Juridische onderbouwing InstaGreen

Hergebruik overheidsinformatie

De EU Richtlijn hergebruik overheidsinformatie (Engels: Public Sector Information Directive, ofwel PSI-Richtlijn), die in 2013 is herzien en op 18 juli 2015 in Nederlandse wetgeving is omgezet, verplicht medeoverheden om openbare overheidsinformatie – gratis of tegen een kleine vergoeding – beschikbaar te stellen voor hergebruik aan bedrijven en burgers. Zo kan overheidsinformatie hergebruikt worden in de commerciële sector, door burgers en bedrijven.

DG Communicatienetwerken, Inhoud en Technologie (DG Connect) stelt als beleidsdoel dat overheidsinformatie bij moet dragen aan het stimuleren van innovatief ondernemerschap. Dit kan leiden tot meer banen en economische groei. Om dit grote, economische potentieel nog beter te benutten, heeft de Europese Commissie de PSI-richtlijn opgesteld. De richtlijn ligt volledig in lijn met de Europa2020-strategie, die als doel heeft om ‘van de EU een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken met een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en sociale cohesie’.

Met de PSI-richtlijn ontstaat echter samenloop met minimaal zes sets van Europese regelgeving van verschillende DG’s. Wanneer een gemeente een verzoek krijgt tot hergebruik van overheidsinformatie, moet zij om te beoordelen of en hoe de informatie beschikbaar kan worden gesteld wettelijke regels toepassen die hun oorsprong vinden in verschillende richtlijnen. Met de komst van deze PSI-richtlijn ervaren steden en andere medeoverheden veel onduidelijkheden en administratieve lasten. Het beschikbaar stellen van overheidsinformatie lijkt complexer en ingewikkelder geworden doordat het toepassingsbereik van de richtlijn is uitgebreid.

Dit illustreren we aan de hand van een voorbeeld:

  1. Martha, woonachtig in de gemeente X, heeft een eigen e-onderneming. Het bedrijf werkt met een unieke formule waarbij consumenten op de website kunnen aangeven welke apps zij ontwikkeld willen hebben.
  2. De laatste tijd krijgt zij veel verzoeken van consumenten die graag een app willen hebben, die aangeeft waar in de stad ‘groene’ natuurparken te vinden zijn.
  3. Martha besluit om een app te ontwikkelen: InstaGreen. Met deze app kunnen gebruikers, door middel van gedetailleerde kaarten en emissiegegevens, zoeken naar de meest ‘groene’ plek in hun omgeving voor recreatieve doeleinden. Deze app wil zij te koop aanbieden.
  4. Om InstaGreen te ontwikkelen heeft Martha gegevens nodig van gemeente X over bijvoorbeeld de ligging van groene parken, luchtkwaliteit, veiligheid, toegankelijkheid (openbaar of niet) en de ligging van picknicktafels. Daarom wil zij toegang tot de (milieu) databank van de gemeente.
  5. Martha dient een verzoek in bij de gemeente om de benodigde gegevens digitaal aangeleverd te krijgen. Zo kan zij deze hergebruiken voor zijn app. Om Martha’s verzoek te kunnen behandelen, moet gemeente X een aantal complexe vragen beantwoorden:
  6. De gemeente krijgt het verzoek van Martha tot inzage (en gebruik) van overheidsinformatie met betrekking tot het milieu binnen en oordeelt hierover. Ze gaat na onder welk wettelijk kader het verzoek moet worden beoordeeld. Martha’s verzoek zou kunnen vallen onder de reikwijdte van onder andere de PSI-richtlijn en de Richtlijn omtrent toegang tot milieuinformatie (DG ENVI). Belangrijk hierbij is dat het moet gaan om informatie die al openbaar is gemaakt.
  7. Om te beoordelen of de PSI-richtlijn van toepassing is, moet de gemeente onder andere nagaan of zij een ‘openbaar lichaam’ is. De definitie van deze term in de PSI-richtlijn is ontleend aan de term ‘aanbestedende dienst’ uit de Europese aanbestedingsrichtlijnen (DG Growth).
  8. De gemeente moet hierna nagaan of de gevraagde informatie wel aan Martha mag worden verstrekt. Op grond van de PSI-richtlijn dienen gemeenten in principe een verzoek om informatieverstrekkingverstrekking toe te wijzen. Er zijn echter enkele gronden waarop het verzoek afgewezen moet worden. Om te bepalen of de informatie openbaar gemaakt mag worden of dat Martha’s verzoek moet worden afgewezen, moet de gemeente onder andere kijken of:
    • de intellectuele eigendomsrechten van de betreffende gegevens berusten bij derden;
    • de data openbare persoonsgegevens bevatten die niet bedoeld zijn voor hergebruik.
  9. Hiervoor moet de gemeente verschillende sets van regels raadplegen, die allemaal hun oorsprong in Europa vinden: over intellectueel eigendom en auteursrecht (DG CONNECT), databankenrecht (DG Interne markt) en privacy regels (DG Justitie).
  10. Als de gemeente de informatie mag verstrekken, dan zal zij de gevraagde gegevens bij de verschillende gemeentelijke afdelingen, diensten en het archief opvragen.
  11. Niet alle opgevraagde informatie is digitaal beschikbaar, terwijl de gemeente een verplichting heeft om het volgens de PSI-richtlijn in een machinaal leesbaar formaat aan te leveren. De gemeentelijke dienst huurt personeel in om deze informatie om te zetten in digitale stukken.
  12. De gemeente gaat na of zij kopieer- en loonkosten in rekening mag brengen. Volgens de PSI-richtlijn mogen enkel de marginale verstrekkingskosten gerekend worden door de gemeente. Maar uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EU én uit de Richtlijn toegang tot milieu-informatie blijkt dat overheden ‘redelijke’ kosten in rekening mogen brengen. Deze begrippen lopen uiteen en zijn verschillend van aard en strekking.

Concluderend:

  • Door de herziene PSI-richtlijn ontstaat samenloop met diverse en uiteenlopende sets van Europese regelgeving van verschillende DG’s, waardoor de uitvoering in de praktijk voor lokale en regionale overheden ingewikkeld kan zijn.
  • De doelstellingen van bepaalde regels zijn soms tegenstrijdig. De PSI-richtlijn kan in de praktijk lastig uitvoerbaar zijn.
  • Terminologie die wordt gebruikt in de PSI-richtlijn is mede afgeleid uit het aanbestedingsregime wat de interpretatie bemoeilijkt.
X