Raad Algemene Zaken bespreekt toekomst cohesiebeleid
Op 12 april kwam de Raad Algemene Zaken bij elkaar in Luxemburg om de toekomst van het EU-cohesiebeleid na 2020 te bespreken. Op de agenda stond o.a. de investeringsprioriteiten van…
Lees meerAbonneer u dan op de Europese Ster en mis niks van de belangrijkste Europese ontwikkelingen voor gemeenten, provincies en waterschappen.
Op 12 april kwam de Raad Algemene Zaken bij elkaar in Luxemburg om de toekomst van het EU-cohesiebeleid na 2020 te bespreken. Op de agenda stond o.a. de investeringsprioriteiten van…
Lees meerOp 12 april kwam de Raad Algemene Zaken bij elkaar in Luxemburg om de toekomst van het EU-cohesiebeleid na 2020 te bespreken. Op de agenda stond o.a. de investeringsprioriteiten van het cohesiebeleid, de regio’s die onder het toekomstige beleid moeten vallen en de manier waarop de uitvoering van het beleid kan worden bespoedigd en de doeltreffendheid ervan kan worden verbeterd.
De Raad Algemene Zaken (RAZ) kwam bij elkaar in aanwezigheid van Corina Creţu, Eurocommissaris voor Regionaal beleid. Dit was de laatste Raad over het cohesiebeleid voordat de Commissie op 2 mei a.s. haar voorstel voor de lange termijnbegroting zal doen. De Commissie zal de resultaten van dit debat verwerken in haar voorstellen van het wetgevingspakket cohesiebeleid na 2020.
De ministers bespraken onder meer de volgende beleidskwesties:
De Commissie informeerde de Raad over de recente activiteiten ter verbetering van de communicatie over de resultaten en de voordelen van het cohesiebeleid. Vorig jaar kwam de Commissie met voorstellen voor gezamenlijke bewustmakingsactiviteiten van de Commissie, de lidstaten en andere betrokkenen over de voordelen van het cohesiebeleid voor het leven van de burgers.
Eurocommissaris Corina Creţu benadrukte in haar speech tijdens de persconferentie, dat de wijze waarop de fondsen worden toegewezen, de economische en sociale ongelijkheden in Europa beter moet weerspiegelen. De Eurocommissaris stelt, dat naast het bbp per hoofd van de bevolking nieuwe indicatoren moeten worden opgenomen om de specifieke situatie van elke regio te weerspiegelen. Zaken als armoede, onderwijspeil, demografische verandering, migratie ontwikkeling in de regio/stad en klimaatverandering zullen mede bepalend zijn.
De Raad nam conclusies aan over de uitvoering en de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid na 2020. Daarin wordt opgeroepen tot het vereenvoudigen van de regels op het niveau van zowel de EU als de lidstaten, tot het vergroten van de verantwoordelijkheid van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging, en tot het tijdig voorbereiden van de nieuwe programma’s, met het oog op een vlotte overgang naar de volgende programmeringsperiode.
De lidstaten kwamen tot een algehele consensus om het cohesiebeleid te continueren en bijna algehele consensus dat het cohesiebeleid voor alle regio’s moet gelden.
Solange Kamm, Huis van de Nederlandse Provincies
Background General Affairs Council, persbericht Raad van de Europese Unie
In 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak tien keer prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zo blijkt uit het jaarverslag van de Raad van State….
Lees meerIn 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak tien keer prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zo blijkt uit het jaarverslag van de Raad van State. Zeven van die tien verwijzingsuitspraken gaan over het vreemdelingenrecht. Dit artikel geeft een kort overzicht van de prejudiciële verwijzingen van de Afdeling bestuursrechtspraak in 2017. Met name de prejudiciële vragen over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarop nog te verwachten antwoorden kunnen van belang zijn voor de praktijk van decentrale overheden.
Zeven van de in totaal tien prejudiciële verwijzingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) gingen over de uitleg van het Europees vreemdelingenrecht. Dat is vaker dan ooit te tevoren, zo wordt in het jaarverslag gesteld.
