EUrrest
EUrrest

Is het hanteren van een vergunningsplicht voor kortstondige verhuur in overeenstemming met de Dienstenrichtlijn?

november 2020

Introductie

Het Europese Hof van Justitie beantwoordde zes prejudiciële vragen van de Franse rechter. De  vragen gingen over de toepassing van de Dienstenrichtlijn bij een vergunningsverplichting voor de kortstondige verhuur van woningen aan incidentele klanten. Het Europese Hof geeft in deze uitspraak duidelijkheid over het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn, het hanteren van een vergunningstelsel en welke eisen de Richtlijn stelt aan dit vergunningstelsel.

Zaak

HvJ EU 22 september 2020, C‑724/18 en C‑727/18, ECLI:EU:C:2020:743 (Cali Apartments)

Beleidsdossier en thematiek

Dienstenrichtlijn

Feiten

Cali Apartments en HX zijn beiden eigenaar van een éénkamerflat in Parijs die zij via een website tijdelijk verhuurden aan incidentele klanten. Hiervoor hadden zij geen vergunning, wat volgens een Franse wettelijke regeling wel verplicht is. De Franse openbaar aanklager dagvaardde hen daarom voor de rechter in kort geding. De rechter veroordeelde hen tot betaling van een geldboete en gelastte hen de betrokken panden weer te gebruiken voor bewoning.

Cali Apartments en HX stelden tegen deze arresten beroep in en daarna cassatieberoep. Bij de Franse Cour de cassation (de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) betoogden zij dat de arresten een schending opleveren van het beginsel van voorrang van EU-recht. Volgens de betogers is in de arresten niet vastgesteld of de nationale regeling, die een beperking van het vrije dienstenverkeer inhoudt, voldoet aan de voorwaarden van de Dienstenrichtlijn.

De Franse rechter twijfelde of de dienstenactiviteit die bedoeld wordt in de nationale regeling binnen de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123) valt. Mocht dat het geval zijn, dan wilde de Franse rechter weten of de regeling valt onder het begrip “vergunningstelsel” of onder het begrip “eis” van de Richtlijn. Om meer duidelijkheid hierover te krijgen werd de zaak geschorst en stelde de Franse rechter een aantal vragen aan het Europese Hof van Justitie.

Rechtsvragen

De verwijzende Franse rechter stelde de volgende vragen aan het Europese Hof:

  1. Is de Dienstenrichtlijn van toepassing op het herhaaldelijk kortstondig, niet-beroepsmatig, onder bezwarende titel verhuren van gemeubileerde woonruimte aan incidentele klanten die daar niet hun woonplaats kiezen?
  2. Als de Dienstenrichtlijn van toepassing is op die activiteit, vormt de betreffende Franse regeling dan een vergunningstelsel in de zin van artikel 9 tot en met 13 van de Richtlijn of is er sprake van een vereiste dat onder artikelen 14 en 15 van de Richtlijn valt?

Als het antwoord van het Europese Hof op vraag 2 luidt dat er sprake is van een vergunningstelsel, dan heeft de Franse rechter nog de volgende vragen over de betreffende artikelen van de Dienstenrichtlijn:

  1. Kan de bestrijding van het tekort aan huurwoningen als een “dwingende reden van algemeen belang” (artikel 9 lid 1 sub b Dienstenrichtlijn) worden ingeroepen die rechtvaardigt dat de betreffende activiteit genoemd in de eerste vraag is onderworpen aan een vergunningstelsel?
  2. Als dat het geval is, is de maatregel dan evenredig met het nagestreefde doel?

De Franse rechter heeft ook nog twee vragen met betrekking tot de criteria op de gehanteerde vergunningstelsels, zoals genoemd in artikel 10 lid 2 Dienstenrichtlijn:

  1. Verzetten de criteria “duidelijk en ondubbelzinnig” en “objectief” zich tegen een nationale maatregel die ‘herhaalde, kortstondige verhuur’ van gemeubileerde woonruimte aan ‘incidentele klanten die daar niet hun woonplaats kiezen’ aan een vergunning onderwerpt?
  2. Verzetten de criteria “duidelijk en ondubbelzinnig”, “objectief”, “vooraf openbaar bekendgemaakt” en “transparant en toegankelijk” zich tegen een vergunningstelsel waarbij vergunningsvoorwaarden na een procedure in de gemeenteraad bij besluit worden vastgesteld en waarbij rekening wordt gehouden met de betreffende woningmarkt?

