Zoeken
Brexit
Subonderwerpen

Vraag en Antwoord Brexit

Wat moet u weten om Brexit te begrijpen? Lees onze vragen en antwoorden en u bent op de hoogte van het Brexitproces.

Praktijkvraag: Hoe verschillende de verblijfsrechten van VK-burgers in een Nederlandse gemeente bij een deal of no-deal Brexit?

De verblijfsrechten van VK-burgers vóór 29 maart 2019

VK-burgers die in een Nederlandse gemeente als EU-burger verblijven en verblijfsrecht hebben, zullen dit verblijfsrecht behouden tot de Brexit indien hun situatie ongewijzigd blijft.

Wanneer VK-burgers die als EU-burger in een gemeente verblijven nog vóór de Brexit Nederlander worden en zij op 29 maart 2019 in het bezit zijn van een geldige, nationale vergunning, dan zal de Brexit geen invloed hebben op hun verblijfsrecht.

De rechten van VK-burgers na 29 maart 2019

VK-burgers die verblijf hebben in een Nederlandse gemeente zullen na de Brexit geen EU-burgers meer zijn. Dit zal gevolgen hebben voor de verblijfsrechten van VK-burgers in de gemeente na 29 maart 2019.

Op 13 november 2018 hebben de onderhandelaars van het VK en de EU een voorlopige uittredingsovereenkomst gesloten. Hierin zijn onder andere afspraken gemaakt over de verblijfsrechten van VK-burgers in de EU en van EU-burgers in het VK na de Brexit. De voorlopige uittredingsovereenkomst is pas definitief als deze is goedgekeurd door het Britse en Europees Parlement.

Wanneer de voorlopige uittredingsovereenkomst niet wordt goedgekeurd, zal er sprake zijn van een zogenaamde no-deal Brexit. Dit zal andere gevolgen hebben voor de verblijfsrechten van VK-burgers na 29 maart 2019 in gemeenten. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft VK-burgers in Nederland hierover een informatiebrief gestuurd waarin staat wat een mogelijke no-deal Brexit betekent voor hun verblijfsrechten. De informatiebrief, waarvan twee varianten zijn, is ook online te lezen op de Brexit-webpagina van de IND.

Een vertrek van het VK uit de EU mét afspraken (deal-scenario)

In de voorlopige uittredingsovereenkomst is afgesproken dat VK-burgers die vóór de Brexit rechtmatig verblijven in een lidstaat, na de Brexit gedurende de transitieperiode (tot 31 december 2020) hun (verblijfs)rechten zullen behouden. Dit betekent dat zij gedurende deze transitieperiode geen verblijfsdocument nodig hebben.

Ná 31 december 2020 zullen VK-burgers die vóór de Brexit rechtmatig verbleven in een Nederlandse gemeente een verblijfsdocument nodig hebben om ook na 31 december 2020 te blijven wonen, werken en studeren in Nederland. Hiervoor hoeven zij zelf geen actie te ondernemen. Gedurende de transitieperiode zullen deze VK-burgers namelijk worden uitgenodigd door de IND om een verblijfsdocument aan te vragen. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat in de gemeente woonachtige VK-burgers correct zijn geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP). De uitnodigingsbrief van de IND voor een nieuw verblijfsdocument zal namelijk naar het woonadres worden gestuurd waarop deze VK-burgers zijn geregistreerd in de BRP.

Wanneer een gemeente VK-burgers informeert over de Brexit is het daarom van belang te wijzen op de urgentie van een correcte registratie in de BRP. Daarnaast kan een gemeente VK-burgers met vragen over hun verblijfsrecht altijd doorverwijzen naar de Brexit-webpagina van de IND. De inhoud van deze pagina wordt aangepast bij ontwikkelingen.

Een vertrek van het VK uit de EU zonder afspraken (no deal-scenario)

Wanneer de voorlopige uittredingsovereenkomst niet wordt geratificeerd, zal er sprake zijn van een no deal-Brexit. Op 7 januari 2019 heeft het kabinet per Kamerbrief bekendgemaakt dat Britse burgers die op 29 maart 2019 rechtmatig in Nederland verblijven ook bij een no deal-Brexit in Nederland kunnen blijven gedurende een nationale overgangsperiode van 29 maart 2019 tot 1 juli 2020.

Tijdens de nationale overgangsperiode behouden VK-burgers die vóór de Brexit rechtmatig in Nederland verbleven hun verblijfsrechten. Wanneer er sprake is van een no deal-Brexit, zal de IND deze VK-burgers vóór 29 maart 2019 een brief sturen. Deze brief geldt als een tijdelijke verblijfsvergunning. Ook hiervoor is het wel noodzakelijk dat VK-burgers die in Nederlandse gemeenten woonachtig zijn, correct zijn geregistreerd in de BRP.

Ná 1 juli 2020 zullen VK-burgers die vóór de Brexit rechtmatig in een Nederlandse gemeente verbleven een nieuwe nationale verblijfsvergunning nodig hebben om te kunnen blijven wonen, werken en studeren in Nederland. Zij zullen voor 1 april 2020 door de IND worden uitgenodigd om een nationale verblijfsvergunning aan te vragen. De voorwaarden voor deze verblijfsvergunning zijn gelijk aan de verblijfsvoorwaarden voor EU-burgers.

Wanneer een gemeente VK-burgers informeert over de Brexit is het daarom van belang te wijzen op de urgentie van een correcte registratie in de BRP. Daarnaast kan een gemeente VK-burgers met vragen over hun verblijfsrecht doorverwijzen naar de Brexit-webpagina van de IND. De inhoud van deze pagina wordt aangepast bij ontwikkelingen.

Praktijkvraag: Dataopslag in het Verenigd Koninkrijk, hoe zit dat met de AVG na de Brexit?

Vraag:

Onze gemeente heeft delen van haar administratie, waarin ook persoonsgegevens zijn verwerkt, ondergebracht bij een databedrijf dat is gevestigd in het VK. Het databedrijf geeft aan dat het per 25 mei 2018 zal voldoen aan de voorwaarden van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ook heeft het bedrijf de intentie om aan de AVG te blijven te voldoen na 29 maart 2019, de waarschijnlijke Brexit-datum. Kan de gemeente er vanuit blijven gaan dat het verwerken van persoonsgegevens bij het databedrijf in het VK ‘AVG-proof’ zal blijven ondanks de Brexit?

