Toegang derde landen

Decentrale overheden hoeven ondernemers die gevestigd zijn in landen buiten de EU (‘derde landen’) niet tot hun aanbestedingsprocedures toe te laten. Er zijn echter wel uitzonderingen hierop. Met sommige derde landen heeft de EU in multi- of bilaterale verdragen afspraken gemaakt over de toegang tot elkaars aanbestedingsmarkt. In dat geval mogen EU-lidstaten geen minder gunstige voorwaarden toepassen op ondernemers uit derde landen dan op ondernemers uit EU-lidstaten. Decentrale overheden moeten deze regels ook volgen.

Government Procurement Agreement (GPA)

De Overeenkomst inzake overheidsopdrachten is een multilateraal verdrag dat is gesloten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Dit verdrag is in het Engels ook wel bekend als de ‘Agreement on Government Procurement’ (GPA). Artikel 25 van richtlijn 2014/24 en artikel 43 van richtlijn 2014/25 regelen de toepassing van de GPA in de EU. De daarin vervatte bepalingen zijn in Nederland geïmplementeerd in artikel 1.23 van de Aanbestedingswet 2012. Een toelichting van de Europese wetgever is te vinden in overwegingen 17 en 18 van de considerans bij richtlijn 2014/25 en overwegingen 27 en 28 van de considerans bij richtlijn 2014/25.

Wanneer de GPA van toepassing is, mogen leveranciers uit derde landen geen minder gunstige behandeling krijgen dan ondernemers uit de EU. Decentrale overheden moeten ondernemers uit landen zoals Noorwegen of Australië die partij zijn bij de GPA dus wél tot hun aanbestedingsprocedures toelaten. Dit geldt overigens alleen bij opdrachten die de toepasselijke drempelwaarde van de GPA overschrijden. Deze bedragen zijn gelijk aan de Europese drempelwaarden. In deze lijst ziet u welke landen zijn aangesloten bij de GPA.

Europese aanbestedingsrichtlijnen

De aanbestedingsrichtlijnen 2014/23 (concessies) en 2014/24 (klassieke opdrachten) bieden geen algemeen kader voor de behandeling van inschrijvingen voor goederen en diensten uit derde landen op de interne markt. In de artikelen 85 en 86 van richtlijn 2014/25 (speciale sectoren) zijn wel enkele specifieke regels vervat. Hierin staat dat een inschrijving uit een derde land kan worden afgewezen door een speciale-sectorbedrijf, wanneer het aandeel van de uit derde landen afkomstige producten meer dan 50 % uitmaakt van de totale waarde van de producten waarop deze inschrijving betrekking heeft. Als er twee of meer gelijkwaardig zijn, moet het speciale-sectorbedrijf bovendien de voorkeur geven aan de inschrijving die niet op basis van deze regel kan worden afgewezen. Dit is in Nederland geïmplementeerd in artikel 3.76 van de Aanbestedingswet 2012.

Internationaal Aanbestedingsinstrument

De Europese Commissie heeft in de Mededeling over de toekomst van het handelsbeleid aangegeven dat zij bezig is met een reflectie over het verkrijgen van een gelijkwaardig speelveld voor EU- en niet-EU-bedrijven bij het verkrijgen van overheidsopdrachten. In tegenstelling tot de EU, die een voorkeur heeft voor meer openheid, zijn veel derde landen minder bereid hun markt (verder) te openen voor internationale concurrentie.

Meer informatie vindt u in onze notitie over de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijnen op pagina 10. Zie voor de laatste stand van zaken met betrekking tot het internationaal aanbestedingsdocument ook het dossier op de website van DG Interne markt.

Meer weten over dit onderwerp?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG


Nederlandse standpunten Toegang derde landen

Praktijkvragen Toegang derde landen