Uitspraak Hof

Eerste en tweede vraag

Het antwoord van het Europese Hof op de eerste vraag over het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn luidt dat het verhuren van een onroerend goed moet worden aangemerkt als een activiteit die onder het begrip “dienst” valt, zoals gedefinieerd in artikel 4 punt 1 van de Richtlijn. De nationale regeling, die betrekking heeft op de herhaalde, kortstondige, zowel beroepsmatig als niet-beroepsmatig verhuur tegen vergoeding van gemeubileerde woonruimte aan incidentele klanten die daar niet hun woonplaats kiezen, valt daarmee onder het bereik van de Dienstenrichtlijn.

Op grond van de nationale regeling is het verplicht voor personen die een onroerend goed willen verhuren om een procedure te volgen bij een bevoegde instantie. Zij moeten van deze bevoegde instantie een formele beslissing krijgen die hun toegang tot de dienstenactiviteit verleent. Het antwoord op de tweede vraag is volgens het Europese Hof dan ook dat de nationale regeling een “vergunningstelsel” invoert.

Derde en vierde vraag

De Franse rechter stelde de derde en de vierde vraag om te achterhalen of het vergunningstelsel dat met de nationale regeling wordt ingevoerd gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de bestrijding van het tekort aan huurwoningen. De Franse rechter wilde ook weten of dit evenredig is met het nagestreefde doel. Volgens artikel 9 lid 1 van de Dienstenrichtlijn kan een dienstenactiviteit afhankelijk worden gesteld van een vergunningstelsel wanneer dit stelsel geen discriminerende werking heeft en gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Tevens moet het niet mogelijk zijn om het doel dat met dit vergunningstelsel wordt nagestreefd te bereiken met een minder beperkende maatregel.

Het Europese Hof merkt op dat de bescherming van het stedelijk milieu en doelstellingen van sociaal beleid al eerder door het Hof zijn erkend als dwingende redenen van algemeen belang. Op basis van de informatie van de Franse rechter en de studie van de Franse regering komt het Europese Hof tot de conclusie dat het betreffende vergunningstelsel gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang.

Tevens oordeelt het Europese Hof dat het vergunningstelsel evenredig is met het nagestreefde doel, omdat het niet met een minder beperkende maatregel kan worden bereikt. Zo zouden plaatselijke autoriteiten door het hanteren van een meldingssysteem met sancties slechts pas achteraf kunnen ingrijpen. Deze controle achteraf zou dan dus te laat komen om ook echt doeltreffend te zijn in het afremmen van het tekort aan woningen.

Vijfde en zesde vraag

De Franse rechter vraagt zich ten slotte ook af of de nationale regeling die het vergunningstelsel invoert voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 lid 2 Dienstenrichtlijn. Het Europese Hof concludeert dat het aan de rechter is om te bepalen of er in casu wordt voldaan aan de voorwaarden die in dat artikel worden gesteld. Het Europese Hof kan wel aanwijzingen geven die de nationale rechter in staat stelt om uitspraak te doen.

Dwingende reden van algemeen belang

Wat betreft de dwingende reden van algemeen belang verwijst het Europese Hof terug naar haar antwoord op de derde en vierde vraag, waarin zij concludeert dat er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. De Franse wetgever heeft in de nationale regeling ervoor gezorgd dat de plaatselijke autoriteiten deze reden moeten nastreven bij de concrete uitvoering van de regeling.

Evenredigheid

Het Europese Hof benoemt dat het bij het vereiste van evenredigheid vooral gaat om de mogelijkheid voor de betrokken Franse gemeenten om bovenop de verplichte vergunning een compensatie te eisen in de vorm van een verbouwing van het onroerend goed tot woonruimte. Hiervan wordt het kwantum bepaald door de gemeenteraad. Het Europese Hof stelt dat deze compensatieverplichting afgestemd moet zijn op de plaatselijke situatie. Bij het bepalen van het kwantum moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van  sociale diversiteit en het beperken van woningnood. Het Europese Hof bevestigt dat deze compensatieverplichting in beginsel een geschikt instrument is om de doelstellingen na te streven. De compensatie mag echter niet verder gaan dan noodzakelijk is om het doel te bereiken. De nationale rechter dient dit te beoordelen aan de hand van alle elementen waar het over beschikt, waarbij vooral studies of andere objectieve onderzoeken bruikbaar kunnen zijn. De nationale rechter moet rekening houden met de specifieke kenmerken van elke gemeente en met het feit dat kortstondige verhuur veel winstgevender is dan de verhuur van residentiële woonruimte. Daarbij moet de nationale rechter ook de voorschriften, die bepalen hoe de compensatieverplichting in de praktijk kan worden nagekomen, afwegen.