Antwoord in het kort:

Nee, de gemeente kan hier niet zonder meer vanuit gaan. Het is waarschijnlijk dat het VK na de Brexit het Europese Hof van Justitie niet aanvaardt. Dit betekent dat het VK wordt gezien als derde land binnen het wettelijke kader van de AVG. Persoonsgegevens mogen dan alleen geoorloofd worden verwerkt in het VK, mits de Europese Commissie (EC) een zogenaamde adequaatheidsbeslissing neemt of dat de verwerker in het VK toeziet op passende waarborgen.

VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS BUITEN NEDERLAND MAAR BINNEN DE EU

Vanaf 25 mei 2018 dienen onder andere decentrale overheden de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) toe te passen. De AVG is sinds 2016 in werking en vervangt de Europese richtlijn bescherming persoonsgegevens (85/46/EG). In de AVG staan persoonsgegevens en de verwerking daarvan centraal. De verwerking van gegevens die geen persoonsgegevens zijn valt dus buiten de reikwijdte van de AVG. Verwerking in de context van de AVG is een breed begrip. Onder andere het opslaan van persoonsgegevens wordt als een verwerking gezien. Wanneer de gemeente in haar administratie persoonsgegevens opslaat zal zij dus moeten voldoen aan de verplichtingen die uit de AVG volgen.

TERRITORIALE WERKING AVG

De AVG heeft een territoriaal toepassingsgebied (art. 3 AVG), wat betekent dat de verordening van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in de gehele EU. De Europese wetgever heeft gekozen voor een verordening, zodat de afgesproken regels rechtstreeks toepasbaar zijn in alle EU-lidstaten. Dit betekent ook dat de regels voor de bescherming van persoonsgegevens gelijkgetrokken zijn tussen de lidstaten van de EU. Wel kunnen er verschillen zijn tussen lidstaten door de nadere invulling van lidstaten op specifieke onderdelen van de AVG die niet door de verordening zijn ingevuld. Deze nadere invulling word geregeld aan de hand van AVG-uitvoeringswetten die wél per lidstaat kunnen verschillen.

Wanneer de persoonsgegevens uit de administratie van de gemeente worden verwerkt in een andere EU-lidstaat  zal ook moeten worden voldaan aan de voorwaarden van de AVG om geoorloofd deze persoonsgegevens te verwerken. Zolang het VK nog een lidstaat van de EU is, wat het geval is wanneer de AVG van toepassing is op 25 mei 2018, is het geoorloofd dat de persoonsgegevens in het VK worden verwerkt mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de AVG. Meer informatie over wanneer een verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is volgens de AVG leest u op deze webpagina.

HET VERTREK VAN HET VK UIT DE EU

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk (VK) officieel aan de Europese Raad laten weten dat zij de EU gaat verlaten. De procedure van uittreding uit de EU is vastgelegd in art. 50 VEU. Daarin is bepaald dat het VK en de EU twee jaar de tijd hebben om tot een  uittredingovereenkomst te komen, voordat de Europese Verdragen officieel niet meer van toepassing zijn op het VK. Dit houdt in dat de onderhandelingen over het vertrek moeten zijn afgerond voor 29 maart 2019 en dat vanaf die datum het VK geen EU-lidstaat meer is. Het is dus zeer waarschijnlijk dat het VK vanaf 29 maart 2019 een zogeheten ‘derde land’ (niet-lidstaat) is, wat gevolgen zal hebben voor de toepassing en geldigheid van het EU-recht in allerlei kwesties waarbij het VK betrokken is.

Het is van belang te benadrukken dat de uitkomst van de onderhandelingen ten aanzien van het vertrek van het VK  nog niet zeker is. Ook staat de waarschijnlijke uittredingsdatum van 29 maart 2019 niet per definitie vast. Zo kan de Europese Raad, op basis van art. 50 lid 3 VEU, de uittredingstermijn van twee jaar eventueel verlengen. De verlenging moet dan wel met eenparigheid van stemmen door de Europese Raad  worden besloten. Ook moet het VK hier uiteraard mee instemmen.

DE AVG EN HET VK NA BREXIT: MOGELIJKE SCENARIO’S

Doordat het VK waarschijnlijk op 29 maart 2019 uit de EU zal treden en daarmee een ‘derde land’ wordt,  zal vanaf dat moment de Europese wet- en regelgeving niet meer van toepassing zijn in het VK.  Dit is niet het geval wanneer het VK met de EU afspraken zou maken over een transitieperiode of een toekomstige relatie waarbij het VK de rechtsmacht van het Europese Hof van Justitie (hierna: het Hof) aanvaardt. Hieronder worden enkele theoretische scenario’s van de Brexit en mogelijke implicaties met betrekking tot de AVG besproken.

  1. HET VK IS GEEN EU-LIDSTAAT MAAR AANVAARDT RECHTSMACHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE

Wanneer het VK afspraken zou maken met de EU over een transitieperiode of toekomstige relatie waarbij het VK het EU-recht blijft toepassen en de bevoegdheid van het Hof accepteert zou dit betekenen dat de AVG nog van toepassing is binnen het VK zonder dat het VK formeel deel uitmaakt van de EU. Over een dergelijke situatie stelt de AVG dan ook dat “Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een verwerkingsverantwoordelijke die niet in de Unie is gevestigd, maar op een plaats waar krachtens het internationaal publiekrecht het lidstatelijke recht van toepassing is” (art. 3 lid 3 AVG). Dit is bijvoorbeeld nu al het geval bij landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER), namelijk Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Dit zou kunnen betekenen, dat in het geval van bovenstaand scenario, de gemeentelijke persoonsgegevens geoorloofd verwerkt mogen worden in het VK, mits wordt voldaan aan de voorwaarden die volgen uit de AVG.

