Rechtstreekse werking

Dankzij deze rechtstreekse werking kunnen particulieren zich ten overstaan van een (nationaal) gerecht rechtstreeks op het Europees recht beroepen, ongeacht het bestaan van regelgeving in het nationale recht. Gemeenten, provincies en waterschappen zijn verantwoordelijk voor correcte naleving van de bepalingen van Europees recht, wanneer de nationale wetgever deze niet (tijdig) of onjuist heeft omgezet in het nationale recht.

Rechtstreekse werking

Op deze webpagina wordt aandacht besteed aan de rechtstreekse werking (ook wel directe werking) van Unierecht. Richtlijnconforme interpretatie en (staats)aansprakelijkheid worden onder andere onder Milieu en klimaat, Aansprakelijkheid decentrale overheid en Toezicht en naleving nader besproken.

Unietrouw en rechtstreekse werking

Nationale overheden moeten de bepalingen van het Europees recht omzetten in nationale wetgeving. Wanneer dit niet of niet correct/tijdig gebeurt, zijn decentrale overheden zelf verantwoordelijk voor correcte naleving van deze bepalingen. Dit komt voort uit het Verdragsbeginsel van loyaliteit (unietrouw). Rechtstreekse werking brengt voor decentrale overheden naast verplichtingen ook risico’s met zich mee. Daarom is het van belang dat decentrale ambtenaren en bestuurders goed en tijdig op de hoogte zijn van het Europees recht.

Doorwerking Europees recht

Bij de doorwerking van het Europees recht, gaat het om de rechtsgevolgen die Europees recht heeft in de nationale rechtspraktijken van de lidstaten. Dus ook op decentraal niveau. Het gaat hierbij zowel om de horizontale (tussen particulieren onderling) als verticale werking (tussen particulieren en overheden) van het Europees recht.

Manieren van doorwerking

Europees recht kan op drie manieren doorwerken in de nationale rechtsordes:

Meer hierover leest u in de publicatie Europees recht- algemeen deel (Eijsbouts, Jans, Senden en Prechal) vanaf pagina 283.

Rechtstreekse werking verdragen

Verdragsbepalingen hebben of rechtstreekse werking. Rechtstreekse werking werd in 1963 al door het Hof van Justitie EU vastgesteld in het arrest Van Gend en Loos. Verdragsbepalingen zijn door iedere belanghebbende inroepbaar voor een bevoegde nationale rechter. Het gevolg hiervan is dat de Verdragsartikelen automatisch onderdeel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde.

Een groot aantal Verdragsbepalingen hebben in de loop der jaren ook expliciet rechtstreekse werking toegeschreven gekregen. Voorbeelden hiervan zijn de artikelen over vrij verkeer, vervoer en staatssteun.

Rechtstreekse werking verordeningen

Decentrale overheden moeten (zonder tussenkomst van de nationale wetgever) de bepalingen uit Europese verordeningen in alle gevallen toepassen. Verordeningen hebben rechtstreekse werking; ze worden direct toegepast zonder dat omzetting in nationale wetgeving nodig is.

Rechtstreekse werking richtlijnen

De Europese richtlijnen zijn in beginsel gericht tot de lidstaten en moeten door hen worden omgezet in nationaal recht. Het is aan de nationale wetgever om Europese richtlijnen correct en tijdig om te zetten in nationale wetgeving. Om de rechten van particulieren te beschermen, erkent het Hof dat richtlijn(bepaling)en alleen rechtstreekse werking kunnen hebben als deze onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn. De rechtstreekse werking geldt alleen als lidstaten richtlijnen niet binnen de vastgestelde termijnen hebben omgezet.

Verticale rechtstreekse werking richtlijnen

Richtlijn(bepaling)en kunnen alleen een verticale rechtstreekse werking hebben, dit is de inroepbaarheid tussen burger en overheidsorgaan. Richtlijnen kunnen geen horizontale werking, de inroepbaarheid tussen burgers onderling, hebben.

Daarnaast bestaat er ook het vraagstuk over omgekeerde verticale werking, waarbij het overheidsorgaan een beroep doet op het Unierecht tegenover een particulier. Een voorbeeld hiervan is een decentrale overheid die zich jegens een particulier wil beroepen op een nieuwe Europese richtlijn die te laat is geïmplementeerd in Nederland, waarbij de particulier zich nog blijft beroepen op de nationale wetgeving die nog steeds geldt maar wel in strijd is met de nieuwe richtlijn. Ook hierover heeft het Hof zich in de loop der jaren uitgelaten, waaruit blijkt dat een beroep op omgekeerde verticale werking niet makkelijk wordt aanvaard door het Hof. Meer hierover leest u onder jurisprudentie.