Duidelijkheid, ondubbelzinnigheid en objectiviteit

Wat betreft duidelijkheid, ondubbelzinnigheid en objectiviteit heeft het Europese Hof vastgesteld dat dit inhoudt dat de vergunningsvoorwaarden voor iedereen eenvoudig te begrijpen moeten zijn, door dubbelzinnige formuleringen te vermijden Het Europese Hof benadrukt dat het feit dat het betreffende begrip niet is afgebakend met numerieke drempels niet betekent dat de vereisten van duidelijkheid, ondubbelzinnigheid en objectiviteit zijn geschonden. Er moet wel worden nagegaan of de plaatselijke autoriteiten de met het betrokken begrip overeenstemmende termen duidelijk, ondubbelzinnig en objectief hebben gepreciseerd, zodat ze het begrip niet willekeurig kunnen toepassen.

Ook het feit dat de nationale wetgever een kader schept voor de wijze waarop een lokale autoriteit de vergunningsvoorwaarden moet bepalen, betekent in beginsel niet dat de vergunningsvoorwaarden onvoldoende duidelijk en objectief zijn. In de nationale regeling zijn namelijk de na te streven doelstellingen vastgelegd en de objectieve parameters aan de hand waarvan de plaatselijke autoriteiten de voorwaarden moeten bepalen.

Voorafgaande bekendmaking, transparantie en toegankelijkheid

Het Europese Hof benadrukt dat het bekendmaken van de verslagen van gemeenteraadszittingen op de gemeentelijke website volstaat ter vervulling van de bedoelde vereisten. Op deze manier kan iedere belanghebbende gemakkelijk nagaan of er een regeling bestaat die gevolgen kan hebben voor de toegang tot of de uitoefening van de betrokken activiteit.

Decentrale relevantie

In deze uitspraak bepaalde het Europese Hof van Justitie dat een vergunningsplicht voor herhaalde kortstondige verhuur aan incidentele klanten die daar niet hun woonplaats kiezen in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Zo bevestigt het Hof onder andere dat het terugdringen van het woningtekort een dwingende reden van algemeen belang is en dat het hanteren van een vergunningstelsel hierdoor gerechtvaardigd is.

Voor gemeenten is het dus mogelijk om kamer- en appartementenverhuur via websites zoals Airbnb aan banden te leggen door het hanteren van een vergunningstelsel dat voldoet aan de voorwaarden van de Dienstenrichtlijn.

Door

Laura Hollmann, Kenniscentrum Europa decentraal

Mag een prijs van nul euro in een aanbestedingsprocedure een automatische afwijzing opleveren?

oktober 2020

Introductie

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft prejudiciële vragen beantwoord van de Sloveense rechter. De zaak gaat over een aanbestedingsprocedure waarbij een offerte was ingediend met een prijs van nul euro. Deze uitspraak is relevant voor decentrale overheden omdat het duidelijkheid biedt over de toepassing van het veel bepalende begrip ‘overheidsopdracht’ en het daarin vallende element ‘overeenkomst onder bezwarende titel’. In de zaak zijn eveneens nadere regels gesteld voor het afwijzen van een offerte met een prijs van nul euro.

Zaak

HvJEU 10 september 2020, C-367/19, ECLI:EU:C:2020:685 (Tax-Fin-Lex)

Beleidsdossier en thematiek

Aanbesteden

Feiten

Het Sloveense Ministerie van Buitenlandse Zaken (de aanbestedende dienst) heeft op 7 juni 2018 de aankondiging van een opdracht gepubliceerd, met het oog op de gunning van een in twee percelen verdeelde overheidsopdracht. Deze opdracht betrof de toegang tot het systeem van juridische informatie voor een periode van 24 maanden. De geraamde waarde van deze opdracht was € 39 959,01. Daardoor ligt dit bedrag onder het Europese drempelbedrag voor diensten.

Het ministerie ontving voor het eerste perceel binnen de gestelde termijn slechts twee offertes. Hieronder bevond zich de offerte van de verzoekster in het hoofdgeding, Tax-Fin-Lex, die een prijs van nul euro had voorgesteld. Tax-Fin-Lex is een Sloveens juridisch-zakelijk portaal, gespecialiseerd in het uitgeven van juridische informatie. Tax-Fin-Lex werd op 11 januari 2019 bij besluit in kennis gesteld dat haar offerte voor perceel 1 was afgewezen en dat de aanbestedende dienst de opdracht aan de andere inschrijver had gegund. Het ministerie gaf als reden hiervoor dat de door Tax-Fin-Lex aangeboden prijs was gesteld op nul euro. Dit achtte het ministerie in strijd met de regels inzake overheidsopdrachten.