  1. HET VK IS GEEN EU-LIDSTAAT EN AANVAARDT NIET DE RECHTSMACHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE

Wanneer het VK uit de EU treedt en er niet wordt afgesproken dat het VK de rechtsmacht van het Hof aanvaardt dan zal toch de AVG van toepassing zijn wanneer in het VK persoonsgegevens worden verwerkt van een verwerkingsverantwoordelijke die gevestigd is in de EU. Dit blijkt uit artikel 3 lid 1 AVG: “Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke (…) ongeacht of de verwerking in de Unie al dan niet plaatsvindt”. Dit betekent dat in het geval van het bovenstaande scenario,  de gemeente er rekening mee moet houden dat de AVG van toepassing blijft als de persoonsgegevens worden verwerkt in het VK. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een apart kader in de AVG dat extra bepalingen neerlegt ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens buiten de EU.

Hoofdstuk vijf van de AVG stelt dat de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen, dus landen buiten de EU, alleen is toegestaan als is voldaan aan de nadere voorwaarden uit hoofdstuk vijf (art.44 AVG). Elke doorgifte en verwerking van persoonsgegevens in derde landen wordt eveneens gezien als een verwerking in de zin van de AVG. Ook hierbij zal moeten worden voldaan aan de voorwaarden uit de AVG. De bepalingen in hoofdstuk vijf van de AVG schetsen twee mogelijkheden waarbij het toegestaan is om persoonsgegevens in derde landen, wat het VK waarschijnlijk in de toekomst zal zijn, te verwerken.

A) DOORGIFTEN OP BASIS VAN ADEQUAATHEIDSBESLISSINGEN

Doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land is toegestaan wanneer de Commissie heeft besloten dat het betreffende derde land, of één of meerdere sectoren van dat land, een passend beschermingsniveau van de verwerking van persoonsgegevens waarborgt (art. 45 AVG). In dergelijke gevallen is er geen specifieke toestemming nodig voor de doorgifte. Tot dusver heeft de Commissie voor twaalf landen een adequaatheidsbeslissing  genomen. Bij de beoordeling of een derde land een voldoende beschermingsniveau waarborgt, kijkt de Commissie onder andere naar rechtsstatelijkheid, de effectiviteit van onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten die toezien op de naleving van gegevensbeschermingsregels en de internationale toezeggingen die het land heeft gedaan ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens.

Omdat de AVG voorafgaand aan de Brexit al wel van kracht is, is het niet onwaarschijnlijk dat het VK na de Brexit een zekere mate van bescherming van persoonsgegevens kan waarborgen. Dit betekent echter niet dat de Commissie na de Brexit automatisch een adequaatheidsbeslissing zal nemen. Ook voor het VK zal de Europese Commissie aan de hand van artikel 45 AVG moeten beoordelen of het VK voldoende waarborgen heeft ten aanzien van de blijvende bescherming van persoonsgegevens. Aan de hand van deze beoordeling zal de Commissie wel of niet een adequaatheidsbeslissing nemen. De Commissie heeft recent laten weten dat zolang er geen adequaatheidsbeslissing is genomen na de Brexit, de doorgifte naar en verwerking van persoonsgegevens in het VK alleen is toegestaan wanneer er aanvullende waarborgen worden genomen. Wanneer een dergelijke adequaatheidsbeslissing wél is genomen dan mogen de gemeentelijke persoonsgegevens geoorloofd worden verwerkt in het VK na de Brexit, mits wordt voldaan aan de bepalingen van de AVG die ook voor een verwerker binnen de EU zouden gelden.

 B) DOORGIFTEN OP BASIS VAN PASSENDE WAARBORGEN

Wanneer voor een derde land geen adequaatheidsbeslissing is genomen door de Commissie dan is doorgifte van persoonsgegevens naar dat land alleen toegestaan wanneer passende waarborgen worden getroffen door de verwerker om een voldoende beschermingsniveau van persoonsgegevens te verzekeren. Daarnaast moeten de betrokkenen, waarvan de persoonsgegevens worden verwerkt, over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken (art. 46 AVG). Dergelijke waarborgen kunnen de vorm hebben van:

  • standaardcontractbepalingen inzake gegevensbescherming die zijn vastgesteld door de Europese Commissie of Autoriteit Persoonsgegevens. De Commissie heeft reeds drie standaardcontractbepalingen vastgesteld (art. 46 lid 2 sub c en d AVG);
  • goedgekeurde gedragscodes of goedgekeurde certificeringsmechanismen gecombineerd met bindende en afdwingbare toezeggingen van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in het derde land om de passende waarborgen toe te passen (art.46 lid 2 sub e en f AVG);
  • een juridisch bindend en afdwingbaar instrument tussen overheidsinstanties of –organen, zoals een overeenkomst of verdrag (art. 46 lid 2 sub a AVG);
  • bindende bedrijfsvoorschriften die afdwingbare rechten toekennen aan betrokkenen waarvan persoonsgegevens worden verwerkt en gelden voor leden van een concern of groep ondernemingen die een gezamenlijke economische activiteit verrichten. Deze bedrijfsvoorschriften moeten wel zijn goedgekeurd door een bevoegde toezichthouder in de EU, zoals bijvoorbeeld de Autoriteit Persoonsgegevens (art. 47 AVG).

Zolang de eerder genoemde adequaatheidsbeslissing niet is genomen door de Commissie mogen de gemeentelijke persoonsgegevens niet-geoorloofd worden verwerkt in het VK na de Brexit, tenzij passende waarborgen worden getroffen door de verwerker in het VK.

C) UITZONDERINGEN

Wanneer het niet mogelijk is om met de verwerker in het derde land passende waarborgen te treffen dan zijn er in specifieke omstandigheden enkele uitzonderingen waardoor verwerking van persoonsgegevens in een derde land alsnog geoorloofd is (art. 49 AVG). Het gaat dan om situaties waarbij bijvoorbeeld de betrokkene uitdrukkelijk met de voorgestelde doorgifte naar het derde land heeft ingestemd of wanneer doorgifte noodzakelijk is wegens gewichtige redenen van algemeen belang. Alle geoorloofde uitzonderingen zijn opgesteld in art. 49 AVG. Wanneer hier sprake van is, dan is het voor de gemeente niet noodzakelijk om met de verwerker in het VK passende waarborgen te treffen wanneer er geen adequaatheidsbeslissing is genomen na de Brexit. Wel is het vereist dat de gemeente de Autoriteit Persoonsgegevens informeert over wanneer gebruik wordt gemaakt van een dergelijke uitzondering (art. 49 lid 2 AVG).