Europees burgerschap en verlies nationaliteit
In vier afzonderlijke zaken heeft de Afdeling vragen gesteld over het verlies van nationaliteit. Op basis van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het mogelijk om onder bepaalde omstandigheden van rechtswege de Nederlandse nationaliteit te verliezen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een persoon tien jaar buiten de Europese Unie woont en ook de nationaliteit van een ander (derde) land heeft. Met de gestelde prejudiciële vraag wil de Afdeling weten of deze nationale regeling in overeenstemming is het met Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Het verlies van de Nederlandse nationaliteit betekent namelijk dat iemand (ook) geen burger van de Europese Unie meer is en daarmee geen aanspraak kan maken op rechten die aan het Unieburgerschap zijn verbonden, zoals het vrij verkeer van personen. Lees de verwijzingsuitspraak hier (uitspraak ABRvS van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1098).
Europese Gezinsherenigingsrichtlijn en Europese Richtlijn langdurig ingezetenen
Ook stelde de Afdeling vragen over de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn (richtlijn 2003/86/EG). De Afdeling heeft het Hof onder meer gevraagd of een aanvraag om gezinshereniging mag worden afgewezen om de enkele reden dat deze niet binnen de nationale termijn van drie maanden is ingediend. De bijhorende verwijzingsuitspraak leest u hier (uitspraak ABRvS van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609). Daarnaast wil de Afdeling van het Europees Hof weten of de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn en de Europese richtlijn langdurig ingezetenen (richtlijn 2003/109/EG) toestaan dat een verblijfsvergunning wordt ingetrokken als fraude is gepleegd door een ander gezinslid zonder dat het gezinslid waarvan de verblijfstitel wordt afgenomen daarvan op de hoogte was. De verwijzingsuitspraak is hier te lezen (uitspraak ABRvS van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2492).
Europese Procedure- en Terugkeerrichtlijn
De Afdeling stelde daarnaast onder meer de vraag of de Europese procedure- en terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG en richtlijn 2013/32/EU) verplichten om aan het hoger beroep in asielzaken automatisch schorsende werking toe te kennen. In Nederland heeft dit beroep op dit moment geen schorsende werking. Hierdoor verblijft een vreemdeling gedurende de periode dat zijn hoger beroep in behandeling is niet rechtmatig in Nederland. De vreemdeling kan dan ook geen aanspraak maken op toeslagen, zoals huur- en zorgtoeslag. De Afdeling wilde van het Hof weten of dit in overeenstemming is met voornoemde richtlijnen. De gehele verwijzingsuitspraak vindt u hier (uitspraak ABRvS van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:869). In een andere uitspraak stelde de Afdeling vragen over het nieuw aanvoeren van een asielmotief in de fase van hoger beroep, zonder dat over dat motief in de aan het hoger beroep voorafgaande bestuurlijke fase een oordeel is gegeven. De bijhorende verwijzingsuitspraak vindt u hier (uitspraak ABRvS van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609).
Dublinverordening
In twee zaken heeft de Afdeling een vraag gesteld over de Dublinverordening (Verordening (EU) nr. 604/2013). Volgens de Afdeling heeft de Dublinverordening tot doel om te waarborgen dat slechts één lidstaat kan vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming door een vreemdeling. Door middel van de prejudiciële vraag wil de Afdeling weten of haar uitleg van het doel van de Dublinverordening juist is. Lees de verwijzingsuitspraken hier (uitspraak ABRvS van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2571) en hier (uitspraak ABRvS van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2572).
Daarnaast stelde de Afdeling tweemaal vragen over de toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het PAS is een nationaal kader dat is opgesteld om activiteiten die stikstofneerslag veroorzaken op beschermde Natura 2000-gebieden te reguleren. In het PAS werken gemeenten, provincies en het Rijk samen. Met de prejudiciële vragen wil de Afdeling weten of het PAS voldoet aan de Europese Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG) en meer in het bijzonder of bepaalde activiteiten op basis van de Habitatrichtlijn zonder vergunning mogen worden toegestaan. Dankzij het PAS hoeft voor bepaalde activiteiten namelijk geen natuurvergunning meer aangevraagd te worden. De twee verwijzingsuitspraken vindt u hier (uitspraak ABRvS van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259) en hier (uitspraak van ABRvS van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260).
Tenslotte heeft de Afdeling uitleg gevraagd over de Europese Kentekenbewijzenrichtlijn (richtlijn 1999/37/EG). Op basis van de Europese Kentekenbewijzenrichtlijn moeten EU-lidstaten kentekenbewijzen uit een andere lidstaat erkennen. Met de gestelde vragen wil de Afdeling onder andere weten of deze richtlijn ook van toepassing is op motorvoertuigen die zijn geproduceerd of verbouwd voor de datum waarop de richtlijn in werking is getreden. Ook wil de Afdeling weten of een kentekenbewijs mag worden geweigerd als het motorvoertuig niet aan de technische eisen voldoet, ondanks dat een andere lidstaat eerder een kentekenbewijs heeft afgegeven. Lees de verwijzingsuitspraak hier (uitspraak ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1370).
