Geen prejudiciële vragen over Unieburgerschap Britten na de Brexit

25 juni 2018Brexit

Eerder dit jaar (februari 2018) was de Amsterdamse kortgedingrechter van plan om prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie (Hof) over het Unieburgerschap van Britten na de Brexit. In hoger beroep is het vonnis van deze rechter door het gerechtshof te Amsterdam vernietigd en de prejudiciële vragen over de verblijfsrechten van Britse burgers in de Europese Unie zullen dan ook niet meer gesteld worden.

Vraag voor de rechter: verliezen Britten na de Brexit hun fundamentele rechten?

In het kort geding van 7 februari jl. (ECLI:NL:RBAMS:2018:605) hebben de in Nederland woonachtige Britten betoogd dat ze hun fundamentele vrijheden zouden kunnen verliezen door de Brexit. Ondanks dat de zaak een politieke dimensie heeft, bleef het volgens de Amsterdamse kortgedingrechter in eerste aanleg bij uitstek een rechterlijke taak om bescherming te bieden bij een dreiging van aantasting van fundamentele rechten. Voor de beoordeling van de vordering in het kort geding wenste de rechter daarom verduidelijking betreffende het Unieburgerschap van Britten na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU.

Prejudiciële vragen

De Amsterdamse kortgedingrechter was aanvankelijk van plan om de volgende twee prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. Ten eerste: vervalt door de Brexit het Unieburgerschap van Britten en leidt dat tot een verval van de daaraan gekoppelde rechten en vrijheden indien de EU en het Verenigd Koninkrijk hierover niet tot een akkoord komen? Ten tweede: indien dit niet het geval is, moeten er dan voorwaarden of beperkingen worden gesteld aan het behoud van de aan het Unieburgerschap ontleende rechten en vrijheden?

Hoger beroep

Het gerechtshof was het met de rechtbank in het kort geding eens dat de vraag over de rechtspositie van Britse burgers in EU-landen na de Brexit aan de hand van EU-recht moet worden beantwoord. Ook kan er volgens het gerechtshof worden getwijfeld aan de uitleg van artikel 20 VWEU, dat met het verlies van het Unieburgerschap ook de rechten die daaraan ontleend zijn komen te vervallen. Het gerechtshof vindt het echter niet noodzakelijk om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, omdat de vragen niet nodig zullen zijn om te kunnen oordelen over de vorderingen. Het gerechtshof bestempelt de vorderingen van de eisers, waarmee zij hun rechten als Europese burgers na de Brexit hoopten te garanderen, reeds als te ‘vaag’ en ‘onbepaald’ om toegewezen te kunnen worden. De vordering is volgens het gerechtshof te vaag, omdat de fundamentele rechten niet nader zijn geconcretiseerd en de groep van rechthebbenden te ruim is geformuleerd. Hierdoor zou bij toewijzing van de vordering het voor de overheid te onduidelijk zijn hoe er aan het vonnis moet worden voldaan.

Het vonnis van de kortgedingrechter is daarom door het gerechtshof in hoger beroep vernietigd. Dit betekent dat het EU-Hof (voorlopig) geen antwoord zal geven op deze vragen over het Unieburgerschap van Britten na de Brexit.

Bron:

Vorderingen Britse burgers over post-Brexit rechten in kort geding afgewezen, nieuwbericht de Rechtspraak
Uitspraak Gerechtshof Amsterdam

Door:

Matthijs Binnema, Mirthe Mulders en David Schutrups, Europa decentraal

Meer informatie:

Brexit-loket, Europa decentraal
Brexit, Europa decentraal
Stand van zaken onderhandelingen, Europa decentraal
Prejudiciële verwijzing: Hoe ziet de rechtspositie van Britse burgers eruit na de Brexit?, nieuwsbericht Europa decentraal