 

Praktijkvraag: Kan de Britse nationaliteit worden aangenomen zonder de Nederlandse nationaliteit te verliezen?

Vraag:

Onze gemeente krijgt vragen van burgers met betrekking tot de Brexit. Nederlandse burgers met een Britse achtergrond, die aanspraak maken op de Britse nationaliteit vrezen dat zij zonder de Britse nationaliteit na de Brexit niet langer vrij kunnen reizen en verblijven in het VK. Kan uit voorzorg de Britse nationaliteit worden aangenomen, zonder dat men de Nederlandse nationaliteit (en daarmee het Unieburgerschap) verliest?

Antwoord in het kort:

Het vrijwillig aannemen van de Britse nationaliteit door een meerderjarige leidt in beginsel tot verlies van de Nederlandse nationaliteit. Hier zijn echter uitzonderingen op mogelijk. Voor een minderjarige die Brit wordt, geldt bijvoorbeeld dat hij de Nederlandse nationaliteit niet verliest zolang één van de ouders het Nederlanderschap bezit. Het Unieburgerschap is in de Europese verdragen gekoppeld aan het bezit van de nationaliteit van een EU-lidstaat. Omdat het VK na de uittreding uit de EU een zogeheten ‘derde land’ (oftewel een niet-lidstaat) wordt, zullen Britse burgers daarmee ook het Unieburgerschap verliezen.

De Brexit-onderhandelingen tussen het VK en de EU zijn nog gaande. Er wordt momenteel onder meer onderhandeld over de rechten van burgers na de Brexit. De uitkomsten daarvan zijn nog onbekend. Over een mogelijke transitieperiode, waarin eventueel delen van het EU-recht (waaronder het vrij verkeer van personen) voorlopig gehandhaafd blijven in het VK, wordt nog niet onderhandeld. De Europese Raad constateerde onlangs dat er onvoldoende vooruitgang is in de onderhandelingen om nu al te spreken over het kader voor de toekomstige betrekkingen en mogelijke overgangsregelingen.

VERLIES VAN DE NEDERLANDSE NATIONALITEIT

Iedere EU-lidstaat bepaalt zelf onder welke voorwaarden iemand de nationaliteit van dat land kan verkrijgen of verliezen. De verkrijging en het verlies van de Nederlandse nationaliteit is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Volgens deze wet gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit (artikel 15 lid 1 aanhef en sub a Rijkswet op het Nederlanderschap). Dat betekent dus dat ook het vrijwillig aannemen van de Britse nationaliteit in beginsel leidt tot het verliezen van de Nederlandse nationaliteit. Zodra het VK de EU heeft verlaten, betekent dit waarschijnlijk dat met het verliezen van de Nederlandse nationaliteit ook automatisch het Unieburgerschap verloren gaat.

Een meerderjarige verliest in beginsel dus het Nederlanderschap door het vrijwillig verkrijgen van de Britse nationaliteit. Daarop zijn echter drie uitzonderingen mogelijk, namelijk:

  • wanneer de betreffende burger is geboren in het VK en daar ten tijde van de verkrijging van de Britse nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft;
  • voordat de betreffende burger meerderjarig werd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaar zijn hoofdverblijf in het VK heeft gehad;
  • wanneer de betreffende burger de Britse nationaliteit aanneemt van een echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner, dan gaat het Nederlanderschap niet verloren.

Dit blijkt uit artikel 15 lid 2 Rijkswet op het Nederlanderschap en een verzameling van veelgestelde vragen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit die is opgesteld door het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Voor een minderjarige die de Britse nationaliteit krijgt, geldt onder meer dat hij de Nederlandse nationaliteit niet verliest zolang een van de ouders het Nederlanderschap bezit (artikel 16 lid 2 aanhef en sub a Rijkswet op het Nederlanderschap). Hierbij moet worden opgemerkt dat het kabinet-Rutte III in het regeerakkoord heeft aangegeven dat voorstellen ter modernisering van het nationaliteitsrecht worden voorbereid. Het betreft een verruiming van de mogelijkheid van het bezit van meerdere nationaliteiten. Verder heeft het kabinet in het kader van de Brexit-onderhandelingen speciale aandacht voor de positie van Nederlanders in het VK, aldus het regeerakkoord.

UNIEBURGERSCHAP

Het Unieburgerschap is geïntroduceerd binnen de EU door het Verdrag van Maastricht uit 1992. Tegenwoordig zijn de belangrijkste bepalingen over het Unieburgerschap te vinden in artikel 20 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). In artikel 20 wordt gesteld dat iedereen die de nationaliteit van een EU-lidstaat bezit, tevens burger van de Unie is. Het Unieburgerschap is dus gekoppeld aan het nationale burgerschap en komt niet in de plaats daarvan. Iedere lidstaat bepaalt, zoals hierboven ook wordt uitgelegd, zelf onder welke voorwaarden iemand de nationaliteit van dat land kan verkrijgen of verliezen.

Unieburgers genieten het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Verder hebben zij onder andere het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement en bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, het recht op bescherming van diplomatieke en consulaire instanties van andere lidstaten en het recht zich tot de Europese Ombudsman te wenden. Het Unieburgerschap is in de loop der jaren nader ingevuld door secundaire EU-wetgeving en in de rechtspraak van het Hof van Justitie EU.

BREXIT-PROCES

Momenteel wordt onderhandeld over de uittreding van het VK uit de EU. Het uittredingsproces is neergelegd in artikel 50 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en bepaalt dat de vertrekkende lidstaat met de EU onderhandelt over de voorwaarden van het vertrek in een uittredingsovereenkomst. Binnen deze overeenkomst zal onder meer worden vastgelegd hoe de burgerrechten van Britse burgers binnen de EU kunnen worden geborgd en vice versa. De precieze uitkomst van de onderhandelingen is vooralsnog onbekend.

