Verordening mechanisme grensoverschrijdende samenwerking

De Europese Commissie heeft op 29 mei 2018 een Verordeningsvoorstel (2018/0198/COD) betreffende een mechanisme om grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen geïntroduceerd. Deze Verordening moet ervoor zorgen dat lidstaten binnen een grensoverschrijdende regio de wettelijke bepalingen van naburige lidstaten zouden kunnen toepassen, om voor minder belemmeringen te zorgen bij een samenwerking.

Wat zijn de laatste ontwikkelingen?
  • 2-10-2019: triloog (onderhandelingen) gestart
  • 14-02-2019: eerste lezing door het Europees Parlement
  • 06-12-2018: de Europees Economisch en Sociaal Comité heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 05-12-2018: het Europees Comité van de Regio’s heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 26-10-2018: de ENVI Commissie heeft hun advies over het voorstel gepubliceerd.
  • 25-09-2018: de REGI Commissie heeft hun ontwerpverslag over het voorstel gepubliceerd.
Wat is de status van het voorstel?

De onderhandelingen over het voorstel voor het voorstel worden gevoerd op basis van de gewone wetgevingsprocedure. Dit houdt in dat zowel het Europees Parlement en de Raad van Ministers moeten instemmen met het voorstel. Het Parlement en de Raad zijn momenteel in onderhandeling, dit gebeurt onder begeleiding van de Commissie. De onderhandelingen worden gevoerd door:

  • Voor het Parlement is de Commissie Regionale ontwikkeling (REGI) de aangewezen parlementaire commissie. Hiernaast is de Commissie voor Milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI) betrokken door middel van het geven van advies.
  • Namens de Raad is de Raad Algemene Zaken (RAZ) bevoegd over dit onderwerp. In deze Raad worden lidstaten vertegenwoordigd door ministers van Europese Zaken, of ministers van Buitenlandse Zaken.
Waar ziet de voorgestelde verordening op toe?

Het mechanisme is volgens artikel 1 van de voorgestelde Verordening een regeling waardoor de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat in grensgebieden van eerste lidstaat worden toegepast, wanneer de wettelijke bepalingen van de eerste lidstaat juridisch een belemmering zou vormen voor de uitvoering van een gezamenlijk project.

Het genoemde mechanisme neemt twee vormen aan, zo volgt uit artikel 1. Ten eerste zijn er verbintenissen die een directe werking hebben vanaf het moment van aanname. Ten tweede zijn er verklaringen die verdere wetgeving vereisen voordat ze in effect treden. Volgens artikel 8 lid 2 is er een beperkt aantal instanties die het mechanisme kan laten opstarten. Dit zijn:

  • openbare of particuliere organen die verantwoordelijkheid zijn voor het opstarten en/of uitvoeren van een gezamenlijk project;
  • een of meer regionale instanties die in een bepaalde grensoverschrijdende regio zijn gevestigd of in die regio overheidsgezag uitoefenen;
  • een orgaan dat ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking is opgericht en dat in een grensoverschrijdende regio is gevestigd, of deze deels bestrijkt;
  • een organisatie die namens grensoverschrijdende regio’s is opgericht om hun belangen te bevorderen en netwerkvorming tussen die regio’s te versoepelen en;
  • de bovenstaande instanties gezamenlijk.

Het mechanisme is echter niet de enige manier om belemmeringen uit de weg te ruimen. Lidstaten kunnen volgens artikel 4 lid 1 en 2 ook kiezen voor bestaande wijzen om juridische belemmeringen te adresseren, of kunnen ze toetreden tot een informele of formele regeling die door lidstaten zelf is bedacht. Het mechanisme is dus niet de enige wijze om dit probleem op te lossen. Lidstaten moeten echter wel binnen een jaar kiezen welke route zij kiezen.

Bij de keuze voor het mechanisme stelt de Verordening een aantal verplichtingen. Zo worden lidstaten die hiervoor kiezen volgens artikel 5 verplicht om grensoverschrijdende coördinatiepunten op te richten. Deze coördinatiepunten zijn verantwoordelijk voor de monitoring, voorbereiding en uitvoering van de verbintenissen en verklaringen, evenals contact onderhouden met de relevante instanties. Ook moeten zij volgens artikel 10 en artikel 11 een voorlopige analyse verrichten om te kijken of het opstartdocument voldoet aan de vereisten.

In het opstartdocument schetst de initiatiefnemer de juridische belemmering ten opzichte van het gezamenlijke project volgens artikel 8 lid 1. Hierin staat zowel een beschrijving van het project, een lijst van specifiek belemmerende wettelijke bepalingen, de verwachte duur, een lijst van betrokken instanties en een rechtvaardiging van het toepassingsgebied. Hierna beoordeelt het coördinatiepunt of er inderdaad sprake is van een juridische belemmering. Indien het opstartdocument wordt goedgekeurd, wordt een ontwerpverbintenis of ontwerpverklaring volgens artikel 12 klaargemaakt, die aan de vereisten van artikel 14 lid 1 moet voldoen. Hierna wordt de ontwerpverklaring- of verbintenis volgens artikel 15 naar het coördinatiepunt gestuurd, die binnen drie maanden volgens artikel 16 lid 1 het ontwerp moet goedkeuren, verbeteren en dan goedkeuren, weigeren en terugsturen of weigeren en een verbeterd ontwerp terugsturen.

Uit de artikelen 18 en 19 volgt dat na de goedkeuring er bij verbintenissen een tijdschema voor administratieve handelingen moet worden vastgesteld en dat verklaringen een datum voor een formeel wetgevingsvoorstel moet worden bepaald. Uit artikel 20 volgt dat deze administratieve handelingen of de monitoring van de toepassing van verklaringen of verbintenissen bij allebei de lidstaten kan worden neergelegd, hoewel er een voorkeur wordt uitgesproken voor de lidstaat wiens recht wordt overgenomen.

Uit artikel 26 volgt dat deze wetgeving twintig dagen na publicatie in werking treedt, zonder enige vereiste implementatie. Deze Verordening zal echter pas een jaar na inwerkingtreding van toepassing zijn.

Wat is de relevantie voor Nederland?

Het kabinet steunt het doel van de Verordening, omdat het aansluit bij het doel van het kabinet om verschillende mechanismen mogelijk te maken tegen belemmering. Toch is het kabinet grotendeels kritisch over de uitvoering. Het kabinet maakt duidelijk dat dit voorstel niet mag leiden tot aantasting van nationale competenties. Hiernaast is het kabinet van mening dat een richtlijn beter geschikt zou zijn voor een dergelijk mechanisme dan een verordening. Ook bekritiseert het kabinet de onduidelijkheid over wanneer lidstaten hun eigen mechanismes mogen toepassen als ze niet het Verordeningsmechanisme gebruiken, vooral omdat er maar een jaar is om te kiezen. Een ander belangrijk punt is dat het kabinet tegen de grote reikwijdte van het begrip juridische belemmering is en dat de Commissie te veel focust op juridische belemmeringen in plaats van belemmeringen in het algemeen. Bovendien brengt het Verordeningsmechanisme volgens het kabinet te veel administratieve lasten met zich mee.

Wat is de relevantie voor de provincies?

Deze Verordening is voornamelijk belangrijk voor de provincies die grenzen hebben met andere lidstaten. De keuze van mechanisme dat Nederland adopteert kan grote invloed hebben op de manier waarop belemmeringen worden behandeld voor de provincies. Het is daarom voor provincies belangrijk om een voorkeur duidelijk te maken voor een specifiek mechanisme en op basis van deze positie een strategie te bepalen.

X