Klimaat- en energiebeleid voor 2030

Bij klimaatverandering ligt de focus op het beperken van de wereldwijde temperatuurstijging, door het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Bij energietransitie gaat het om het beperken van de energievraag (door energiebesparende maatregelen) en het omschakelen van fossiele energiebronnen naar hernieuwbare/duurzame bronnen zoals zon, wind, aarde-/bodemwarmte en biomassa. Energiebesparing en het gebruik van duurzame energie leiden tot vermindering van uitstoot van broeikasgassen (voornamelijk CO2) en dragen daarom bij aan het klimaatbeleid.

Energie Unie
In mededeling COM (2015) 610 (2015) heeft de Europese Commissie haar werkprogramma voor 2016 toegelicht. Daarin is ook het pakket ‘Energie Unie’ opgenomen. Dit pakket vloeit voort uit de kaderstrategie en omvat:

  • wetgevingsvoorstellen over de opzet van de elektriciteitsmarkt en het regelgevingskader, met een herziening van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) en de herziening van de verordening inzake de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening;
  • de herziening van de verordening inzake de veiligstelling van de aardgasvoorziening en de herziening van het besluit over intergouvernementele overeenkomsten;
  • het besluit inzake de verdeling van de inspanningen en de integratie van de sector van het landgebruik, de verandering in het landgebruik en de bosbouw (de LULUCF-sector) in het klimaatkader voor 2030;
  • een pakket inzake hernieuwbare energie (REFIT), met duurzaamheidscriteria voor biomassa, en een pakket inzake energie-efficiëntie, met inbegrip van de energie-efficiëntie van gebouwen.

Besluitvorming

In het Kader klimaat en energie 2030 COM (2014) 15, 20 en 21 heeft de Commissie het volgende voorgesteld:

  • een overkoepelend Europees broeikasgas-reductiedoel van 40% ten opzichte van 1990. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen Emission Trading System (ETS)-sectoren (doel: 43% ten opzichte van 2005) en niet ETS-sectoren (doel: 30% in 2030);
  • een Europees doel van 27% hernieuwbare energie in 2030;
  • een indicatief Europees energiebesparingsdoel van 30% in 2030 (COM(2014)520).

Doelen Nederland
De inzet van het Nederlandse Kabinet was dat deze Europese doelen voor CO2-reductie, hernieuwbare energie en energiebesparing zouden worden vastgesteld op respectievelijk 40%, 27% en 25%. Het Kabinet vindt dat deze doelen door de Commissie moeten worden vertaald in indicatieve doelen voor de afzonderlijke lidstaten. De indicatieve doelen voor Nederland zullen vervolgens de basis vormen voor het nader in te vullen beleid.

Eind oktober 2014 hebben de Europese regeringsleiders een akkoord bereikt over de bovengenoemde doelstellingen, waarbij het Europese doel voor energiebesparing in 2030 is verlaagd naar 27%.

CO2-reductiedoel
Het Kabinet ondersteunde dus een bindend Europees CO2-reductiedoel van tenminste 40% in 2030 ten opzichte van 1990 en vindt dat ingezet moet worden op het zoveel mogelijk op kosteneffectiviteit baseren van de verdeling van het non-ETS doel. Zo vindt CO2-reductie in Europa plaats daar waar dat het meest efficiënt is. Tevens wordt ingezet op dynamische allocatie van emissierechten in het ETS.

Hernieuwbare energie
Het voorstel om een apart Europees bindend doel voor hernieuwbare energie van 27% in 2030 na te streven werd ook door het Kabinet gevolgd. Daarbij heeft het een voorkeur voor versnelde introductie van bronbeleid en uitwerking van de Ecodesign richtlijn.

Europees Parlement
Op 14 oktober 2015 nam het Europees Parlement een resolutie aan over de klimaattop in Parijs (COP21). Het Europees Parlement schaarde zich achter het doel om de uitstoot van broeikasgassen met 40% te verminderen in 2030, maar wilde wel dat in 2030 30% van de energie opgewekt wordt door duurzame energiebronnen.

Zodoende zijn de huidige EU-doelen voor klimaat en energie de volgende:

  • een overkoepelend Europees broeikasgas-reductiedoel van 40% ten opzichte van 1990;
  • een Europees doel van 30% hernieuwbare energie in 2030;
  • een indicatief Europees energiebesparingsdoel van 27% in 2030.

Voortraject
In de Europa 2020-strategie heeft de EU zichzelf drie doelen gesteld die tegen 2020 moeten zijn bereikt:

  • een vermindering van de broeikasgasemissies met 20%;
  • een aandeel hernieuwbare energie van 20%;
  • een verbetering van de energie-efficiëntie van 20%.

