Voorwaarden eisen

Decentrale overheden kunnen de toegang tot of de uitoefening van diensten niet zomaar afhankelijk stellen van alle eisen. Ook is onder de Dienstenrichtlijn het invoeren van een vergunningstelsel aan bepaalde eisen onderworpen. Op deze pagina zal worden ingegaan op de eisen die zijn toegestane en verboden eisen. Ook zal het onderscheid tussen eisen die worden opgelegd aan dienstverleners die zich permanent vestigen en die tijdelijk diensten in een andere lidstaat aanbieden worden verduidelijkt.

Verboden eisen vestiging dienstverleners

Artikel 14 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat decentrale overheden de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk mogen stellen van eisen die genoemd zijn in dit artikel. Zo is het bijvoorbeeld verboden om discriminerende eisen in te stellen die direct of indirect verband houden met de nationaliteit van de dienstverrichter (lid 1). Ook is het verboden om een verbod in te stellen op het hebben van een vestiging in meer dan één lidstaat (lid 2). Het artikel noemt nog zes andere verboden eisen. Decentrale overheden mogen dergelijke eisen dus niet stellen.

Te onderzoeken eisen vestiging dienstverleners

In artikel 15 van de Dienstenrichtlijn zijn eisen opgenomen die aan evaluatie onderworpen zijn. Decentrale overheden worstelen regelmatig met het stellen van eisen op grond van artikel 15 lid 2 sub a Dienstenrichtlijn. Voor een praktische toepassing van dit vraagstuk kunt u onder meer onze praktijkvragen over evenementenvergunningen en verkeersveiligheid bekijken. Een ander voorbeeld van een eis die aan evaluatie is onderwerpen is het hebben van een bepaalde rechtsvorm (sub b) of eisen aangaande het aandeelhouderschap van een ondernemer (sub c). Ook sub h levert wel eens vragen op bij decentrale overheden, zoals in deze praktijkvraag over de exploitatie van een tankstation is behandeld.

Wanneer decentrale overheden de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk stellen van één van deze niet-discriminerende eisen, moet lidstaten vervolgens onderzoeken of deze eisen aan de voorwaarden in lid 3 voldoen. Dit betekent dat een gestelde eis ook non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig moet zijn. Als de eis in de desbetreffende bepaling gerechtvaardigd kan worden, dan is deze aanvaardbaar. In dat geval moet deze worden genotificeerd bij de Europese Commissie.

DAEB

Indien de eis in de desbetreffende regelgeving niet aanvaardbaar is volgens bovengenoemde criteria, maar de eis nodig is voor de vervulling van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) dan kan de eis toch gehandhaafd worden en dient deze te worden genotificeerd bij de Commissie. Artikel 15 lid 4 Dienstenrichtlijn bepaalt namelijk dat het toetsingskader voor beoordelingsverplichte vereisten bij DAEB alleen van toepassing is, voor zover dit de vervulling en uitoefening van een bijzondere taak niet belemmert.

Welke verplichtingen hebben decentrale overheden in verband met tijdelijke dienstverrichting?

In artikel 16 lid 1 Dienstenrichtlijn wordt de kern van het vrij verrichten van diensten weergegeven:

  • De lidstaten eerbiedigen het recht van dienstverrichters om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn.
  • De lidstaat waar de dienst verricht wordt, zorgt voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit op zijn grondgebied.
  • De lidstaten maken de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de naleving van eisen die niet aan de volgende beginselen voldoen:
    • discriminatieverbod; de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor rechtspersonen, naar de lidstaat waar zij gevestigd zijn;
    • noodzakelijkheid; de eisen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming;
    • evenredigheid; de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken.

Kan er ook een beroep worden gedaan op een dwingende reden van algemeen belang?

In artikel 16 lid 3 van de Dienstenrichtlijn zijn de rechtvaardigingsgronden openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid de bescherming van het milieu expliciet genoemd. Echter, in de rechtsspraak van het Europese Hof van Justitie zijn ook andere dwingende redenen van algemeen belang ontwikkeld die als rechtvaardiging kunnen dienen voor een restrictie op het vrij verkeer van diensten. Met de codificatie van een aantal gronden in de Dienstenrichtlijn is onduidelijk of deze “dwingende redenen van algemeen belang” ook kunnen worden ingeroepen wanneer het gaat om vrij verkeer van diensten die onder de Dienstenrichtlijn vallen, of dat enkel nog een beroep kan worden gedaan op de gecodificeerde uitzonderingen in artikel 16 van de Dienstenrichtlijn. Dit moet nog blijken uit de rechtsspraak van het Hof van Justitie.

Overweging 40 van de Dienstenrichtlijn erkent wel dat het begrip “dwingende reden van algemeen belang” zich nog verder kan ontwikkelen. Ook benoemt deze overweging welke gronden het tenminste omvat. Daarbij zijn ook consumentenbescherming, bescherming van werknemers, voorkoming van fraude en bescherming van het milieu en stedelijk milieu genoemd als dwingende reden van algemeen belang.

Uitzonderingen

Als de desbetreffende eis de tijdelijke verrichting van een dienst reguleert, dient eerst nagegaan te worden of deze onder een van de uitzonderingen van artikel 17 Dienstenrichtlijn valt. Dit artikel zondert verschillende sectoren, rechtsgebieden en typen regels uit van de werkingssfeer van artikel 16 Dienstenrichtlijn. Denk hierbij aan verschillende DAEB, de gerechtelijke inning van schuldvorderingen, etcetera.