Tax-Fin-Lex stelde tegen dit besluit een verzoek tot herziening in, wat door het ministerie werd afgewezen. Het ministerie legde het geschil toen voor aan de verwijzende rechter, waar de herzieningsprocedure is begonnen.

Rechtsvragen

De verwijzende Sloveense rechter stelde de volgende vragen aan het Hof:

  1. Is er sprake van een ‘overeenkomst onder bezwarende titel’ in het geval dat de aanbestedende dienst geen enkele tegenprestatie hoeft te leveren, maar de ondernemer middels de uitvoering van de opdracht toegang tot een nieuwe markt en referenties verwerft?
  2. Kan of moet artikel 2, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/24 zo worden uitgelegd dat dit een rechtsgrondslag vormt voor afwijzing van een offerte met een prijs van nul euro?

Uitspraak Hof

Overeenkomst onder bezwarende titel

De verwijzende rechter twijfelde over de strekking van het begrip ‘overheidsopdracht’, met name over het element ‘overeenkomst onder bezwarende titel’. Volgens eerdere rechtspraak van het Hof wordt met de uitdrukking ‘onder bezwarende titel’ uit artikel 2, lid 1, punt 5 Richtlijn 2014/24 een overeenkomst bedoeld waarbij iedere partij zich ertoe verbindt een prestatie te leveren in ruil voor een tegenprestatie. De wederkerigheid van de overeenkomst, niet noodzakelijkerwijs de betaling van een geldsom, is dus een wezenlijk kenmerk van een overheidsopdracht. Het Hof bepaalde in het arrest dat een overeenkomst waarbij een aanbestedende dienst geen enkele tegenprestatie hoeft te leveren in ruil voor de tegenprestatie die de medecontractant zal uitvoeren, hierdoor niet valt onder het begrip ‘overeenkomst onder bezwarende titel’ in de zin van Richtlijn 2014/24.

De verwijzende rechter voerde ook aan dat het verkrijgen van die overeenkomst een economische waarde kan hebben voor de inschrijver, aangezien zij hem toegang tot een nieuwe markt zou geven, of hem in staat zou stellen referenties te verwerven. Dit is volgens het Hof echter te onzeker en kan daarom niet volstaan om die overeenkomst als ‘overeenkomst onder bezwarende titel’ aan te merken.

Toepasbaarheid van Richtlijn 2014/24

Er waren ook twijfels of het vereiste van ‘overeenkomst onder bezwarende titel’ een autonome rechtsgrondslag vormt voor de afwijzing van de offerte. Het Hof geeft aan in het arrest dat het begrip ‘overheidsopdracht’ alleen wordt gedefinieerd om te bepalen of er sprake is van Richtlijn 2014/24. Deze richtlijn is namelijk alleen van toepassing op overheidsopdrachten waarvan de geraamde waarde niet lager is dan de in artikel 4 van die richtlijn vastgestelde drempels.

Offerte met een prijs van nul euro

Een offerte met een prijs van nul euro kan worden aangemerkt als een abnormaal lage inschrijving in de zin van artikel 69 van Richtlijn 2014/24. Om deze reden moet een aanbestedende dienst in zulke omstandigheden, dus wanneer hij met een dergelijke offerte wordt geconfronteerd, de procedure van die bepaling volgen en de inschrijver verzoeken het bedrag van de offerte nader toe te lichten. De inschrijving kan namelijk niet automatisch worden afgewezen slechts om de reden dat er een prijs van nul euro is voorgesteld.

Het argument van de inschrijver waarom hij de prijs van nul euro heeft aangevoerd, dient dan ook te worden beoordeeld in de context van een eventuele toepassing van artikel 69 van Richtlijn 2014/24. De aanbestedende dienst moet bovendien bij deze beoordeling de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, en van transparantie en proportionaliteit in acht nemen, op grond van artikel 18 lid 1 van Richtlijn 2014/24

Het Hof concludeert in het arrest dat artikel 2, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/24 zo moet worden uitgelegd dat het geen rechtsgrondslag biedt om de offerte van een inschrijver in het kader van een openbare aanbestedingsprocedure af te wijzen, op de enkele grond dat de in de offerte voorgestelde prijs nul euro bedraagt.

Decentrale relevantie

Richtlijn 2014/24 en de Aanbestedingswet 2012 hebben het begrip overheidsopdracht gedefinieerd. Een overheidsopdracht is een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die tussen één of meer ondernemers en één of meer aanbestedende diensten is gesloten en heeft betrekking op de uitvoering van werken, de levering van producten of de verlening van diensten. Uit dit arrest volgt dat er bij een overheidsopdracht, met name vanwege het element ‘overeenkomst onder bezwarende titel’, is vereist dat er een tegenprestatie wordt geleverd door iedere partij. De uitspraak biedt dus enige duidelijkheid voor decentrale overheden die optreden als aanbestedende dienst. Bovendien verschaft dit arrest inzicht aan decentrale overheden op welke wijze zij dienen op te treden wanneer het in een aanbestedingsprocedure om een offerte met een prijs van nul euro gaat.