Rechters uit alle EU-lidstaten kunnen het Europees Hof van Justitie vragen uitspraak te doen over de uitleg van het Europees recht en over de geldigheid en de uitleg van de handelingen van de Europese instellingen. Dit doen zij door middel van prejudiciële vragen. Een belangrijke voorwaarde voor het stellen van prejudiciële vragen is dat de nationale rechter het antwoord nodig heeft om tot een vonnis te komen. De behandeling van de zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak wordt geschorst in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie Bij de einduitspraak is de Afdeling bestuursrechtspraak gebonden aan de antwoorden van het Hof van Justitie. Op nog geen van de in 2017 gestelde vragen heeft het Hof van Justitie een antwoord gegeven. Gemiddeld duurt de behandeling van een prejudiciële verwijzing zestien maanden. De vragen over het Programma Aanpak Stikstof worden op verzoek van de Afdeling met voorrang door het Hof behandeld.
Matthijs Binnema en Pauline A’Campo, Europa decentraal
Jaarverslag 2017 Raad van State
Jaarverslag Raad van State 2017: Europa heeft geen grote debatten nodig, maar resultaten, nieuwsbericht Raad van State
Nederlandse identiteit verliezen na 10 jaar wonen buiten de EU?, nieuwsbericht Europa decentraal
De regio’s spelen een belangrijke rol in het verbinden van het dagelijks leven van burgers met de EU. Regio’s, lokale gemeenschappen en steden moeten daarom meer invloed krijgen in de…
Lees meerDe regio’s spelen een belangrijke rol in het verbinden van het dagelijks leven van burgers met de EU. Regio’s, lokale gemeenschappen en steden moeten daarom meer invloed krijgen in de EU-architectuur. Dit was een van de kernboodschappen van politici en academici tijdens een conferentie die op 10 april 2018 werd georganiseerd door de Commissie van het Europees Comité van de Regio’s voor Burgerschap, Governance, Institutionele en Externe Aangelegenheden (CIVEX). Daarnaast werd er tijdens het avondprogramma van dit event ingegaan op de regionale impact van de Brexit.
De conferentie vond plaats in het kader van het debat over de toekomst van de EU, de opkomst van regionale separatistische bewegingen en de lopende werkzaamheden van de taakgroep subsidiariteit. Tijdens dit event kwamen politici van lokale en regionale regeringen, leden van het Europees Parlement en academici samen om te discussiëren over de rol die regio’s en lokale gemeenschappen kunnen en moeten spelen in de toekomstige EU27.
Tijdens een paneldebat gaf Ilona Raugze, directeur van de European Grouping on Territorial Cooperation (ESPON-EGTC), aan dat projecties uitwijzen dat de Europese economische groei zal stabiliseren, maar dat de verschillen tussen de regio’s alleen maar zullen toenemen zonder het doorvoeren van beleidshervormingen. Grote uitdagingen op dit gebied zijn de territoriale concentratie van de bevolking en de economische activiteit. Europarlementariër Danuta Hübner (EVP) benadrukte het belang van de rol van regionale en lokale autoriteiten: “Regions, cities and local communities have always played a unique role in linking citizens’ daily life with Europe. In these times, this link must not be a missing link”.
De resultaten van de besprekingen zullen worden verwerkt in het CvdR-advies over de toekomst van Europa – dat op 9 oktober zal worden goedgekeurd tijdens de plenaire vergadering – zoals gevraagd door de voorzitter van de Europese Raad.
