Juridische onderbouwing Local4Local

Lokale afzet van landbouwproducten en de interne markt

Europa wil de afzet van lokale landbouwproducten in nabijgelegen steden stimuleren (lokale voorzieningsketens, of local supply chains). Dit is dan ook een beleidsdoel van DG Landbouw. Lokale distributie van landbouwproducten draagt immers bij aan de verduurzaming van de landbouwsector, versteviging van de lokale economie, versterking van ondernemerschap en verbetering van het milieu.

Ook lokale en regionale overheden omarmen dit beleid. Zij zoeken een manier om deze local supply chains te stimuleren, bijvoorbeeld door middel van het verstrekken van subsidies aan lokale agrariërs. Omdat er dan met overheidsgeld steun wordt verleend aan een onderneming, moeten lokale en regionale overheden de staatssteunregels toepassen. Binnen deze regels gelden diverse uitzonderingen en vrijstellingen, waardoor de overheid steun kan verlenen zonder dat dit oneerlijke concurrentie op de Europese interne markt veroorzaakt. Een vrijstellingsmogelijkheid brengt mee dat er geen lange en zware staatssteunprocedures gevolgd hoeven te worden; een lichte steunprocedure volstaat dan.

Hier mogen overheden echter geen gebruik van maken wanneer de te verlenen subsidie afhangt van het gebruik van binnenlandse producten in plaats van ingevoerde producten. Vanuit staatssteunoptiek gezien, zou dat namelijk oneerlijke concurrentie met boeren uit andere lidstaten tot gevolg kunnen hebben. Voor lokale voorzieningsketens maken de staatssteunregels wel een uitzondering, maar het toegestane subsidiebedrag moet worden beperkt tot steun voor advieskosten die worden gemaakt om de lokale voorzieningenketen ingericht te krijgen.

Daardoor moeten overheden voor relatief kleinschalige subsidiebedragen een langdurige en administratief zware aanmeldprocedure volgen. Deze procedure dienen zij te volgen bij DG Landbouw, hetzelfde DG dat beleid heeft gemaakt om local supply chains te bevorderen.

Dit illustreren we aan de hand van een voorbeeld:

  1. Appelboer Johan in provincie X teelt appels. Deze appels worden wekelijks vervoerd naar de veiling, die 100 kilometer verderop ligt. De wens van de boer is om zijn teelt óók af te zetten in zijn eigen regio.
  2. Appelboer Johan is op dit moment belast met het beheer van de productie van appels en de contacten met de veiling. Hij heeft de tijd en de middelen niet om een omslag in zijn productieprocessen op gang te zetten. De kosten voor zo’n omslag bedragen minimaal € 10.000,-.
  3. Provincie X wil, net als DG Landbouw, local supply chains stimuleren. De provincie wil een subsidieregeling opstellen om de afzet van landbouwproducten in de nabijgelegen gebieden te bevorderen. Via deze subsidieregeling kunnen boeren subsidie aanvragen voor het inwinnen van extern advies.
  4. Appelboer Johan heeft behoefte aan externe ondersteuning en vraagt subsidie aan bij de provincie om een adviseur in te huren. Deze adviseur kan hem helpen bij het aanpassen van de productieprocessen, waardoor er een omslag kan plaatsvinden en hij een nieuwe keten met boeren in de regio en met ondernemers en consumenten in de stad op kan zetten.
  5. De staatssteunregels zijn hier van toepassing. Normaal gesproken zouden kleine bedragen op basis van de de-minimisvrijstelling kunnen worden verleend. Een staatssteunprocedure is dan niet nodig. Maar ook daarin is de bepaling over binnenlandse producten opgenomen. Daar kan de provincie dus geen gebruik van maken. Er doen zich twee mogelijkheden voor:

Optie 1:

  1. Als de provincie een zware staatssteunprocedure wil vermijden en gebruik wil maken van een vrijstellingsmogelijkheid, mag er volgens artikel 4 uit de MKB Landbouwvrijstelling maximaal € 1.500,- aan subsidie per agrariër worden verstrekt.
  2. Het voordeel is dat de provincie dan kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure bij DG Landbouw van de Europese Commissie.
  3. Binnen tien werkdagen ontvangt de provincie al een reactie van DG Landbouw.
  4. Daarna kan de subsidieregeling direct worden uitgevoerd.
  5. Met dit bedrag kan appelboer Johan echter geen externe adviseur inhuren die hem kan ondersteunen bij het aanpassen van de productieprocessen, omdat dit bedrag niet toereikend is.

Optie 2:

  1. Als de provincie meer subsidie wil verlenen dan € 1.500,- per agrariër, is een vrijstelling niet mogelijk vanwege het verbod op het verlenen van subsidies aan projecten waarbij alleen binnenlandse producten worden gebruikt.
  2. De provincie moet daarom een aanmelding doen op basis van specifieke regelgeving, namelijk de Richtsnoeren voor staatssteun aan de landbouw. De aanmeldprocedure kan maar liefst drie tot achttien maanden in beslag nemen.
  3. Hier komt bij dat de Europese Commissie met de herziening van de staatssteunregels in 2014 duidelijk heeft aangegeven dat zij voortaan wil focussen op de grote, concurrentieverstorende zaken. Een aanmelding van deze relatief kleinschalige subsidieregeling is vanuit dat oogpunt ook niet wenselijk.
  4. Zolang de aanmeldprocedure nog loopt, gelden bovendien de standstill-bepalingen conform het Europese staatssteunrecht. Dit betekent dat de provincie de steun niet mag verlenen totdat de Europese Commissie een besluit heeft genomen.
  5. Zowel de provincie als de appelboer dienen de beschikking van de Europese Commissie af te wachten. Appelboer Johan kan dus niet direct overgaan tot het inhuren van de externe adviseur. Dit bemoeilijkt de praktische uitwerking van het beleid omtrent local supply chains. Omdat de tijd en kosten om een subsidieregeling mogelijk te maken niet in verhouding zijn met de omvang van het bedrag dat verstrekt kan worden, ziet de provincie af van de regeling. Appelboer Johan kan hierdoor geen aanspraak maken op een subsidie, waardoor de productieprocessen in zijn boerderij onveranderd zullen blijven. Appelboer Johan blijft zijn appels leveren aan de veiling 100 kilometer verderop.

Concluderend:

  • Overheden hebben te maken met beleidsdoelen en regelgeving. Het beleid van DG Landbouw sluit niet goed aan op de regels van hetzelfde DG. Door de regels wordt het voor de provincie moeilijk om haar eigen beleidsdoelen alsook de Europese doelen te bereiken.
  • Het kost de provincie veel tijd, geld en energie om de aanmeldprocedure te volgen. Deze procedure kan drie tot achttien maanden in beslag nemen. Daar tegenover staat een klein bedrag waar de provincie X appelboer Johan mee kan ondersteunen. Dit wordt als disproportioneel ervaren.
X