Door

Evelien van Buuren, Kenniscentrum Europa decentraal

Privacy shield voor doorgifte van gegevens aan de verenigde staten ongeldig verklaard

september 2020

INTRODUCTIE

In deze zaak heeft het Europese Hof van Justitie een prejudiciële vraag beantwoord van een Ierse rechter. De vraag gaat over de geldigheid van besluiten die doorgifte van persoonsgegevens aan de Verenigde Staten (en andere derde landen) mogelijk maken. De zaak is relevant voor decentrale overheden omdat na het arrest doorgifte van persoonsgegevens naar de Verenigde Staten op grond van het Privacy Shield niet meer mogelijk is. Ook worden er nadere regels gesteld voor de toepassing van standaardcontractbepalingen bij doorgifte van gegevens aan derde landen op basis van het MCB-besluit.

ZAAK

HvJ EU 16 juli 2020, C-311/18, ECLI:EU:C:2020:559, (Data Protection Commissioner/Facebook Ireland and Maximilian Schrems)

BELEIDSDOSSIER EN THEMATIEK

Informatiemaatschappij, Privacy

FEITEN

De Oostenrijkse Maximilian Schrems is van mening dat Facebook Ireland zijn persoonsgegevens niet mag doorgeven aan de moederonderneming Facebook Inc. in de Verenigde Staten. Volgens Schrems is er in de Verenigde Staten sprake van ontoereikende bescherming van de gegevens. Schrems dient daarom een klacht in bij de Ierse toezichthoudende autoriteit waarin hij verzoekt om het opschorten of verbieden van de doorgifte van gegevens. Deze doorgifte is gebaseerd op standaardbepalingen inzake gegevensbescherming uit de bijlage bij besluit 2010/87 (MCB-besluit) van de Europese Commissie. De standaardbepalingen worden opgenomen in overeenkomsten met betrekking tot de doorgifte van gegevens, zodat er voldoende waarborgen worden geboden ter bescherming van deze gegevens.

De Ierse toezichthoudende autoriteit is van oordeel dat het voor de behandeling van de klacht van Schrems vooral relevant is of het Europese MCB-besluit hier geldig is. De toezichthoudende autoriteit wendt zich daarom tot de Ierse rechter in eerste aanleg (de High Court) en verzoekt de rechter om het Europese Hof een vraag te stellen. Op 4 mei 2018 heeft de High Court de zaak prejudicieel verwezen naar het Hof.

Na het aanhangig maken van de zaak heeft de Europese Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 gepubliceerd. In dit adequaatheidsbesluit werd vastgesteld dat het EU-VS Privacy Shield een passend niveau aan bescherming bood voor de doorgifte van persoonsgegevens van de EU naar de VS. Gegevens konden daarmee ook uitgewisseld worden met organisaties uit de Verenigde Staten die zich aansloten bij de gegevensbeschermingsprincipes van het Privacy Shield. Omdat zowel het MCB-besluit als het Privacy Shield een grondslag voor doorgifte van gegevens aan organisaties in de Verenigde Staten bieden, stelde de High Court daarom ook over de uitvoeringsverordening een prejudiciële vraag.

RECHTSVRAGEN

De Ierse High Court stelde de volgende vragen aan het Europese Hof:

  • Valt de doorgifte van persoonsgegevens door een onderneming in een lidstaat naar een onderneming in een derde land, binnen de werkingssfeer van de AVG, wanneer de autoriteiten van het derde land deze gegevens kunnen inzien ten behoeve van openbare veiligheid, defensie of veiligheid van de staat?
  • Wat is het door de AVG vereiste beschermingsniveau voor doorgifte van gegevens naar een derde land op basis van standaardbepalingen? En aan de hand van welke aspecten moet het beschermingsniveau worden beoordeeld?
  • Moeten bevoegde toezichthoudende autoriteiten de doorgifte naar derde landen op basis van standaardbepalingen opschorten of verbieden wanneer de autoriteit van oordeel is dat het derde land niet voldoet aan het door de EU vereiste beschermingsniveau voor persoonsgegevens?
  • Is het MCB-besluit geldig?
  • In hoeverre waarborgt het Privacy Shield een passend beschermingsniveau voor gegevens die aan de Verenigde Staten worden doorgegeven?