Tijdens het avondprogramma gaf een divers panel zijn visie op de regionale impact van de Brexit. Schots parlementslid Mairi Gougeon vertelde dat Schotse boerderijen niet genoeg arbeiders kunnen aantrekken, omdat de arbeidsmigratie elk kwartaal terugloopt. Er is dus al voorafgaand aan de Brexit sprake van een economische impact, doordat boerderijen niet meer op volledige capaciteit kunnen draaien. Een lid van het Comité van de Regio’s uit Ierland, Michael Murphy, sprak over de Noord-Ierse grens. Hij zei dat een harde grens vermeden moet worden. De ‘Troubles’, een gewelddadige periode in Noord-Ierland vanwege de strijd tussen katholieken en protestanten, waarbij meer dan 3000 mensen om het leven kwamen, raakt mensen nog steeds. Momenteel wordt er over de Noord-Ierse grens nog onderhandeld door de EU en het VK. Murphy identificeerde wel een aantal kansen voor Ierland dankzij de Brexit. In sommige Ierse regio’s wordt namelijk gekeken naar nieuwe mogelijkheden voor de pluimvee- en zuivelindustrie die ontstaan door het vertrek van het VK uit de EU.
Fabian Wondergem, Europa decentraal
Solange Kamm, Huis van de Nederlandse Provincies
Future of Europe: politicians and academics share view that more regional and local authorities’ power must be reflected in the EU, persbericht Comité van de Regio’s
Kansen en risico’s voor de regionale en lokale economie: Brexit-rapporten nader beschouwd, Europa decentraal.
Brexit-loket, Europa decentraal
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft afgelopen week een handreiking social return online beschikbaar gemaakt. Social return staat volgens de VNG steeds hoger op de agenda van Nederlandse gemeenten.
Lees meerDe Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft afgelopen week een handreiking social return online beschikbaar gemaakt. Social return staat volgens de VNG steeds hoger op de agenda van Nederlandse gemeenten.
Het doel van social return – ook wel SROI (Social Return on Investment) genoemd – is het creëren van werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het is een instrument voor de realisatie van sociale doelstellingen bij aanbestedingen en het verlenen van subsidies en vergunningen.
Decentrale overheden kijken bij overheidsopdrachten steeds vaker in hoeverre bepaalde doelgroepen, die zij graag zien instromen op de arbeidsmarkt, kunnen worden ingezet bij de uitvoering van opdrachten. Een gemeente kan een ondernemer die de opdracht gaat uitvoeren bijvoorbeeld vragen om een percentage van het budget te besteden aan banen, stages of leerwerkplekken voor kwetsbare groepen. Denk hierbij aan de inzet van langdurig werklozen, bijstandsgerechtigden, mensen uit de sociale werkvoorziening en gehandicapten.
De handreiking social return die de Commissie Werk en Inkomen van de VNG door Platform31 heeft laten opstellen, is bestemd voor gemeenten die meer willen weten over social return of hun social return-beleid willen verbeteren. Social return is volop in ontwikkeling en veel gemeenten lopen bij het opzetten en uitvoeren van het beleid tegen dezelfde vragen aan, laat de VNG weten. De nieuwe handreiking biedt daarbij uitkomst.
Uit de handreiking blijkt dat steeds meer gemeenten neigen naar een social-return-beleid waarbij inspanningen van opdrachtnemers doorlopend worden erkend en niet alleen tijdens de uitvoering van een opdracht. Het is immers niet altijd mogelijk om de social-return-verplichting of -inspanning te vertalen naar een percentage van de opdrachtwaarde.
Chris Koedooder en Marieke Merkus, Europa decentraal
Handreiking helpt bij uw beleid voor social return, nieuwsbericht VNG
Social return, Europa decentraal
Aanbestedingen, Europa decentraal
Sociale criteria, Europa decentraal
Maatschappelijk aanbesteden, Europa decentraal
Tweede Kamer neemt moties over aanbesteden aan, nieuwsbericht Europa decentraal
Mogen wij buitenlandse inschrijvers een social return verplichting opleggen? Praktijkvraag Europa decentraal
Arbeidsmarktbeleid, VNG
Gids sociaal kopen, Europese Commissie
Op 12 april 2018 oordeelde het EU-Hof dat een alleenstaande minderjarige die tijdens de asielprocedure meerderjarig wordt in aanmerking komt voor gezinshereniging. Wel geldt als voorwaarde dat de aanvraag voor…
Lees meerOp 12 april 2018 oordeelde het EU-Hof dat een alleenstaande minderjarige die tijdens de asielprocedure meerderjarig wordt in aanmerking komt voor gezinshereniging. Wel geldt als voorwaarde dat de aanvraag voor gezinshereniging binnen een redelijke termijn moet zijn ingediend.
