Zoeken

ALTIJD OP DE HOOGTE?

Welke ontwikkelingen in de EU zijn van belang voor gemeenten, provincies en waterschappen? En wat betekent dat voor de dagelijkse praktijk?

EU-Hof onderstreept dat aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op juridische diensten

11 juni 2019

Overheden zijn niet verplicht de Europese aanbestedingsregels toe te passen bij het inschakelen van juridische dienstverlening. Het Europese Hof van Justitie stelt dat juridische diensten terecht worden uitgesloten van de Europese aanbestedingsrichtlijn. Aanleiding voor de uitspraak is een zaak in België, waarin een groep Belgische juristen het Grondwettelijk Hof van België had verzocht om de uitsluiting van juridische diensten van de Belgische aanbestedingswet nietig te verklaren. Volgens het EU-Hof is hier dus geen reden toe.

Uitsluitende bepalingen in Europese aanbestedingsrichtlijn

De zaak in België betrof een beroep tot nietigverklaring van een aantal bepalingen in de Belgische aanbestedingswet die maken dat deze wet niet van toepassing is op juridische diensten. Deze uitsluitende bepalingen zijn gebaseerd op artikel 10 van de Europese aanbestedingsrichtlijn (Richtlijn 2014/24), waarin onder meer arbitrage- en bemiddelingsdiensten van deze richtlijn worden uitgesloten. De Belgische rechter wendde zich tot het EU-Hof met de vraag of de uitsluitende bepalingen verenigbaar zijn met de beginselen van subsidiariteit, vrijheid van vestiging, vrijheid van dienstverlening en gelijke behandeling.

Subsidiariteit

Het beginsel van subsidiariteit houdt in dat de EU alleen optreedt als dat noodzakelijk is en dat beslissingen zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen. Aangezien de Europese wetgever juridische dienstverlening uitsluit van de werkingssfeer van de aanbestedingsrichtlijn kunnen nationale overheden zelf bepalen of zij de aanbestedingsregels wel of niet willen toepassen op dergelijke diensten. Volgens het EU-Hof zijn deze uitsluitende bepalingen dus niet in strijd met het subsidiariteitsbeginsel.

Vrijheid van vestiging en dienstverlening

In het Europese werkingsverdrag (VWEU) worden beperkingen op vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverlening binnen de EU verboden. Een lidstaat mag dus in principe geen maatregelen nemen die marktdeelnemers uit andere lidstaten verhindert diensten aan te bieden in die lidstaat of zich daar met dat doel te vestigen. De aanbestedingspraktijk is op Europees niveau gereguleerd om marktdeelnemers de mogelijkheid te geven zich in te schrijven op aanbestedingen in een andere lidstaat. Het doel van de richtlijn is dus juist om de vrijheid van vestiging en dienstverlening te garanderen. Dit betekent volgens het EU-Hof echter niet dat er aan deze vrijheden afbreuk wordt gedaan door lidstaten niet te verplichten om bepaalde diensten aan de aanbestedingsregels te onderwerpen.

Gelijke behandeling

Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, maar ook dat verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. De vraag is dus of juridische diensten gelijk moeten worden behandeld met andere diensten die wel onder de aanbestedingsrichtlijn vallen.

Volgens het EU-Hof is een gelijke behandeling niet vereist, omdat juridische diensten in het geval van de aanbestedingsregels op basis van objectieve kenmerken niet vergelijkbaar zijn met andere soorten dienstverlening. Zo is het bijvoorbeeld bij arbitrage- en bemiddelingsdiensten van belang dat alle partijen in het geschil het eens zijn met de keuze van een dienstverlener. Een gemeente kan in een conflict dus niet door middel van een aanbesteding een bepaalde bemiddelende dienstverlener aan de andere partij opdringen.

Aanbestedingswet

Het EU-Hof komt dus tot de conclusie dat de bepalingen in artikel 10 van de aanbestedingsrichtlijn, die juridische diensten uitsluiten van de werkingssfeer van deze richtlijn, verenigbaar zijn met de beginselen van subsidiariteit, vrijheid van vestiging en dienstverlening en gelijke behandeling. Hoewel het Grondwettelijk Hof van België zelf een oordeel moet uitspreken in deze zaak moet het daarbij wel de uitspraak van het EU-Hof volgen.

Hoewel dit een Belgische zaak betreft, heeft het EU-Hof de geldigheid van artikel 10 van de aanbestedingsrichtlijn duidelijk bevestigd. In Nederland is dit artikel omgezet in artikel 2.24 aanhef en sub d en h Aanbestedingswet 2012. Ook Nederlandse aanbestedende diensten zijn dus niet verplicht de inhuur van juridische dienstverlening, zoals beschreven in deze bepalingen, aan te besteden volgens de Aanbestedingswet.

Door:

Erwin de Pagter en Chris Koedooder, Kenniscentrum Europa decentraal

Bron:

HvJ EU 6 juni 2019, ECLI:EU:C:2019:472 (P.M. e.a.)

Meer informatie:

Aanbestedingen, Kenniscentrum Europa decentraal
Aanbestedingsrichtlijnen, Kenniscentrum Europa decentraal
Aanbestedingswet, Kenniscentrum Europa decentraal
Dienstenrichtlijn, Kenniscentrum Europa decentraal
Praktijkvraag: subsidiariteit en evenredigheid, Kenniscentrum Europa decentraal
EU-Hof: Geen openbare aanbesteding van juridische diensten, ECER

X