UITSPRAAK HOF

TOEPASSING AVG

Het Hof heeft in het arrest bepaald dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing is in gevallen van de doorgifte van persoonsgegevens met commerciële doeleinden naar een derde land. Het feit dat autoriteiten van het derde land de gegevens kunnen inzien ten behoeve van openbare veiligheid, defensie of veiligheid van de staat doet hier niet aan af.

BESCHERMINGSNIVEAU IN STANDAARDBEPALINGEN

Het Hof heeft een beschermingsniveau vastgesteld voor de doorgifte van gegevens met gebruik van standaardbepalingen. De geboden bescherming moet volgens het Hof in grote lijnen overeenkomen met het beschermingsniveau dat in het Unierecht wordt gewaarborgd. Het gaat met name om de beschermingsbepalingen uit de AVG en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De gegevensexporteur die in de Europese Unie is gevestigd, heeft de verplichting na te gaan of het vereiste beschermingsniveau in acht wordt genomen in het derde land. Is dit niet het geval, dan kan de exporteur aanvullende maatregelen toevoegen aan de standaardbepalingen voor een toereikende bescherming. Voor de Verenigde Staten heeft het Hof in het arrest geoordeeld dat er geen sprake is van een voldoende overeenkomend beschermingsniveau. Dit houdt in dat bij doorgifte aan de Verenigde Staten, per geval moet worden beoordeeld of er voldoende bescherming is, en zo niet, of dit tekort met aanvullende maatregelen kan worden opgelost.

Wanneer er sprake is van ontoereikende bescherming bij een doorgifte aan een derde land, kunnen toezichthoudende autoriteiten ingrijpen. Volgens het Hof zijn deze autoriteiten verplicht om een doorgifte op te schorten of te verbieden wanneer zij van oordeel zijn dat de doorgifte niet voldoet aan het vereiste beschermingsniveau.

GELDIGHEID MCB-BESLUIT

Voor het MCB-besluit heeft het Hof bepaald dat dit geldig is. Het besluit biedt namelijk voldoende doeltreffende mechanismen voor het waarborgen van een passend beschermingsniveau. Een van deze mechanismen is de verplichting van de gegevensexporteur om na te gaan of het beschermingsniveau in acht wordt genomen in het derde land. De exporteur moet beoordelen of het derde land bescherming biedt die in grote lijnen overeenkomt met het beschermingsniveau dat wordt geboden in Unierecht. Daarnaast kan de exporteur ook aanvullende maatregelen stellen en overeenkomsten opschorten of beëindigen bij ontoereikende bescherming.

GELDIGHEID PRIVACY SHIELD

Tot slot heeft het Hof het Privacy Shield tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten ongeldig verklaard. Volgens het Hof zijn de beperkingen op de bescherming van gegevens van EU-burgers in de Verenigde Staten niet genoeg afgebakend. De Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen namelijk op grond van interne regelingen toegang krijgen tot, en gebruik maken van gegevens die zijn doorgegeven op basis van het Privacy Shield. Deze toegang is niet beperkt tot strikt noodzakelijke gevallen en komt daarom niet overeen met het Europese evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel bepaalt dat beperkingen op het recht op bescherming van persoonsgegevens alleen toegestaan zijn in noodzakelijke gevallen, waarbij wordt beantwoord aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of ter bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

DECENTRALE RELEVANTIE

Na dit arrest is het voor decentrale overheden niet meer mogelijk om gegevens door te geven aan organisaties in de Verenigde Staten op basis van het Privacy Shield. Doorgifte van persoonsgegevens is nog steeds mogelijk wanneer hiervoor een andere grondslag wordt gebruikt. Het MCB-besluit kan zo’n grondslag zijn. Bij een dergelijke doorgifte met standaardbepalingen, moet de decentrale overheid een passende bescherming van de persoonsgegevens waarborgen. Deze bescherming dient in grote lijnen overeen te komen met het beschermingsniveau dat door Unierecht wordt vereist. Als sprake is van een ontoereikend beschermingsniveau, kan de decentrale overheid aanvullende maatregelen toevoegen aan de standaardbepalingen. Wanneer de beschermingsbepalingen niet worden nageleefd moet de doorgifte worden opgeschort of verboden.