De prejudiciële vraag werd gesteld naar aanleiding van de rechtszaak van een Eritrese vluchtelinge die als alleenstaande minderjarige naar Nederland kwam en als zodanig in februari 2014 asiel aanvroeg. Als alleenstaande minderjarige is het op grond van art. 2 lid 2 aanhef en onder f jo art. 10 lid 3 Richtlijn 2003/86/EG mogelijk om gezinshereniging aan te vragen.
De Eritrese verkreeg in oktober 2014 de status van vluchtelinge en in december 2014 diende zij een aanvraag voor gezinshereniging in. Deze aanvraag werd door staatssecretaris echter afgewezen, omdat de vluchtelinge in juni 2014 achttien jaar was geworden en op het moment van de aanvraag dus meerderjarig was.
Hierop stelde de vluchtelinge beroep in bij de Haagse rechtbank. De rechtbank stelde vervolgens de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna het EU-Hof) of een onderdaan van een derde land (een land dat geen EU-lidstaat is) die op het tijdstip van indiening van een asielverzoek minderjarig is, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt, gekwalificeerd moet worden als ‘minderjarige’ wanneer er met terugwerkende kracht tot de datum van het verzoek asiel wordt verleend?
Het EU-Hof stelt dat het niet aan de lidstaten kan worden gelaten om te oordelen op welk tijdstip een vluchteling minderjarig is. Als het tijdstip om de asielaanvraag in te willigen doorslaggevend zou zijn, zou dit namelijk betekenen dat de snelheid van de behandeling van de asielaanvraag door de nationale autoriteiten een grote rol speelt. Dit zal leiden tot afbreuk aan de nuttige werking van de richtlijn en de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
Een vluchteling is volgens het EU-Hof minderjarig als hij of zij bij de indiening van de asielaanvraag jonger dan achttien jaar is. Wel is van belang dat de aanvraag tot gezinshereniging binnen een redelijke termijn wordt ingediend. Dit komt in beginsel neer op drie maanden na de dag waarop de betrokken minderjarige is aangemerkt als vluchtelinge.
Gemeenten spelen een belangrijke rol bij de opvang en de integratie van asielzoekers. Op basis van het te verwachten aantal asielzoekers in Nederland, zal de capaciteit van het aantal asielzoekers dat in Nederland opgevangen kan worden de komende tijd afnemen. Het aantal asielopvanglocaties van het COA (Centraal Orgaan opvang asielzoekers) zal eind 2018 van 62 naar 51 zal worden teruggebracht. In een elftal gemeenten, waaronder Utrecht, Nijmegen en Veenhuizen, zullen daarom asielzoekerscentra gesloten worden. De exacte datum voor de sluitingen is nog niet bekend gemaakt. Het COA zal ruim de tijd nemen om samen met de betrokken gemeenten een afgewogen sluitingsplan op te stellen.
Mirthe Mulders en Marieke Merkus, Europa decentraal
Uitspraak Europees Hof van Justitie van 12 april 2018
Asiel, Europa decentraal
Migratie, Europa decentraal
Herziening Dublin-verordening: eerlijke verdeling van asielzoekers, nieuwsbericht Europa decentraal
Op maandag 9 april 2018 bracht een delegatie van de Tweede Kamercommissie Europese Zaken een bezoek aan Brussel in het kader van de Brexit. De Kamerleden gingen daar in gesprek…
Lees meerOp maandag 9 april 2018 bracht een delegatie van de Tweede Kamercommissie Europese Zaken een bezoek aan Brussel in het kader van de Brexit. De Kamerleden gingen daar in gesprek met de belangrijkste Brexit-onderhandelaars bij de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement.
De rapporteurs op het dossier Brexit, de Kamerleden Anne Mulder (VVD), Pieter Omtzigt (CDA) en Lodewijk Asscher (PvdA) brachten samen met Kamerleden Martin van Rooijen (50PLUS), Roelof Bisschop (SGP) en Farid Azarkan (DENK) een werkbezoek aan Brussel. Doel van het bezoek was om meer inzicht te verkrijgen in de stand van de onderhandelingen over het uittredingsakkoord. Ook de ideeën en gedachten over de nieuwe handelsrelatie tussen EU en VK kwamen aan de orde in dit werkbezoek.
De leden spraken in Brussel met de Nederlandse Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Unie (PV), De Ierse PV en de plaatsvervangend PV van het Verenigd Koninkrijk. In het Europees Parlement spraken de leden met Brexit rapporteur Guy Verhofstadt, bij de Europese Commissie met plaatsvervangend EU-onderhandelaar Sabine Weyand en bij de Raad met onderhandelaar Didier Seeuws.