Zodra het VK de EU definitief verlaat, verliezen Britse burgers volgens de huidige regels hun Unieburgerschap en worden ze gezien als ‘derdelanders’ (personen met de nationaliteit van een land dat geen EU-lidstaat is). Er wordt momenteel onderhandeld over de rechten van burgers na de Brexit. De uitkomst van deze onderhandelingen is onbekend. Daarom kunnen er nog geen juridische garanties worden geboden aan betrokken burgers uit het VK en de andere EU-lidstaten. Zodra hierover meer duidelijkheid bestaat, zal vanuit kenniscentrum Europa decentraal nadere informatie volgen en zal deze Praktijkvraag worden aangepast.

Wat is het standpunt van het Europees Parlement over de Brexit?

Het Europees Parlement is nauw betrokken geweest bij de onderhandelingen over het terugtrekkingsakkoord. Volgens artikel 50 VEU moet het Parlement goedkeuring verlenen aan het uiteindelijke akkoord. Het Parlement heeft op 5 april 2017 een resolutie aangenomen waarin sleutelvoorwaarden voor de Brexit-onderhandelingen zijn uiteengezet. Europarlementariërs hebben de EU en het Verenigd Koninkrijk opgeroepen om de onderhandelingen in te gaan op basis van volledige transparantie en goed vertrouwen. De Brexit-stuurgroep coördineert de besluiten en resoluties met betrekking tot de Brexit namens het Europees Parlement. Onlangs hebben zij positie ingenomen over de ontwikkelingen in het Brits parlement.

ALGEMENE PUNTEN

In de sleutelvoorwaarden voor de Brexit-onderhandelingen, die in de aangenomen resolutie van 5 april 2017 staan, worden een aantal belangrijke zaken benadrukt:

  • Gelijke en eerlijke behandeling van EU burgers die in het VK wonen en burgers uit het VK die in EU landen wonen moet gegarandeerd worden.
  • Het VK blijft lid van de EU tot het officiële vertrek. Dit brengt uiteraard rechten en plichten met zich mee. Dit houdt ook in dat financiële verplichtingen die aangegaan zijn vóór vertrek uit de EU maar doorlopen tot na de datum van het officiële vertrek moeten worden voldaan.
  • De vier vrijheden van de interne markt: vrij verkeer van goederen, kapitaal, diensten en personen zijn ondeelbaar.

STANDPUNT OVER TOEKOMSTIGE RELATIE

Op 14 maart 2018 heeft het Europees Parlement richtlijnen aangenomen voor de toekomstige relatie. Hierin benadrukt het zijn officiële rol en merkt daarnaast onder andere op dat:

  • Een derde land niet dezelfde rechten en voordelen mag hebben als een lidstaat van de EU;
  • De interne markt en zijn werking beschermd moet blijven;
  • Dat het VK een belangrijke partner blijft van de EU.

Verder stelt het Europees Parlement in de toekomst een goede relatie tussen de EU en het VK te willen opbouwen, gebaseerd op vier waarden:

  • Handel en economische relaties
  • Buitenlands beleid, veiligheidssamenwerking en ontwikkelingssamenwerking
  • Interne veiligheid
  • Thematische samenwerking

REACTIE BREXIT-STUURGROEP OP STEMMING BRITS PARLEMENT 2019

De Brexit-stuurgroep heeft na de afwijzing van het terugtrekkingsakkoord van het Britse Parlement het VK opgeroepen om haar positie over het verdere verloop van de Brexit te verduidelijken. Ook heeft de Brexit-stuurgroep laten weten achter het huidige akkoord te staan en dat hier niet opnieuw over valt te onderhandelen. Daarnaast stellen zij dat het Europees Parlement niet akkoord zal gaan met een uittredingsakkoord waar geen “backstop” (noodoplossing) voor de Ierse grenskwestie in is opgenomen. Tenslotte geven zij aan dat het Europees Parlement open zal staan voor een nog ambitieuzere toekomstige relatie tussen de EU en het VK.

Wat is het standpunt van het Comité van de Regio’s over Brexit?

Het Europees Comité van de Regio’s (CvdR) heeft een resolutie over de gevolgen van de Brexit voor Europese steden en regio’s aangenomen. Formeel is het CvdR niet betrokken bij de onderhandelingen tussen het VK en de EU.

RELEVANTIE VOOR NEDERLANDSE (DECENTRALE) OVERHEDEN

Naast de algemene standpunten, benoemt het Comité ook punten die relevant zijn voor lokale en regionale Nederlandse overheden:
• Het Comité benoemt dat Britse decentrale overheden en lokale bestuursorganen na 2020 ook aan programma’s voor territoriale samenwerking moeten kunnen deelnemen.
• Er moet daarnaast bijzondere aandacht worden besteed aan de samenwerking van lokale en regionale overheden in gebieden die aan de Ierse Zee, het Kanaal en de Noordzee liggen.
• Er moet vermeden worden dat de daling van het gemiddelde bbp per inwoner in de EU (als gevolg van de Brexit) resulteert in een uitsluiting van bepaalde regio’s voor Europese structuur- en investeringsfondsen.
• Er moet worden ingezet op het verzachten van de consequenties voor alle betrokken regio’s en lokale overheden met betrekking tot het Europees maritiem- en visserijbeleid.

Wat zijn de gezamenlijke standpunten van de andere Europese lidstaten over de Brexit?

In de Brexit-onderhandelingen is door de Europese raad besloten dat de 27 Europese lidstaten in eenheid naar buiten treden en handelen. Dit betekent dat de lidstaten niet individueel mee doen in de onderhandelingen. De werkwijze van de 27 Europese lidstaten – ook wel de EU27 genoemd – is uitgewerkt in twee onderhandelingsrichtsnoeren van de Europese Raad.

Op 14 november bereikten de onderhandelaars van de EU27 en het VK een akkoord over het terugtrekkingsakkoord. Op 25 november hebben alle leiders van de EU27 zowel het terugtrekkingsakkoord als de politieke verklaring over de toekomstige relatie tussen de EU en het VK goedgekeurd.