Door

Monika Beck en Juliëtte Fredriksz, Kenniscentrum Europa decentraal

Horizontale samenwerking als uitzondering op de aanbestedingsplicht

juli 2020

Decentrale relevantie

De Aanbestedingswet 2012, waarin de bepalingen van Richtlijn 2014/24 zijn geïmplementeerd, biedt een uitzonderingsmogelijkheid op de aanbestedingsplicht als het gaat om horizontale samenwerking. Dit arrest verschaft decentrale overheden inzicht in de voorwaarden van horizontale samenwerking zoals neergelegd in artikel 12, lid 4 Richtlijn 14 (geïmplementeerd in artikel 2.24 c Aanbestedingswet 2012), en meer specifiek in het vereiste dat er sprake moet zijn van een bepaalde ‘samenwerking’. Samenwerkingsverbanden tussen decentrale overheden zullen volgens deze uitspraak alleen onder de uitzondering ‘horizontale samenwerking’ kunnen vallen wanneer iedere partij bijdraagt aan de samenwerking. Dit houdt in dat de deelnemende partijen gezamenlijk de wederzijdse behoeften en gemeenschappelijke strategie vastleggen en gezamenlijk hun taken van openbare diensten vervullen.

Introductie

Het Europese Hof van Justitie heeft op 2 juni 2020 een prejudiciële vraag beantwoord over publiek-publieke (in dit geval: horizontale) samenwerking, een vorm van samenwerking die is uitgezonderd van de aanbestedingsplicht. In dit arrest legt het Hof uit wanneer voldaan is aan de eisen van het begrip ‘samenwerking’ in het kader van horizontale samenwerkingen. Het Hof heeft bepaald dat, om te kunnen spreken van dergelijke samenwerking, alle partijen bij de samenwerkingsovereenkomst moeten bijdragen aan de uitvoering van de openbare diensten die zij verlenen. Dit houdt in dat de deelnemende partijen in de samenwerking de wederzijdse behoeften en gemeenschappelijke strategie vastleggen en gezamenlijk hun taken van openbare diensten vervullen. Wanneer de bijdrage van partijen enkel bestaat uit een kostenvergoeding, zoals in het hieronder besproken arrest het geval was, kan de overeenkomst niet kwalificeren als samenwerking in de zin van de uitzonderingsbepaling voor horizontale samenwerking.

Zaak

HvJ EU 4 juni 2020, C-429/19, ECLI:EU:C:2020:436 (Remondis)

Beleidsdossier en thematiek

Aanbestedingen

Feiten

Drie Duitse decentrale overheden hebben hun taak om het restafval op hun grondgebieden te verwerken, nuttig toe te passen of te verwijderen, toevertrouwd aan een door hen gecontroleerd samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft echter enkel de capaciteit om restafval te storten en beschikt niet over een installatie om restafval te verkrijgen en voor te bereiden voor storting. Daarom besteedt het samenwerkingsverband, dat als aanbestedende dienst fungeert, ongeveer 80% van de afvalbeheertaak uit aan particuliere ondernemingen. Voor de verwerking van de overgebleven 20% sluit het samenwerkingsverband een overeenkomst met een Duits bestuursdistrict.

Remondis, een particuliere onderneming, heeft een klacht ingediend tegen de overeenkomst tussen het samenwerkingsverband en het bestuursdistrict, welke volgens Remondis kwalificeert als een onrechtmatige onderhandse gunning.

Remondis stelt uiteindelijk beroep in bij de hoogste rechterlijke instantie van de betreffende deelstaat en voert aan dat betreffende situatie een overheidsopdracht betreft die had moeten worden toegewezen middels een aanbestedingsprocedure.

Rechtsvragen

De verwijzende Duitse rechter stelde de volgende prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie:

Moet artikel 12, lid 4, onder a), van [richtlijn 2014/24] aldus worden uitgelegd dat er reeds sprake is van samenwerking wanneer een aanbestedende dienst die binnen zijn territoriale bevoegdheidsgebied verantwoordelijk is voor de afvalverwerking, een volgens het nationale recht uitsluitend op hem rustende afvalverwerkingstaak die meerdere stappen omvat, niet geheel zelf uitvoert, maar aan een andere, onafhankelijke aanbestedende dienst, die op zijn territoriale bevoegdheidsgebied eveneens verantwoordelijk is voor de afvalverwerking, opdracht verleent tot het onder bezwarende titel verrichten van een van de vereiste verwerkingsstappen?

Uitspraak

De verwijzende Duitser rechter verzoekt het Europese Hof om te bepalen of er in dit geval sprake is van een publiek-publieke (horizontale) samenwerking tussen de aanbestedende diensten in de zin van artikel 12, lid 4 Richtlijn 2014/24, die als volgt luidt:

Artikel 12, lid 4 Richtlijn 2014/24

„Een opdracht die uitsluitend tussen twee of meer aanbestedende diensten wordt gegund valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn wanneer aan elk van de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

a) de opdracht voorziet in of geeft uitvoering aan samenwerking tussen de deelnemende aanbestedende diensten om te bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij moeten uitvoeren, worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen;
b) de invulling van die samenwerking berust uitsluitend op overwegingen in verband met het openbaar belang, en
c) de deelnemende aanbestedende diensten nemen op de open markt niet meer dan 20% van de onder die samenwerking vallende activiteiten voor hun rekening.”