De kaderregeling 2030 richt zich (uitgaande van de behaalde 20/20/20-doelstellingen) op het bevorderen van een concurrerende, zekere en koolstofarme economie en is hiermee in lijn met het groenboek van de  Commissie.

Groenboek Europese Commissie
In het groenboek van de Commissie staat dat een Europese broeikasgas-reductie van 40% in 2030 (ten opzichte van 1990) nodig is om op koers te blijven naar het EU-klimaatdoel in 2050. Het doel in 2050 is een broeikasgas-reductie van 80% tot 95% ten opzichte van 1990. Een lager doel in 2030 zou op langere termijn tot hogere klimaatkosten leiden. Nederland wil aan deze doelstelling voor 2030 voldoen.

De Commissie wil het bereiken van het EU-doel voor hernieuwbare energie garanderen met een ‘governance systeem’ waaronder nationale energieplannen moeten worden opgesteld. Daarbij wordt voorgesteld de voortgang te monitoren. Nederland vult dit streven in via het ‘Nationaal Energie Akkoord voor duurzame groei’ (SER Energieakkoord). Conform die daarin gemaakte afspraken zal Nederland in 2023 een aandeel hernieuwbare energie van 16% realiseren.

Voorzitterschap Nederland
Nederland bekleedt in de eerste helft van 2016 het EU-voorzitterschap. Zij zal in deze periode bevorderen dat vraagstukken op het gebied van klimaat, milieu en duurzaamheid in nauwe samenhang worden bezien, zodat economische doelstellingen en een verantwoord gebruik van grondstoffen en energiebronnen samenkomen in een toekomstbestendig model van duurzame groei. Dit is de vierde beleidsprioriteit van het EU-voorzitterschap. De EU kan deze prioriteit aanjagen door in te zetten op innovatieve sectoren die bijdragen aan een transitie naar een circulaire economie met duurzaam gebruik van grondstoffen.

In het verlengde hiervan zal Nederland zich sterk inzetten voor de totstandkoming van een Europese Energie Unie: een meer betaalbare energievoorziening, het verminderen van de energieafhankelijkheid van de EU en een toekomstbestendig klimaatbeleid. De uitkomsten van de 21e Conference of the Parties (COP21) van het VN-Klimaatraamverdrag (UNFCCC) in 2015, zijn een belangrijk startpunt voor het Nederlands EU-voorzitterschap.

VN-Klimaatconferentie Parijs (COP21)
Op 30 november 2015 ging in Parijs de 21e jaarlijkse VN-Klimaatconferentie van start: de COP21. De conferentie mondde uit in een nieuw bindend klimaatverdrag. Daarmee moet de uitstoot van broeikasgassen worden teruggedrongen en de opwarming van de aarde worden beperkt tot maximaal 2°C, met 1,5°C als streefwaarde. In maart 2015 heeft de EU na goedkeuring van de milieuministers, een voorstel bij de VN ingediend om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 40% te verminderen.

Op 18 september 2015 stelde de Milieuraad de positie van de EU voor de klimaattop in Parijs vast. Het belangrijkste doel van de EU is om de opwarming van de aarde onder de 2°C te houden. Hiervoor is het belangrijk dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen in 2050 afneemt met tenminste 50% ten opzichte van 1990. In 2100 moet de totale emissie zijn teruggebracht tot nul. Op 14 oktober 2015 nam het Europees Parlement een resolutie aan over de klimaattop. Het Europees Parlement schaarde zich achter het doel om de uitstoot van broeikasgassen met 40% te verminderen in 2030. Het klimaatverdrag zou volgens de resolutie van het Europees Parlement vijf jaar moeten gelden en juridisch bindend zijn. Ook moest het compleet afbouwen van de CO2-uitstoot in 2050 of kort daarna centraal komen te staan, om zo de opwarming onder de 2°C te houden.

Decentrale relevantie

Nederland vult dit streven in via het ‘Nationaal Energie Akkoord voor duurzame groei’ (SER Energieakkoord). Conform de daarin tussen meer dan veertig partijen (waaronder het IPO, de VNG en de UWV) gemaakte afspraken, zal Nederland in 2023 een aandeel hernieuwbare energie van 16% realiseren (14% in 2020).

IPO-inzet en bijzonderheden

Om de energietransitie op gang te krijgen en te houden, stimuleren de provincies de productie van hernieuwbare energie (en de daaraan verbonden innovaties) en energiebesparing. Om de transitie naar duurzame economie op weg naar 2050 voort te zetten en te versterken vinden de provincies drie bindende EU-doelstellingen op het gebied van energiebesparing, hernieuwbare energie en terugdringing van CO2-uitstoot onontbeerlijk.

