Europees fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO)

De Europese Commissie heeft in mei 2018 Verordeningsvoorstel (2018/0197/(COD)) voorgedragen betreffende het Europese Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds. Dit voorstel dient niet ter vervanging van een eerdere Verordening, maar is geheel nieuw.

Wat zijn de laatste ontwikkelingen?
  • 27-03-2019: eerste lezing Europees Parlement
  • 11-12-2018: de BUDG commissie heeft hun ontwerpadvies over het voorstel gepubliceerd.
  • 16-11-2018: de CULT Commissie heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 16-11-2018: de CULT Commissie heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 14-11-2018: de AGRI Commissie heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 26-10-2018: de ENVI Commissie heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 19-10-2018: de LIBE Commissie heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 11-10-2018: de CONT Commissie heeft hun positie in de vorm van amendementen over het voorstel gepubliceerd.
  • 21-09-2018: de REGI Commissie heeft hun ontwerpverslag over het voorstel gepubliceerd.
Wat is de status van het voorstel?

De openbare raadpleging over dit onderwerp liep van 10 januari 2018 tot 9 maart 2018. Het is hiermee niet meer mogelijk om input te geven via de officiële wegen. De Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement zijn op dit moment nog steeds hun standpunt over dit voorstel aan het vaststellen. Wanneer beide instellingen een standpunt hebben ingenomen zullen deze in een triloog streven een compromis te bereiken. De onderhandelingen worden gevoerd door:

  • Voor het Parlement is de Commissie Regionale ontwikkeling (REGI) de aangewezen parlementaire commissie. Hiernaast zijn de volgende Commissies betrokken door middel van het geven van advies: Vervoer en toerisme (TRAN), Begroting (BUDG);, Begrotingscontrole (CONT), Cultuur en onderwijs (CULT), Landbouw en plattelandsontwikkeling (AGRI), Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en (LIBE) en Rechten van de vrouw en gendergelijkheid (FEMM).
  • Namens de Raad is de Raad Algemene Zaken (RAZ) bevoegd over dit onderwerp. In deze Raad worden lidstaten vertegenwoordigd door ministers van Europese Zaken, of ministers van Buitenlandse Zaken.
Waar ziet de voorgestelde verordening op toe?

In beginsel wordt de regelgeving van deze fondsen al bepaald in het voorstel voor de Verordening gemeenschappelijke bepalingen structuurfondsen. In artikel 2 van de Verordening wordt dit nogmaals uiteen gezet en wordt specifieker uitgelegd wat onder de verschillende doelstellingen valt. Hiernaast wordt in artikel 4 en 5 Verordening uitgelegd wat het EFRO en het Cohesiefonds precies ondersteunen en wordt in artikel 6 Verordening uitgelegd wat deze fondsen expliciet niet ondersteunen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de bouw van kerncentrales, de productie van tabak en investeringen in het verwerken van restafval.

Het merendeel van het EFRO moet volgens dit voorstel geïnvesteerd worden in twee beleidsdoelstellingen; namelijk een innovatiever Europa (BD 1) en een duurzamer Europa (BD 2). Artikel 3 stelt voor dat lidstaten in drie groepen worden verdeeld, op basis van het bruto nationaal inkomen (BNI) ten opzichte van het Europees gemiddelde. Per groep wordt bepaald welk deel van het EFRO-fonds aan welke beleidsdoelstelling moet worden besteed:

BNI ten opzichte van Europees gemiddeldeMinimumpercentage besteding fondsen aan BD 1Minimumpercentage besteding fondsen aan BD2
Beneden 75%35%30%
75-100%45%30%
Boven 100%60%n.v.t., mits 85% wordt besteed aan B1 en B2 samen

De algehele reeks maatregelen, zo stelt artikel 7 van de Verordening voor, zou dan getoetst worden door gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, die specifiek beschreven worden in Bijlage I van het document. Deze indicatoren zouden dan worden gebruikt in het kader van de genoemde evaluatie in het voorstel voor de Verordening gemeenschappelijke bepalingen structuurfondsen.

Naast deze algemene regels zijn ook specifieke regels in het voorstel opgenomen betreffende steden en ultraperifere gebieden (regio’s die geografisch ver van de EU liggen, maar wel tot de EU behoren. De voormalige Nederlandse Antillen vallen (nog) niet onder deze status). Zo wordt in artikel 9 lid 2 voorgesteld dat minimaal 6% van EFRO-middelen besteed moet worden in duurzame stedelijke ontwikkeling. Ook worden de vorige instrumenten voor stedelijke ontwikkelingen door artikel 10 samengetrokken in één programma, namelijk het Stedelijk Europa-initiatief. Als laatste wordt in artikel 11 van de Verordening voorgesteld om kosten betreffende vervoer of investeringen in ultraperifere gebieden te compenseren.

Indien aangenomen door Raad en Parlement treedt de Verordening, op grond van artikel 114, twintig dagen na publicatie in werking, zonder enige vereiste implementatie.

Wat is de relevantie voor Nederland?

In het algemeen is het kabinet tevreden over dit voorstel. De invoering van resultaatindicatoren zou bijvoorbeeld de uitvoering van de fondsen eenvoudiger maken en de investeringen in specifieke beleidsdoelstellingen zou de duurzaamheid bevorderingen samen met de uitsluiting van bepaalde activiteiten. Het kabinet heeft de wil uitgesproken voor meer verplichte investeringen in innovatie.

Ook benadrukt het kabinet het belang van samenhang tussen deze fondsen en het onderzoeksprogramma Horizon Europe. Daarnaast zouden de regionale fondsen met het oog op klimaat en duurzaamheid aangewend moeten worden voor innovaties die regio’s kunnen gebruiken in hun eigen klimaatbeleid.

Wat is de relevantie voor de provincies?

Dit voorstel is van grote relevantie voor provincies omdat het bepaalt waar EFRO-geld aan moet worden uitgegeven en waar het niet aan moet worden uitgegeven. EFRO is wellicht een van de meest relevante structuurfondsen voor provincies waardoor dit een grote impact kan hebben op de subsidies van provincies. Ook is dit voorstel relevant vanwege de specifieke budgettaire en beleidsmatige focus op steden.

X