Op 13 december 2018 hield de Europese Raad een buitengewone bijeenkomst om te vergaderen over de Brexit en het uittredingsakkoord. Tijdens deze bijeenkomst bevestigde de Europese Raad nogmaals de goedkeuring van het terugtrekkingsakkoord, en de politieke verklaring. Ook werd benadrukt dat er niet opnieuw over het akkoord kan worden onderhandeld.

Wat is het standpunt van het Verenigd Koninkrijk over de Brexit?

Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft haar onderhandelingspositie ten opzichte van de Brexit duidelijk gemaakt via een aantal papers en speeches. Hoewel het VK minder zogenaamde position papers publiceert dan de EU, zijn er wel degelijk standpunten ingenomen over bijvoorbeeld douane en toekomstige handelsrelaties. De Britse regering heeft op 2 februari 2017 een White Paper gepresenteerd waarin het de inzet schetst voor het vertrek uit en een nieuw partnerschap met de EU. Hierin werd onder andere ingezet op:

  • controle over wetten en grenzen;
  • het beschermen van rechten van EU-burgers in het VK en VK-burgers in de EU;
  • een vrijhandelsverdrag met Europa;
  • de EU helpen met haar strijd tegen criminaliteit en terrorisme.

TERUGTREKKINGSAKKOORD

Op 14 november werd er een terugtrekkingsakkoord bereikt tussen het VK en de EU op onderhandelaarsniveau. Dit akkoord is goedgekeurd door de Britse regering. Om het akkoord te ratificeren is echter ook de goedkeuring van het Britse parlement nodig. Op dinsdag 15 januari heeft het Lagerhuis (House of Commons) van het Britse parlement gestemd over de Brexit-terugtrekkingsakkoord. Het akkoord is afgewezen met 202 stemmen voor de deal en 432 stemmen tegen. Het is nog niet bekend of er alsnog een meerderheid voor een (aangepaste versie van het) terugtrekkingsakkoord gevormd zal worden.

Wat is artikel 50?
Artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) omvat de te volgen procedures en voorwaarden indien een lidstaat zich wil terugtrekken uit de EU. De eerste lidstaat die gebruikmaakt van artikel 50 is het VK, deze heeft artikel 50 VEU geactiveerd op 29 maart 2017.

Procedure

In artikel 50 VEU staat aangegeven dat de terugtrekking van een lidstaat, in dit geval het VK, uit de EU als volgt moeten verlopen. Ten eerste stelt de lidstaat de Europese Raad in kennis van het voornemen om uit te treden. Vervolgens stelt de Europese Raad richtsnoeren vast voor de uittredingsonderhandelingen tussen de EU en de lidstaat. Daarna mandateert de Raad van de EU conform artikel 218 lid 3 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) de Commissie dat de onderhandelingen gaat voeren.

De Commissie voert dus ook de uittredingsonderhandelingen met het VK. Michel Barnier is door de Commissie aangewezen als hoofdonderhandelaar. Hij moet aan de Raad en de Europese Raad rapporteren over de voortgang en het Europees Parlement op de hoogte houden. Als overeenstemming is bereikt moet het Europees Parlement dit akkoord goedkeuren. Als dat gebeurd is sluit de Raad van de EU het akkoord met de uittredende lidstaat. De Raad neemt dit besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

In artikel 50 VEU is ook bepaald dat vertegenwoordigers van de uittredende lidstaat niet deelnemen aan de besluitvorming in de Europese Raad en de Raad over het eigen vertrek. Daarom voert de EU deze onderhandelingen namens de overige 27 lidstaten, oftewel de EU27.

Als een uitgetreden lidstaat na het vertrek toch weer lid wil worden van de EU, dan moet conform artikel 49 VEU opnieuw een toetredingsprocedure worden gevolgd.

Toepassing EU-verdragen

De toepassing van de EU-verdragen op de uittredende lidstaat vervalt automatisch twee jaar na de datum van de kennisgeving aan de Europese Raad van het voornemen om de EU te verlaten. Daarom zal het VK op 29 maart 2019 de EU verlaten. Als er voor die tijd een terugtrekkingsakkoord is gesloten, vervalt de toepassing van de Verdragen met de inwerkingtreding van het akkoord. Verlenging van deze periode van twee jaar is alleen mogelijk met instemming van zowel het VK als de Europese Raad.

Op 10 december 2018 besloot het Europese Hof van Justitie dat een lidstaat die heeft aangegeven de EU te willen verlaten, dit voornemen eenzijdig kan intrekken. Dit is volgens het Hof echter alleen mogelijk binnen de periode van twee jaar na de kennisgeving van het voornemen om de EU te verlaten, én als er nog geen terugtrekkingsakkoord in werking is getreden.

Wat zijn de bevoegdheden van de instituties van de EU?

De Europese Unie bestaat uit verschillende instituties. Zo sluit de Raad, namens de EU, een akkoord over de voorwaarden van de terugtrekking van een lidstaat. Welke formele rol de Europese instituties hebben in het uittredingsproces, wordt hieronder uiteengezet.

De Europese Raad

Over de terugtrekkingsovereenkomst wordt besloten door de Raad door middel van een stemming met gekwalificeerde meerderheid. De regels voor deze gekwalificeerde meerderheid zijn vastgelegd in art. 238 lid 3 sub b VWEU.

Met betrekking tot de Brexit is een gekwalificeerde meerderheid bereikt als ten minste 72% van de leden van de Raad instemt met de overeenkomst, en als de bevolking van de lidstaten die de instemmende Raadsleden vertegenwoordigen bij elkaar ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de hele EU.

Oftewel, minstens 20 lidstaten moeten instemmen met de overeenkomst. Deze 20 lidstaten moeten gezamenlijk minimaal 65 % van de EU-bevolking vertegenwoordigen. Bij een uittredingsakkoord hoeft dus niet elke lidstaat toestemming te verlenen, in tegenstelling tot het sluiten van een toetredingsakkoord van een nieuwe lidstaat.

Europese Commissie

De Europese Commissie heeft van de Raad het mandaat gekregen om de uittredingsonderhandelingen met het VK te voeren. Hiervoor is de Taskforce Artikel 50 (beter bekend als de Brexit-taskforce) opgericht, geleid door Michel Barnier, de hoofdonderhandelaar. De taskforce is gebonden door onderhandelingsrichtsnoeren, die zijn vastgesteld door de Raad. Als er een akkoord is bereikt, zal de Raad van de Europese Unie zich daar vervolgens over uit spreken.