De bevindingen van de rapporteurs zullen worden verwerkt in een verslag dat wordt gepubliceerd op de website van de Commissie Europese Zaken.
Solange Kamm, Huis van de Nederlandse Provincies
Rapporteurs bezoeken Brussel om Brexit, nieuwsbericht Tweede Kamer
Introductie In deze zaak gaat het om de reikwijdte van het begrip persoonsgegevens en de uitwerking van het recht op toegang tot deze gegevens uit richtlijn 95/46 (hierna: de richtlijn)….
Lees meerHvJ EU 20 december 2017, C‑434/16, ECLI:EU:C:2017:994 (Nowak).
Informatiemaatschappij
De Algemene verordening gegevensbescherming
Peter Nowak dient in mei 2010 een verzoek in tot toegang tot alle persoonsgegevens die de beroepsorganisatie voor accountants/belastingadviseurs (CAI) over hem heeft. Het CAI stuurt hem daarop zeventien documenten toe, maar weigert echter hem zijn schriftelijke examenwerk toe te sturen. Volgens het CAI betreft dit examenwerk geen persoonsgegevens. Ook de Ierse toezichthouder (Data Protection Commissioner), waar Nowak een klacht indient, is van mening dat de gegevens van het examen geen persoonsgegevens vormen. De rechtsprekende instanties waar Nowak de beslissing wil aanvechten zijn ook van mening dat er geen sprake is van persoonsgegevens. Uiteindelijk besluit het Supreme Court, de hoogste Ierse rechter, om duidelijkheid te vragen bij het Europese Hof van Justitie middels twee prejudiciële vragen.
1. Zijn gegevens die in of als antwoorden worden opgeschreven door een kandidaat tijdens een beroepsexamen persoonsgegevens zijn in de zin van richtlijn 95/46?
2.Welke factoren zijn relevant om te bepalen of in een gegeven geval een examenwerk een persoonsgegeven vormt en welk gewicht dient dan aan deze factoren te worden toegekend?
De definitie in artikel 2 van de richtlijn stelt dat onder persoonsgegevens valt: “iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”. Volgens diezelfde bepaling wordt als identificeerbaar beschouwd: “een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit”. Het Hof besluit hierop twee elementen te controleren:
Het Hof stelt dat er in dit geval sprake is van een natuurlijk persoon die kan worden geïdentificeerd. De natuurlijk persoon kan namelijk direct geïdentificeerd worden door zijn naam, of indirect geïdentificeerd door het identificatienummer van de kandidaat.
Daarbij is belangrijk dat de vraag of de examinator de kandidaat al dan niet kan identificeren op het moment dat de correctie en markering van het examenwerk irrelevant is. Om een gegeven als persoonsgegeven te kwalificeren is niet vereist dat alle informatie aan de hand waarvan de betrokkene kan worden geïdentificeerd bij een en dezelfde persoon berust. Hierbij verwijst het Hof naar het arrest Breyer (ECLI:EU:C:2016:779, r.o. 43).
Het Hof legt uit dat het begrip informatie breed opgevat moet worden. Het gaat hierbij niet alleen om gevoelige informatie, maar om zowel elke soort objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene „betreft”. Wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon, gaat het dus om een persoonsgegeven.
Het Hof voert verschillende redenen aan waarom de antwoorden op het – schriftelijke – examen van Nowak persoonsgegevens bevatten. Deze antwoorden weerspiegelen bijvoorbeeld het kennisniveau van de kandidaat, maar bevatten ook zijn handschrift. Het verzamelen van de informatie heeft onder andere tot doel een evaluatie te maken van de beroepsbekwaamheden van de kandidaat. Tot slot kan het gebruik van deze informatie, dat met name leidt tot het al dan niet slagen van de kandidaat voor het betrokken examen, gevolgen hebben voor zijn rechten en belangen. Het slagen kan bijvoorbeeld zijn kansen om in aanmerking te komen voor het gewenste beroep of de gewenste functie bepalen of beïnvloeden.
Het examen van Nowak bevatte ook opmerkingen van de examinator. Volgens het Hof bevatten ook deze opmerkingen informatie over de kandidaat en kunnen deze gevolgen hebben voor de rechten en belangen van de kandidaat. Dat deze opmerkingen ook informatie opleveren over de examinator doet daar niet aan af. Het Hof stelt dat ook deze opmerkingen onder het recht op toegang vallen.