In 2013 hebben de provincies afspraken gemaakt met het Rijk over hun inzet om bij te dragen aan de realisatie van 6.000 MW vermogen voor wind op land in 2020 en over hun rol bij het stimuleren van de productie van 14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% in 2023 conform het Nationaal Energie Akkoord voor duurzame groei (NEA). Deze afspraken zijn aangevuld met afspraken voor energiebesparing en mobiliteit. De aansturing van de uitvoering geschiedt door een Borgingscommissie onder leiding van Ed Nijpels.

Acties NEA
Het NEA bevat een breed scala aan acties waarin de provincies een rol hebben. Belangrijke elementen voor de provincies zijn:

  • prestatieafspraken voor 6000 MW windenergie op land;
  • het bijdragen vanuit hun rol aan het realiseren en ruimtelijk mogelijk maken van 186 PJ (petajoules) hernieuwbare energie met overige energieopties (de zogenaamde energiemix);
  • vanuit hun bevoegdheid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) energiebesparing helpen realiseren bij bedrijven, ook omdat dit economisch het meest rendeert;
  • de kansen benutten die de energietransitie schept om bij te dragen aan een duurzame ruimtelijk-economische ontwikkeling in de provincies en
  • bijdragen aan energie neutrale mobiliteit, onder meer via OV-concessies.

IPS2E
Op 20 maart 2014 heeft het IPO-bestuur de Interprovinciale Samenwerking Energietransitie en Economie (IPS2E) voor de periode 2014 tot en met 2016 vastgesteld. IPS2E is het kader voor de samenwerking van de provincies bij de uitvoering van de Energieakkoord tot en met 2016, het jaar van de midterm evaluatie.

De IPS2E heeft in 2014 aan de afspraken via  drie clusters uitvoering gegeven. Cluster 1 is een kerntaak waarin samenwerking tussen alle provincies noodzakelijk is en kent drie hoofdlijnen:

  • samenwerking bij realisatie 6000 MW windenergie op land in 2020;
  • samenwerking bij opwekking 14% hernieuwbare energie in 2020 (de zogenaamde energiemix);
  • samenwerking bij de ruimtelijke inpassing van hernieuwbare energie in samenhang met duurzame regionale (economische) ontwikkeling.

Cluster 2 bevat de thema’s waarin enkele provincies een (mede) trekkende rol vervullen in de uitvoering van de afspraken uit het NEA. Met name gaat het om energiebesparing in bedrijven, gebruik (rest-)warmte, biomassa en mobiliteit (OV).

Cluster 3 betreft de lerende organisatie waarin provincies kennis uitwisselen.

Provincies en IPS2E
In 2016 zullen de provincies via IPS2E hun inspanningen om bovenstaande afspraken te realiseren voortzetten. De clusterindeling wordt daarbij losgelaten omdat gebleken is voor alle onderwerpen samenwerking en kennisdeling met andere partijen (VNG, bedrijfsleven, etc.) onontbeerlijk is. In 2016 zal IPS2E zich ook oriënteren op en afspraken maken over de inzet voor energietransitie in de periode tot en met 2019.

In de uitvoering moeten, conform het Nationaal Energieakkoord, de verantwoordelijkheden voor de verschillende partners uit industrie, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden worden belegd. Provincies kunnen hierin een regierol oppakken. De provincies streven naar een IBDT, maar I&M heeft dit nog niet toegezegd.

Gemeenten
Ook de gemeenten werken via de VNG samen bij de uitvoering van de afspraken in het nationaal energie akkoord. Dit doen zij via de regionale energieallianties. Deze richten zich vooralsnog op de energietransitie van de gebouwde omgeving (focus op burgers) en energiebesparing via de Wabo/Wm vergunning.

Wet- en regelgeving

Het dossier klimaat- en energiebeleid 2030 heeft raakvlakken met de volgende onderwerpen:

  • hervorming emissiehandelssysteem (ETS);
  • richtlijn hernieuwbare energie;
  • Effort Sharing Decision;
  • verbetering energie-infrastructuur;
  • evaluatie richtlijn energie-efficiëntie (EED);
  • uitwerking Ecodesign richtlijn;
  • implementatie richtlijn Energieprestatie Gebouwde Omgeving 2010;
  • realisatie van een interne energiemarkt voor elektriciteit en gas;
  • SDE+ regeling;
  • aanpak carbon leakage;
  • diversificatie energiebronnen/voorzieningszekerheid;
  • commissiemededeling Transport 2011 en Witboek Transport;
  • EU-richtlijn Brandstofkwaliteit;
  • Carbon Capture & Storage (CCS) (CO2-emissie industrie);
  • Land use, land use change en forestry – LULUCF (CO2-emissie landbouw en landgebruik/Europees klimaatbeleid).

Gegevens contactpersoon

Paul Levels (provincie Limburg)
pj.levels@prvlimburg.nl