoeren, worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen;
b) de invulling van die samenwerking berust uitsluitend op overwegingen in verband met het openbaar belang, en
c) de deelnemende aanbestedende diensten nemen op de open markt niet meer dan 20% van de onder die samenwerking vallende activiteiten voor hun rekening.”

Samenwerking – geen loutere kostenvergoeding

Het Hof merkt allereerst op dat artikel 12 lid 4 het begrip ‘’samenwerking’’(waarvan overigens geen nadere definitie wordt gegeven in de richtlijn) centraal stelt. Het belang van samenwerking wordt volgens het Hof bevestigd in overweging 33, derde alinea van Richtlijn 2014/24 waarin is neergelegd dat de samenwerking gebaseerd moet zijn ‘op een samenwerkingswerkingsmodel’.

Daarom stelt het Hof dat het van wezenlijk belang is dat alle partijen bij een samenwerkingsovereenkomst gezamenlijk daaraan deelnemen. Volgens het Hof wordt deze voorwaarde niet vervuld wanneer de enige bijdrage van bepaalde partijen beperkt is tot het simpelweg vergoeden van de kosten. Het Hof stelt dat overweging 31 van de richtlijn deze uitleg van het begrip ‘samenwerking’ bevestigt, omdat hierin is neergelegd dat het enkele feit dat deelnemende partijen overheidsdiensten zijn niet tot gevolg heeft dat de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn.

Samenwerking – resultaat van samen genomen initiatief

Volgens het Hof moet het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst voortvloeien uit een samen genomen initiatief van overheidsdiensten (zie C-480/06). Bij een reguliere aanbestedingsprocedure ontbreekt deze wederzijdsheid, omdat een aanbestedende dienst eenzijdig de behoeften vastlegt in een bestek.

Aldus moeten aanbestedende diensten ook gezamenlijk vaststellen wat hun behoeften zijn en hoe aan deze behoeften kan worden voldaan. De samenwerking tussen overheidsinstanties moet daarom berusten op een gemeenschappelijke strategie en vereist dat de aanbestedende diensten hun inspanningen bundelen voor de verstrekking van openbare diensten.

Het Hof stelt dat in deze zaak de overeenkomst tussen het samenwerkingsverband en het bestuursdistrict geen enkele vorm van samenwerking omvat en slechts betrekking heeft op het verkrijgen van een dienst tegen betaling van een vergoeding. Als gevolg hiervan is er in casu sprake van een overheidsopdracht die niet onder het uitsluitingsartikel 12 lid 4 van Richtlijn 2014/24 voor horizontale samenwerking valt.

Door:

Melanie Klus, Kenniscentrum Europa decentraal

Kan een subsidieverstrekker een schadevergoeding vorderen van een kartel?

maart 2020

Maart 2020

Introductie

In deze zaak heeft het Europees Hof van Justitie een vraag beantwoord van een Oostenrijkse rechter. Ter discussie stond de vraag of een entiteit die indirect schade heeft geleden van een inbreuk op het kartelverbod (artikel 101 VWEU) deze schade vergoed kan krijgen. De zaak is relevant voor decentrale overheden omdat er sprake is van een publieke entiteit die subsidie heeft verstrekt aan gedupeerden van de kartelactiviteiten. (meer…)

Aan welke voorwaarden moet de publieke inspraak voor een milieueffectrapportage voldoen?

maart 2020

Introductie

Het Europese Hof van Justitie heeft op 7 november 2019 uitspraak gedaan over de door Griekse rechter gestelde prejudiciële vragen over de publieke inspraak bij een milieueffectrapportage. Hierbij gaat het Hof in op voorwaarden waaraan de procedure omtrent publieke inspraak moet voldoen. Daarnaast geeft het Hof antwoord op een tweede vraag over een nationale regeling over het instellen van een termijn van beroep. (meer…)

Airbnb is een informatiedienst en geen vastgoedmakelaarsdienst

januari 2020

  1. Introductie

Het Europese Hof van Justitie heeft op 19 december 2019 uitspraak gedaan op door de Franse rechter gestelde prejudiciële vragen aangaande de reikwijdte van het vrij verkeer van diensten. De Europese rechter geeft daarbij meer duidelijkheid inzake de kwalificatie van ‘diensten van de informatiemaatschappij’ (informatiedienst) en de mogelijkheid om regulerend op te treden ten aanzien van dit type diensten. Dit kan mogelijk gevolgen hebben voor de praktijk van Nederlandse decentrale overheden.

(meer…)