Het Hof noemt verder dat het recht van toegang uit artikel 12 van de richtlijn met name noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen om het recht op rectificatie, uitwissing of afscherming van die persoonsgegevens uit te kunnen oefenen. Hierbij verwijst het Hof naar het arrest Y.S. (ECLI:EU:C:2014:2081, r.o. 44). Als laatste wijst het Hof er ook nog op dat zowel de richtlijn als de AVG bepalingen bevatten die de rechten van de betrokkene, waaronder het recht van inzage, beperken. Het recht om een kopie van de persoonsgegevens te ontvangen mag bijvoorbeeld geen afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van anderen.
Decentrale overheden dienen per 25 mei 2018 te voldoen aan de regels van de AVG. Het kan lastig zijn het begrip persoonsgegevens af te bakenen. Uit dit arrest blijkt dat het begrip zeer breed ingevuld moet worden. Om te bepalen wat een persoonsgegeven is, moet gekeken worden of er een natuurlijk persoon is die kan worden geïdentificeerd en of de gegevens iets over deze persoon zeggen. Belangrijk is daarbij dat niet vereist is dat alle informatie aan de hand waarvan de betrokkene kan worden geïdentificeerd, bij een en dezelfde persoon berust. Wanneer een decentrale overheid vaststelt dat er sprake is van persoonsgegevens, zullen de regels van de AVG moeten worden toegepast.
Het recht van inzage zal onder de AVG een van de belangrijkste rechten van de betrokkene zijn waar decentrale overheden mee te maken krijgen. In dit arrest benoemt het Hof dat het recht op toegang noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen zijn persoonsgegevens eventueel te kunnen corrigeren of uitwissen. Met deze overweging in gedachte houdend kan het in de praktijk handig zijn met een betrokkene die het recht van inzage inroept af te stemmen of de betrokkene al een bepaald gedeelte van persoonsgegevens in gedachten heeft dat hij wil inzien. Anders dan onder de richtlijn en de Wbp moet de verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG de betrokkene een kopie verstrekken van de persoonsgegevens die hij verwerkt. Dit blijkt uit artikel 15 lid 3 AVG. In lid 4 van ditzelfde artikel komt echter ook terug dat dit recht geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen. Hier zal dan een weloverwogen afweging over moeten worden gemaakt.
Juliëtte Fredriksz, Europa decentraal
Informatiemaatschappij, Europa decentraal
Privacy: de Algemene verordening gegevensbescherming, Europa decentraal
Verwerken van persoonsgegevens, Europa decentraal
AVG deel I: Persoonsgegevens en verwerken, Europa decentraal
Privacy: kan het publiceren van een bedrijfsnaam in strijdt zijn met de AVG?, Praktijkvraag Europa decentraal
Antwoord in het kort Vanaf 6 mei 2018 gelden er nieuwe, specifieke regels voor de gegevensverwerking in verband met de opsporingstaken van buitengewoon opsporingsambtenaren. Ook moet er bij de gegevensverwerking…
Lees meerBinnen onze gemeente zijn buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) actief die de politie ondersteunen bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Bij de uitvoering van deze taken verwerken boa’s ook persoonsgegevens. Met het oog op de nieuwe Europese privacyregels vragen wij ons af of waar we als gemeente op moeten letten bij de gegevensverwerking door boa’s.
Gemeentelijke boa’s die de politie ondersteunen bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid hebben doorgaans meerdere rollen. Boa’s die zijn aangesteld als gemeentelijke handhaver zijn bevoegd tot de opsporing van strafbare feiten (art. 142 Wetboek van Strafvordering). Daarnaast verrichten boa’s diverse activiteiten, zoals toezichthouder en ogen en oren op straat, die niet onder de opsporingstaak van boa’s vallen.
Bij de uitvoering van beide taken verwerken boa’s persoonsgegevens die worden opgeslagen in de gegevensverwerkingssystemen van gemeenten. Met de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming en de richtlijn gegevensverwerking opsporing en vervolging is het van belang dat gemeenten een verwerkingssysteem faciliteren waarin een duidelijk onderscheid tussen de verschillende grondslagen voor de verwerking van persoonsgegevens wordt gewaarborgd.