Europees Parlement

Een positieve uitkomst van de stemming van de Raad is echter niet voldoende. Het Europees Parlement moet ook instemmen met het uittredingsakkoord. Het Parlement besluit bij eenvoudige meerderheid over goedkeuring van een akkoord inzake de terugtrekking.

Hof van Justitie

Het Hof van Justitie (Hof) van de Europese Unie houdt toezicht op de juiste toepassing van de EU-wetgeving en verdragen, dus ook ten aanzien van artikel 50 VEU. De uittredingsovereenkomst wordt gesloten tussen de EU en het VK, niet tussen de lidstaten en het VK. Het krijgt de status van een internationale overeenkomst, waardoor het uittredingsverdrag onderwerp kan zijn van rechterlijke toetsing door het Hof.

Comité van de Regio’s

Het Comité van de Regio’s heeft geen formele rol binnen de Brexit onderhandelingen. Het Comité heeft zich echter wel toegelegd op actieve betrokkenheid bij het proces.

Hoe ziet het huidige terugtrekkingsakkoord eruit?

Artikel 50 VEU schrijft voor dat de uiterlijke datum voor het sluiten van een terugtrekkingsakkoord twee jaar na het verzoek tot uittreding is. De kennisgeving is door het VK op 29 maart 2017 ingediend. Dit houdt in dat het terugtrekkingsakkoord moet zijn gesloten voor 29 maart 2019. Echter, artikel 50 lid 3 VEU geeft de Europese Raad de mogelijkheid om deze termijn te verlengen. De verlenging moet dan wel met eenparigheid van stemmen door de Europese Raad  worden besloten. Ook moet het VK hiermee instemmen.

Inhoud van het terugtrekkingsakkoord

Het terugtrekkingsakkoord ziet toe op de voorwaarden van uittreding van het VK uit de EU. Volgens artikel 50 VEU moeten ook de toekomstige betrekkingen van het VK en de EU hierbij in acht genomen worden. De afspraken uit het uittredingsakkoord zullen van tijdelijke aard zijn, aangezien deze voorwaarden toezien op de uittreding van het VK en de overgangssituatie. De toekomstige relatie tussen het VK en de EU zal in afzonderlijk(e) verdrag(en) moeten worden geregeld.

Op 14 november 2018 bereikten de onderhandelaars van de EU27 en het VK een akkoord over het terugtrekkingsakkoord. De belangrijkste afspraken in het akkoord zijn onder andere:

  • VK-burgers die vóór de Brexit rechtmatig verblijven in een lidstaat, behouden na de Brexit gedurende de transitieperiode (tot 31 december 2020) hun opgebouwde (verblijfs)rechten. Na de transitieperiode is een verblijfsvergunning nodig. Ditzelfde geldt voor EU-burgers die in het VK verblijven;
  • De Britten blijven tot en met 2020 meebetalen aan de Europese begroting, wat neerkomt op ruim 40 miljard euro;
  • De backstop (noodoplossing) moet garanderen dat de Noord-Ierse grens met Ierland open blijft. Deze backstop houdt in dat het VK een douane-unie blijft vormen met de EU tot er een vervolgakkoord met een permanente oplossing voor de Ierse grenskwestie is uit onderhandeld.

Bij het terugtrekkingsakkoord hoort ook een politieke verklaring voor de toekomstige relatie tussen het VK en de EU. Hierin zetten de EU en het VK hun intenties uiteen voor een toekomstig partnerschap met betrekking tot onder andere economische samenwerking, buitenlands beleid en internationale veiligheid.

Dit akkoord is goedgekeurd door de Europese Raad en de Britse regering. Het Britse parlement heeft op 15 januari 2019 over het akkoord gestemd en deze is toen niet aangenomen. Het is hierdoor nog niet duidelijk of het terugtrekkingsakkoord alsnog geratificeerd wordt.

Wat gebeurt er na de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU?

Het VK zal op 29 maart uittreden uit de EU en wordt daarmee een derde land. Het is echter nog niet duidelijk hoe de Brexit zal verlopen. Er zijn twee scenario’s mogelijk, namelijk een Brexit met terugtrekkingsakkoord en een no deal-Brexit.

Brexit met terugtrekkingsakkoord

Als er voor 29 maart een terugtrekkingsakkoord wordt gesloten tussen het VK en de EU, zal er sprake zijn van een transitieperiode. Deze periode duurt in principe tot 31 december 2020, maar kan eventueel verlengd worden. Tijdens de transitieperiode zal onderhandeld worden over de toekomstige relatie tussen de EU en het VK. Bij het terugtrekkingsakkoord hoort ook een politieke verklaring over de toekomstige relatie. De belangrijkste uitgangspunten hiervan zijn:

  • economische samenwerking en een vrijehandelszone;
  • bescherming van arbeiders en consumenten;
  • samenwerking op het gebied van duurzaamheid, milieu en klimaatverandering;
  • samenwerking op het gebied van internationale veiligheid.

No deal-Brexit

Een no deal-Brexit zou inhouden dat er geen terugtrekkingsakkoord wordt gesloten en geen afspraken worden gemaakt over toekomstige betrekkingen. Alle EU verdragen, verordeningen en richtlijnen komen in dit geval per 29 maart te vervallen voor het VK. Handel tussen EU-lidstaten en het VK zou dan geschieden via de ‘derde land’ regels van de WTO. Dit zou veel handelsbarrières creëren die een negatief effect hebben op onder andere geïntegreerde productieketens.

De Europese Commissie is sinds december 2018 bezig met het publiceren van voorbereidingsplannen voor een no deal-Brexit. Zo publiceerde zij op 19 december een actieplan over zaken als verblijfsrechten, sociale zekerheid, financiële diensten, luchttransport, wegtransport, goederenexport en Europees klimaatbeleid. Ook de Nederlandse regering houdt zich bezig met de voorbereidingen op een no deal-scenario, onder andere door middel van een crisisplan voor de eerste drie dagen na de Brexit en een voorstel voor de verzamelwet.

