Interview gedeputeerde Rijsberman over cohesiebeleid na 2020

16 december 2019Regionaal beleid en fondsen

Michiel Rijsberman is gedeputeerde voor de provincie Flevoland. Hij heeft, naast cultuur, erfgoed en nationaal park Nieuwland, Europa in zijn portefeuille. Hierin werkt hij aan het cohesiebeleid post-2020 voor de provincie. Dit is zijn tweede periode en doet dit voor 4,5 jaar. Europa decentraal praat met hem over de Europese onderhandelingen over het nieuwe regionaal beleid, wat de provincie hierin doet en wat zijn rol is.

Ten eerste, dank voor uw tijd. Kunt u iets vertellen over uw rol als portefeuillehouder Europa en interprovinciaal dossierhouder Cohesiebeleid post-2020?

‘De provincie zorgt er via verschillende netwerken voor dat er goed beleid wordt gemaakt’, vertelt Rijsberman. Zo is hij bijvoorbeeld lid van het Comité van de Regio’s, waar hij een aantal rapporteurschappen heeft gehad (waarover later meer). Daarnaast vertegenwoordigt hij Flevoland in de Assembly of European Regions (AER). Hierin zijn 160 Europese regio’s vertegenwoordigd. Daar is hij voorzitter van de cohesion policy taskforce, die zich buigt over het cohesiebeleid. Bovendien is de provincie lid van de CPMR en de Conference of Peripheral and Maritime Regions. Daar zijn ook 150 regio’s lid. Daar zit ik in de Cohesion Policy core group’.

Wat betekent een rapporteurschap in het Comité van de Regio’s concreet?

Het Comité van de Regio’s is een adviesorgaan dat is opgericht met het Verdrag van Maastricht. Het bestaat dit jaar dus 25 jaar. ‘Wanneer de Europese Commissie nieuwe wetgeving maakt, is ze op bepaalde vlakken verplicht om onder andere het Comité van de Regio’s om advies te vragen. Het Comité adviseert vervolgens over de gevolgen van die wetgeving voor regio’s en steden in Europa’, legt Rijsberman uit. In het Comité zijn 350 regio’s en gemeenten lid, waaronder de 12 provincies.

Een rapporteur wordt aangewezen om, namens het Comité, een rapport op te stellen over een wetgevingsinitiatief van de Commissie. Vervolgens wordt dit naar het Europees Parlement en de Raad gestuurd. Zij nemen dit mee in de onderhandelingen. Rijsberman: ‘Aan de ene kant heb je als rapporteur een formele positie om iets te vinden van wat er in de EU gebeurt en aan de andere kant betekent een rapporteurschap toegang tot Eurocommissarissen en Europarlementariërs om ten behoeve van onder andere de Nederlandse provincies te lobbyen en samen te werken.’

Heeft zo’n rapport dan echt invloed op het werk van de Commissie?

Rijsberman legt uit dat dat afhangt van het onderwerp: ‘Een tijd geleden had een gemeente uit Estland iets opgesteld over het Europees Ruimtevaartprogramma. Met dat advies is niet veel gedaan’. Dat geldt niet voor elk onderwerp: ‘Als het gaat over regionaal beleid, zoals bijvoorbeeld het EFRO-programma, dan luistert iedereen naar je. Je bent dan hét geluid van de “werkvloer”. Wij als provincies worden immers geconfronteerd met de uitvoering van de regels.’ Rijsberman legt uit hoe zo’n rapport er uit ziet: ‘Zo’n advies betekent eigenlijk dat we amendementen voorstellen. In het geval van het regionaal beleid zijn die voor ongeveer 90 % overgenomen door het Europees Parlement. Op een onderwerp als dit zijn we dus effectief en worden onze punten ook onderdeel van het wetgevingstraject’.

Wat is uw mening over de (nieuwe) inrichting van de fondsen?

‘In eerste instantie waren er twaalf of dertien doelen waar je project aan kon voldoen onder EFRO. Dat is in het huidige voorstel teruggebracht naar vijf’, legt Rijsberman uit. ‘Twee hiervan zijn van belang in Nederland: Smarter Europe en Greener Europe. We willen het zo inrichten dat we hiermee het mkb kunnen bedienen. Deze sector kan bijvoorbeeld niet zo snel deelnemen aan een call voor Horizon 2020. Zo’n aanvraag kan al gauw drie ton kosten. Wij zetten er eigenlijk op in dat er geen verschil gemerkt wordt tussen de twee fondsenperiodes. Behalve op het gebied van administratieve druk, die zouden we graag verminderd zien. Ik hoop echt dat bedrijven dat gaan merken in de nieuwe fondsenperiode.’

Wat voor toevoegingen of amendementen heeft u voorgesteld namens het Comité?

