Obstakels op gebied van sociale zekerheid wegnemen voor grenswerkers

Op 28 juni 2017 presenteert de Vereniging voor Belastingwetenschap het rapport ‘Grenswerkers in Europa’. Een onderzoek naar fiscale, sociaalverzekerings- en pensioenaspecten van grensoverschrijdend werken. Het rapport bevat 39 aanbevelingen, die concreet genoeg zijn om te verwerken in bijvoorbeeld het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België.

Expertisecentrum ITEM

Het rapport is opgesteld door een commissie onder voorzitterschap van mr. dr. Marjon Weerepas, verbonden aan expertisecentrum voor grensoverschrijdende mobiliteit (ITEM) aan de Universiteit Maastricht. Weerepas inventariseerde samen met deskundigen uit diverse vakgebieden de problemen die grenswerkers tegenkomen op het gebied van belastingen, sociale verzekeringen en pensioenen. De Vereniging voor Belastingwetenschap vroeg in haar opdracht nadrukkelijk om een multidisciplinair onderzoek, niet alleen gericht op belastingen. De aanbevelingen uit het rapport kunnen worden toegepast door beleidsmakers en overheden in heel Europa.

Grenswerker

Vroeger was een grenswerker iemand die aan de ene kant van de grens woonde en aan de andere kant werkte. Vanwege de grotere mobiliteit en nieuwe communicatiemiddelen neemt grensarbeid nu ook andere vormen aan. Denk bijvoorbeeld aan korte of langdurige detachering, mensen die in meer dan één lidstaat werken (de zogenaamde highly mobile workers, zoals internationale chauffeurs, piloten en artiesten) en aan telewerken. Het kunnen werknemers zijn, maar ook zelfstandigen. Kortom, dé grenswerker bestaat niet. Dit betekent dat er in veel gevallen sprake moet zijn van maatwerk.

Onderwijspersoneel

Een concreet voorbeeld van een aanbeveling betreft onderwijspersoneel. Iemand woont in België en werkt in Nederland aan een onderwijsinstelling. Vanwege een bepaling in het belastingverdrag moet men de eerste twee jaar in België belasting betalen en in Nederland de premies voor sociale zekerheid. Daardoor lopen de belasting- en premieheffing niet synchroon. De commissie beveelt aan de bepaling in het verdrag te schrappen.

Arbeidsongeschikt

Een tweede voorbeeld, een Nederlander werkt in Duitsland en na vijf jaar word deze persoon arbeidsongeschikt. Voordat hij of zij in Duitsland ging werken, was diegene vijftien jaar lang sociaal verzekerd in Nederland. Binnen de EU was men dus in totaal 20 jaar sociaal verzekerd. De wachttijden om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheid uitkering lopen echter uiteen. Dit kan resulteren in een wekenlang ‘gat’ in het inkomen. Bijkomend probleem is het feit dat er tussen Nederland, België en Duitsland geen wederzijdse erkenning is over de mate van arbeidsongeschiktheid. Dit rapport doet de aanbeveling aan betrokken landen om een overeenkomst te sluiten die ervoor zorgt dat de betreffende lidstaten een regeling treffen om de nadelen te ondervangen in gevallen zoals deze.

Pensioenleeftijden

In Nederland is in 2017 de AOW-leeftijd 65 jaar en 9 maanden. Dit wordt stapsgewijs opgevoerd totdat in 2021 de AOW-leeftijd 67 jaar is. In België is de pensioenleeftijd 65 jaar. Als je daar 40 jaar hebt gewerkt, kun je met 62 jaar zonder korting met pensioen. In Duitsland kun je dit jaar met 65 jaar en 5 of 6 maanden met pensioen als je geboren bent in 1951 of 1952. Als grenswerker zorgen deze verschillende leeftijdsgrenzen voor moeilijkheden. In het rapport doet de onderzoekscommissie daarom de aanbeveling een pan-Europees pensioenfonds op te richten.

Europa

Marjon Weerepas is overtuigd van het belang van een multidisciplinaire aanpak: “Als er onderhandelingen plaatsvinden over belastingverdragen moeten daar ook experts op het gebied van sociale zekerheid bij worden betrokken. Dan kunnen zij er samen voor zorgen dat toewijzingsregels in de internationale regelgeving voor sociale zekerheid en in de belastingverdragen samenvallen. Grenswerkers zijn de pioniers van Europa. Als Europa erin slaagt de problemen van grenswerkers op te lossen, dan zal dat zorgen voor groot commitment onder de Europese burgers en een versteviging van de Europese gedachte.”

Door:

Ilse Buijs, Huis van de Nederlandse Provincies

Bron:

Persbericht, Universiteit Maastricht