Hoe bereidt Nederland zich voor op een no deal-Brexit?

Omdat het nog niet duidelijk is of het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het VK geratificeerd zal worden, treft het Nederlandse kabinet verschillende noodmaatregelen om het land voor te bereiden op een eventuele no deal-Brexit. Dit doen zij onder andere door middel van de verzamelwet en een crisisplan voor de eerste drie dagen na de Brexit.

Verzamelwet

Op 29 januari 2019 heeft de Tweede Kamer een verzamelwet voor de Brexit aangenomen. In de verzamelwet stelt het kabinet een aantal wetswijzigingen voor die nodig zijn voor een ordelijk uittreding van het VK. Bijvoorbeeld wijzigingen in regelgeving op het gebied van sociale zekerheid en zorgverzekering om de nieuwe status van het VK en zijn burgers te regelen.

Artikel X van de verzamelwet zorgt voor een regelgevende bevoegdheid voor een overgangs- of spoedeisende situatie. Voorzieningen die nodig zijn voor een goed verloop van de terugtrekking kunnen tot een jaar na de datum van de terugtrekking genomen worden per algemene maatregel van bestuur (AMvB) of ministeriële regeling. Betreft dit een structurele afwijking van de wet, dan wordt vervolgens een voorstel ingediend dat de wet dusdanig wijzigt dat de (nood)voorziening niet langer nodig is. Dit voorstel geeft het kabinet bevoegdheden om op te treden en de uittreding van het VK uit de EU in goede banen te leiden.

De verzamelwet ligt momenteel ter goedkeuring bij de Eerste Kamer. Het voorbereidend onderzoek door de Eerste Kamercommissie voor Europese Zaken (EUZA) vindt plaats op 19 februari 2019. Er zal later plenair gestemd worden over de wet.

Crisisplan

Het kabinet werkt ook aan een crisisplan voor de eerste drie dagen na een eventuele no deal-Brexit, omdat Nederland in deze cruciale periode hard geraakt kan worden. Het is dus van belang dat het kabinet zich samen met een aantal gemeenten voorbereidt op de mogelijkheid tot het tegelijkertijd ontstaan van problemen in de luchtvaart, het verkeer en problemen rondom de invoer van medische hulpmiddelen. Minister Blok is inmiddels begonnen met het organiseren van bureau-oefeningen en bredere sessies in samenwerking met de douane, marechaussee, provincies, gemeenten en het bedrijfsleven.

Voorlichting

Het is van belang dat ook decentrale overheden, ondernemers en burgers zich bewust zijn van de gevolgen van de Brexit en zich hierop voorbereiden. Daarom is er naast het Brexit-loket voor decentrale overheden een Brexit-loket voor ondernemers ingesteld, verschaft Rijkoverheid algemene informatie over de Brexit, en licht de Immigratie- en Naturalisatiedienst burgers voor over de gevolgen rondom burgerzaken en verblijfsrechten.

Wat verandert er aan het Meerjarig Financieel Kader na de Brexit?
Elke zeven jaar wordt er een nieuw Meerjarig Financieel Kader afgesloten, waarin de EU besluit wat ze gaan uitgeven en hoe ze dat gaan doen. Het uittreden van het VK uit de EU zal effect hebben op de EU-begroting, aangezien de bijdrage van het VK zal wegvallen na de Brexit.

Lopend MFK

Het huidige MFK loopt van 2014 tot en met 2020. Dit is opgesteld toen het VK nog lid was. Het nakomen van de betalingsverplichtingen van het VK was onderdeel van de eerste fase van de Brexit-onderhandelingen. Het VK heeft toegezegd om zijn betalingsverplichtingen na te komen, het gaat om een bedrag van 40 miljard euro. Mede dankzij deze toezegging stemde de Europese Raad in december 2017 in met het opstarten van de tweede fase van de onderhandelingen. Inmiddels zijn de onderhandelingen van de tweede fase in volle gang, maar uit deze onderhandelingen zijn nog geen nieuwe conclusies gekomen betreffende het MFK.

Nieuwe MFK

De onderhandelingen over het nieuwe MFK zijn eind februari begonnen op een informele top. Aangezien het VK de Europese Unie wil verlaten, maken zij geen onderdeel uit van de onderhandelingen. Of er eventueel een transitieperiode komt en of dit leidt tot een verdere bijdrage van het VK aan het nieuwe MFK was onder andere onderwerp van de onderhandelingen. De voorkeur van de Europese Raad is een overeenkomst tot 31 december 2020, een dag voordat het nieuwe MFK ingaat (1 januari 2021). Het VK heeft dus geen formele invloed op de nieuwe Regio- en Structuurfondsen, maar de Brexit wel, aangezien het VK een bijdrager is aan de begroting

Brexit effect

Het vertrek van het VK zorgt er dus mogelijk voor dat er minder geld beschikbaar is voor de nieuwe begroting. Volgens een studie, uitgevoerd in Oktober 2017 in opdracht van de commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (AGRI) van het Parlement, zal de uittreding van het VK leiden tot een jaarlijks tekort van € 10,2 miljard in de EU-begroting. De inschatting is dat dit leidt tot een disproportionele toename in de bijdrages van de grootste nettobetalers van de EU. Nederland is een van de grootste nettobetalers.

Nieuw voorstel

Op 2 mei 2018 publiceerde de Commissie een voorstel voor het nieuwe MFK. Hierin stelt de Commissie dat het vertrek van het VK uit de EU inderdaad een financiële impact gaat hebben en dat het nieuwe MFK hier passend op moet reageren. In het voorstel staat dat de bijdrages van alle lidstaten verhoogd moeten worden, maar dat het budget ook efficiënter besteed moet worden. Ook moet het tekort veroorzaakt door het vertrek van de VK gecompenseerd worden met nieuwe middelen, en besparingen en herindelingen van bestaande programma’s. De meeste lidstaten staan welwillend tegenover een verhoging van de eigen bijdrage aan het EU-budget. Naast Nederland zijn er nog enkele lidstaten die van mening zijn dat de eigen bijdrage niet omhoog zou moeten gaan. Meer informatie over het Nederlandse standpunt vindt u hier.


X