Volgens Rijsberman is de positie van de regio’s het belangrijkst in het proces van de toekenning van de fondsen. Er zijn een aantal thema’s in de EFRO-verordening genoemd waar een bepaald deel van het geld aan wordt uitgegeven. Dit heet thematische concentratie. ‘De vraag is dan hoe je deze toewijzingen van fondsen per thema berekent. In het voorstel wordt dat berekend op landelijk niveau, en dan krijg je een landelijk gemiddelde. Wij wilden dat graag op regionaal niveau houden. Dat is vooral belangrijk wanneer je verschillende soorten regio’s hebt. De Commissie had bedacht dat hiervoor het gemiddelde kon worden genomen, maar in de praktijk betekent dat dat je verliezende posities van regio’s hebt en daar zijn we niet voor.’ Rijsberman vertelt daarnaast dat er een discussie bestaat over het partnerschapsprincipe en de uitwerking daarvan: de zogenaamde partnerschapsovereenkomst. In een dergelijke overeenkomst worden de kaders vastgelegd waaraan het geld wordt uitgegeven. ‘In het huidige EFRO-programma is dit een overeenkomst tussen het Rijk, provincies, een aantal grote gemeenten en andere partners. Maar het Rijk lobbyt er in Brussel voor om die vorm aan te passen. Nu is het dus zo dat de provincies wettelijk verplicht zijn om mee te schrijven aan de voorstellen over waar we het geld aan uitgeven. Als het Nederland lukt om de vorm aan te passen zou dat niet meer zo zijn. Dat betekent dat het EFRO-geld niet meer uitgegeven kan worden aan provinciale prioriteiten, maar aan wat het Rijk uit komt. Dat willen we niet’.

De onderhandelingen over het regionaal beleid zitten nu in triloog (de besloten onderhandelingsfase tussen het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie). Hoe blijven de provincies hierin aangehaakt?

Rijsberman legt uit dat, hoewel het Comité in de triloog geen rol speelt, hij als rapporteur wel inzicht krijgt in de meeste stukken die rondgaan. Hij is dus goed op de hoogte van wat er speelt, bijvoorbeeld het voorstel van het Finse voorzitterschap en de posities van het Parlement en de Raad. Hij geeft wel toe: ‘Hoewel we toegang hebben tot de meeste stukken en de belangrijke spelers, zitten we niet daadwerkelijk aan tafel en zijn we indirect betrokken’. Desalniettemin is de informatiepositie als rapporteur zeer waardevol: ‘Anders hadden we in onze gesprekken met het Rijk natuurlijk minder goed geïnformeerd aan tafel gezeten’.

Verschilt de positie van lidstaat Nederland dus van die van de provincies?

Rijsberman zegt dat het verschil in de posities eigenlijk neerkomt op twee punten. Ten eerste gaat het ‘over wie wat te zeggen heeft over het geld’: ‘Als het Rijk het voor het zeggen heeft, gaat het naar prioriteiten van het Rijk en als de provincie het voor het zeggen heeft, gaat het naar doelen die de provincies belangrijk vinden. Daar zit voor veel mensen grote overlap in, maar is in de praktijk toch niet helemaal hetzelfde.’ Het tweede punt gaat over de grootte van het budget. Nederland wil een kleinere begroting dan bijvoorbeeld het Europees Parlement en de Commissie. Rijsberman: ‘De belangrijkste bezuiniging die het Rijk voorstelt is op het regionaal beleid. Daar heeft Den Haag geen last van, want dat is beleid dat ze zelf niet uitvoeren, maar dat kost ons wel het budget dat we nu als provincie gebruiken om ons economisch beleid mee vorm te geven. We snappen het als er geen verruiming kan komen, maar we willen wel ons budget behouden.’

Hij voegt hier aan toe: ‘Over het algemeen stemmen we wel zoveel mogelijk met elkaar af. Deze week (inmiddels vorige week) heb ik bestuurlijk overlegd met de koepels en het kabinet. Die afstemming verloopt goed. Ook op ambtelijk niveau is er goed contact over wat de inzet moet zijn, waarbij we respect hebben voor elkaars standpunt. Woensdag zullen we benadrukken dat we het niet zo fijn vinden als het Rijk een verkleining van ons budget veroorzaakt en het Rijk zal dan waarschijnlijk herhalen dat we moeten zoeken naar een gulden middenweg. Het gaat in Brussel natuurlijk over veel meer dan dit en op de andere punten kunnen we elkaar goed vinden. Daarom is het belangrijk om elkaars standpunt te begrijpen en elkaar daarbij niet uit het oog te verliezen. Dat je dan niet per ongeluk iets beslist waarvan je er daarna spijt van hebt omdat je er achter komt dat het voor de anderen anders werkt.

Durft u zich te wagen aan een voorspelling over wanneer alles rond is? De onderhandelingen zijn nu nog in volle gang namelijk.

Rijsberman zegt: ‘Ik begrijp dat men in februari een deal wil hebben over het MFK. Er is dan ook weer een Europese Raad. Dat benadrukt het Comité van de Regio’s ook. De vorige periode was het pas rond in de maand voordat het nieuwe MFK in zou moeten gaan’.

Alle betrokkenen moeten hun regelgeving nog aanpassen wanneer een nieuw MFK is aangenomen. Dat kan nog wel een jaar duren. Dat betekent ook dat het wel een jaar kan duren totdat de eerste gelden worden uitgedeeld.

Door:

Fabian Wondergem en Bram Schreuder, Kenniscentrum Europa decentraal