Leerlingenvervoer geen economische activiteit volgens HvJ

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft duidelijkheid gegeven over de toepassing van de Europese btw-richtlijn. Volgens het HvJ is het leerlingenvervoer dat door een gemeente wordt georganiseerd geen economische activiteit in de zin van deze richtlijn. Dit betekent dat de gemeente geen btw mag aftrekken van de kosten van het leerlingenvervoer.

Interpretatie begrip economische activiteit EU btw-richtlijn

De Europese btw-richtlijn stelt dat ieder die een ‘economische activiteit’ verricht, belastingplichtig is. Diensten kunnen worden aangemerkt als economische activiteit wanneer zij onder ‘bezwarende titel’ worden verricht. Dat houdt in dat er over en weer prestaties worden uitgewisseld en dat er een vergoeding aan de dienstverlener wordt betaald, die de waarde van de dienst vertegenwoordigt.

Artikel 13, lid 1 btw-richtlijn specificeert echter dat publiekrechtelijke lichamen, waaronder provincies en gemeenten, niet belastingplichtig zijn voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten.

Casus gemeente Borssele

In de onderhavige zaak met betrekking tot de gemeente Borssele speelde de vraag of leerlingenvervoer moest worden gezien als economische activiteit in de zin van de btw-richtlijn. De gemeente Borssele heeft vervoersdiensten ingekocht bij aanbieders en biedt deze diensten aan de ouders van leerlingen aan. Een deel van de ouders moet hiervoor een bijdrage betalen. Hoewel de Belastingdienst vond dat de gemeente belastingplichtig was, deelde de gemeente dit standpunt niet. Er is een zaak bij de rechtbank aangespannen, waarna uiteindelijk prejudiciële vragen zijn gesteld aan het HvJ in Luxemburg.

Het HvJ verduidelijkte deze kwestie op 12 mei 2016. Het Hof vindt dat leerlingenvervoer niet voldoet aan de criteria voor een economische activiteit. Het Hof acht de gemeente Borssele in dit geval dus niet als een belastingplichtige ondernemer onder de EU btw-richtlijn.

Redenering

Het Hof legt uit dat er in dit geval geen sprake is van een economische activiteit, omdat de bijdrage van de ouders die gebruikmaken van de dienst slechts een klein deel van de gemaakte kosten bedraagt. Ook is het zo dat niet alle ouders een bijdrage moeten betalen, maar slechts een derde van hen. Het verband tussen de bijdrage en de dienst is niet in verhouding met elkaar. Het Hof ziet deze bijdrage daarom niet als een tegenprestatie voor de dienst, die de gemeente aanbiedt, maar meer als een heffing.

Bovendien verricht de gemeente de dienst in dit geval niet zelf op de markt van openbaar personenvervoer, maar heeft ze de dienst ingekocht bij vervoersondernemingen. Deze ondernemingen verrichten deze dienst in opdracht van de gemeente. De gemeente stelt leerlingenvervoer vervolgens beschikbaar aan ouders en leerlingen, in het kader van haar activiteit van openbare dienstverlening.

Relevantie

Het vervoer van leerlingen wordt in Nederland geregeld door gemeenten. Als de bijdrage van ouders niet opweegt tegen de waarde van deze dienst, wordt volgens het Hof niet voldaan aan de definitie van ‘economische activiteit’ in de btw-richtlijn. Ook kan uit de uitspraak worden afgeleid dat, wanneer de gemeente leerlingenvervoer inkoopt bij een vervoersonderneming, er niet kan worden gesproken van een economische activiteit die door de gemeente zelf uitgevoerd wordt. De gemeente is volgens het Hof in deze gevallen dus niet belastingplichtig volgens de btw-richtlijn. Als zij wel btw heeft betaald aan de vervoersonderneming, mag de gemeente deze niet aftrekken. De Nederlandse Hoge Raad moet nu nog een uitspraak doen in de betreffende zaak, maar zal daarin rekening moeten houden met de antwoorden van het Hof.

Door:

Petra Werkman en Lisanne Vis-Boer, Europa decentraal

Bron:

Arrest C-520/14 Hof van Justitie van de Europese Unie

Meer informatie:

Nieuwsbericht Expertisecentrum Europees Recht
Leerlingenvervoer VNG
Uitleg DAB, NEDAB, DAEB en SDAB Europa decentraal
Vervoer, Europa decentraal