Samenwerking – geen loutere kostenvergoeding

Het Hof merkt allereerst op dat artikel 12 lid 4 het begrip ‘’samenwerking’’(waarvan overigens geen nadere definitie wordt gegeven in de richtlijn) centraal stelt. Het belang van samenwerking wordt volgens het Hof bevestigd in overweging 33, derde alinea van Richtlijn 2014/24 waarin is neergelegd dat de samenwerking gebaseerd moet zijn ‘op een samenwerkingswerkingsmodel’.

Daarom stelt het Hof dat het van wezenlijk belang is dat alle partijen bij een samenwerkingsovereenkomst gezamenlijk daaraan deelnemen. Volgens het Hof wordt deze voorwaarde niet vervuld wanneer de enige bijdrage van bepaalde partijen beperkt is tot het simpelweg vergoeden van de kosten. Het Hof stelt dat overweging 31 van de richtlijn deze uitleg van het begrip ‘samenwerking’ bevestigt, omdat hierin is neergelegd dat het enkele feit dat deelnemende partijen overheidsdiensten zijn niet tot gevolg heeft dat de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn.

Samenwerking – resultaat van samen genomen initiatief

Volgens het Hof moet het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst voortvloeien uit een samen genomen initiatief van overheidsdiensten (zie C-480/06). Bij een reguliere aanbestedingsprocedure ontbreekt deze wederzijdsheid, omdat een aanbestedende dienst eenzijdig de behoeften vastlegt in een bestek.

Aldus moeten aanbestedende diensten ook gezamenlijk vaststellen wat hun behoeften zijn en hoe aan deze behoeften kan worden voldaan. De samenwerking tussen overheidsinstanties moet daarom berusten op een gemeenschappelijke strategie en vereist dat de aanbestedende diensten hun inspanningen bundelen voor de verstrekking van openbare diensten.

Het Hof stelt dat in deze zaak de overeenkomst tussen het samenwerkingsverband en het bestuursdistrict geen enkele vorm van samenwerking omvat en slechts betrekking heeft op het verkrijgen van een dienst tegen betaling van een vergoeding. Als gevolg hiervan is er in casu sprake van een overheidsopdracht die niet onder het uitsluitingsartikel 12 lid 4 van Richtlijn 2014/24 voor horizontale samenwerking valt.

Door:

Melanie Klus, Kenniscentrum Europa decentraal

Kan een subsidieverstrekker een schadevergoeding vorderen van een kartel?

maart 2020

Maart 2020

Introductie

In deze zaak heeft het Europees Hof van Justitie een vraag beantwoord van een Oostenrijkse rechter. Ter discussie stond de vraag of een entiteit die indirect schade heeft geleden van een inbreuk op het kartelverbod (artikel 101 VWEU) deze schade vergoed kan krijgen. De zaak is relevant voor decentrale overheden omdat er sprake is van een publieke entiteit die subsidie heeft verstrekt aan gedupeerden van de kartelactiviteiten. (meer…)

Aan welke voorwaarden moet de publieke inspraak voor een milieueffectrapportage voldoen?

maart 2020

Introductie

Het Europese Hof van Justitie heeft op 7 november 2019 uitspraak gedaan over de door Griekse rechter gestelde prejudiciële vragen over de publieke inspraak bij een milieueffectrapportage. Hierbij gaat het Hof in op voorwaarden waaraan de procedure omtrent publieke inspraak moet voldoen. Daarnaast geeft het Hof antwoord op een tweede vraag over een nationale regeling over het instellen van een termijn van beroep. (meer…)

Airbnb is een informatiedienst en geen vastgoedmakelaarsdienst

januari 2020

  1. Introductie

Het Europese Hof van Justitie heeft op 19 december 2019 uitspraak gedaan op door de Franse rechter gestelde prejudiciële vragen aangaande de reikwijdte van het vrij verkeer van diensten. De Europese rechter geeft daarbij meer duidelijkheid inzake de kwalificatie van ‘diensten van de informatiemaatschappij’ (informatiedienst) en de mogelijkheid om regulerend op te treden ten aanzien van dit type diensten. Dit kan mogelijk gevolgen hebben voor de praktijk van Nederlandse decentrale overheden.

(meer…)