De nieuwe Europese richtlijn gegevensverwerking opsporing en vervolging stelt eisen aan de proportionaliteit en rechtmatigheid van gegevensverwerking met het oog op onderzoek naar en de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Op grond van deze richtlijn mogen persoonsgegevens uitsluitend voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verzameld en niet op een met deze doelen onverenigbare wijze worden verwerkt.
De Europese richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging moet uiterlijk 6 mei 2018 geïmplementeerd zijn in nationale wetgeving. Om aan deze verplichting te voldoen, past Nederland de Wet politiegegevens (Wpg) en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten (Bpg) aan. Het voorstel tot wijziging van de Wpg is inmiddels aangeboden aan de Tweede Kamer. Door de implementatie van de richtlijn worden de huidige nationale regels rondom persoonsgegevensverwerking in het kader van politiële en justitiële activiteiten uitgebreid, bijvoorbeeld ten aanzien van de rechten van betrokkene bij persoonsgegevensverwerking. Er worden tevens nieuwe verplichtingen geïntroduceerd, zoals een meldplicht voor inbreuken op de beveiliging van persoonsgegevens.
Ook boa’s zullen bij de uitvoering van hun taken met deze eisen te maken krijgen. Een gedeelte van de Wpg wordt daarom van overeenkomstige toepassing verklaard op de verwerking van persoonsgegevens door boa’s (art. 46 Wpg). In de Wpg wordt omschreven hoe gegevensverwerking in het kader van opsporing en vervolging mag plaatsvinden. Zo wordt in de Wpg onder meer bepaald dat politiegegevens onder bepaalde voorwaarden geautomatiseerd kunnen worden vergeleken met andere politiegegevens voor zover dit noodzakelijk is voor het onderzoek.
De richtlijn gegevensverwerking opsporing en vervolging heeft een grote overlap met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) die per 25 mei 2018 in Nederland van toepassing is. Decentrale overheden en betrokkenen zijn rechtstreeks aan de regels van de AVG gebonden. In tegenstelling tot de richtlijn hoeft de verordening dus niet te worden omgezet in nationale wetgeving. De AVG biedt de lidstaten echter nog wel ruimte om bepaalde keuzes te maken. In Nederland zijn deze uitgewerkt in de Uitvoeringswet AVG.
De AVG is van toepassing wanneer persoonsgegevens worden verwerkt. Zowel het verzamelen, het vastleggen als het inzien van persoonsgegevens valt onder het begrip verwerken. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan wanneer deze verwerking op rechtmatige, behoorlijke en transparante wijze geschiedt. Bovendien dient de gegevensverzameling te berusten op welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden (art. 5 en 6 AVG).
De richtlijn gegevensverwerking opsporing en vervolging en de Wpg zijn uitsluitend van toepassing op boa’s wanneer zij gegevens verwerken in hun rol als opsporingsambtenaar. De persoonsgegevensverwerking door boa’s in verband met overige toezichtstaken valt onder de werking van de AVG.
De verschillende grondslagen voor persoonsgegevensverwerking hebben invloed op de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten dienen in persoonsgegevensverwerkingssystemen voor boa’s een expliciete voorziening te treffen, waarmee een onderscheid wordt aangebracht tussen enerzijds de persoonsgegevens die gemeentelijke boa’s in het kader van hun opsporingstaak verwerken en anderzijds de gegevens die zij in het kader van hun andere taken verwerken.
Dit onderscheid kan volgens de Memorie van Toelichting bij de gewijzigde Wpg worden gerealiseerd door het apart labelen van de gegevens die de boa’s verwerken in het kader van hun opsporingstaak. Daarnaast dienen de gemeenten de autorisatie te regelen om deze gegevens te mogen verwerken. Tevens moet de verwerkingsverantwoordelijke gemeente op grond van de aangepaste Wpg logbestanden bijhouden voor de controle van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking in het kader van de opsporingstaak.
Marieke Merkus, Europa decentraal
Justitie, vrijheid en veiligheid, Europa decentraal
Algemene verordening gegevensbescherming, Europa decentraal
Verwerken van persoonsgegevens, Europa decentraal
Thema pagina privacy, Europa decentraal
Kamerstukken wijziging Wet politiegegevens, Tweede Kamer
Wekelijks op de hoogte gehouden worden van de belangrijkste Europese ontwikkelingen voor gemeenten, provincies en waterschappen? Neem dan een gratis abonnement op nieuwsbrief de Europese Ster.