Rechtstreekse werking en decentrale overheden

Decentrale overheden zijn zich steeds meer bewust van het belang van de toepassing en naleving van het Europees recht. Een belangrijk onderdeel daarvan is de onderkenning dat de implementatie van Europese regels niet uitsluitend de verantwoordelijkheid van de nationale wetgever is. Dat geldt vooral bij richtlijnen: als deze niet tijdig, geheel of correct zijn omgezet in nationale wetgeving, zijn gemeenten, provincies en waterschappen zelf verantwoordelijk voor de juiste uitvoering ervan. In Nederland komt dit echter niet vaak voor. Zie hierover bijvoorbeeld ons nieuwsbericht Interne Markt Scorebord gepubliceerd: lidstaten breken record.

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG


Jurisprudentie Rechtstreekse werking

Rechtstreekse werking

Rechtstreekse werking van richtlijnen

De arresten van Duyn (41/74) en Ratti (148/78) betreffen jurisprudentie aangaande implementatietermijnen van Europese richtlijnen:

In de zaak van Duyn (41/74) uit 1974 bepaalde het HvJ EG onder meer dat het toenmalige artikel 48 EEG-Verdrag (nu artikel 45 VWEU, betreffende het vrij verkeer van werknemers) rechtstreekse werking had in de rechtsorden van de lidstaten en voor particulieren rechten doet ontstaan, welke de nationale rechter dient te handhaven.

Na het verstrijken van de implementatietermijn van een richtlijn mag een lidstaat zijn nationale, nog niet aan die richtlijn aangepaste, wetgeving niet toepassen op degene die overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn handelt. Dit heeft het Hof uitgemaakt in de zaak Ratti (148/78) uit 1979.

De zaak Ratti draaide om een richtlijn waarin gedetailleerde regels werden gesteld met betrekking tot de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (Richtlijn 73/173/EEG). Tullio Ratti, een producent van oplosmiddelen en vernissen, werd in Italië vervolgd omdat hij had verzuimd zijn producten conform de (strengere) Italiaanse regels te verpakken en te etiketteren. Hoewel de implementatietermijn ten tijde van deze feiten al was verstreken, was de Italiaanse wetgeving nog niet aangepast aan de richtlijn. Ratti handelde naar de eisen van de richtlijn, maar overtrad daarmee de Italiaanse wet. Hij betoogde voor het Hof dat de Italiaanse wetgever niet bevoegd was tot het stellen van strengere eisen.

In de zaak Becker (8/81) uit 1981 gaat het HvJ EG in overweging 17 en volgende in op rechtstreekse werking van richtlijnen (in casu een belastingrichtlijn) en bepaalt het Hof onder meer dat bijzondere problemen ontstaan indien een lidstaat niet op tijd richtlijnen implementeert in de nationale rechtsorde. Overweging 25 stelt dat ‘wanneer dus de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig lijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, kunnen de particulieren zich op die bepalingen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is. Hetzelfde geldt wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de Staat kunnen doen gelden”.

De zaak Kolpinghuis (80/86) uit 1987 gaat over de uitspraak van het HvJ EG betreffende het vraagstuk van omgekeerde verticale rechtstreekse werking en bepaalt ‘dat een nationale overheid zich niet ten laste van een particulier op een bepaling van een richtlijn kan beroepen, ten aanzien waarvan de noodzakelijke omzetting in nationaal recht nog niet heeft plaatsgevonden. Bij de toepassing van zijn nationale wetgeving moet de nationale rechter van een Lid-Staat deze wetgeving uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, ten einde het in artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag bedoelde resultaat te bereiken, doch een richtlijn kan niet uit zichzelf en onafhankelijk van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet bepalend zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met haar bepalingen handelen.Voor de hiervoor bij de beantwoording van de vragen gegeven oplossingen maakt het geen verschil uit, of de voor de Lid-Staat geldende termijn van de verplichting tot aanpassing van de nationale wetgeving op de relevante datum nog niet was verstreken’.

Zaak Wells (C-201/02) uit 2004, ook over omgekeerde verticale rechtstreekse werking, betrof te late implementatie van de Europese milieueffectenbeoordelingsrichtlijn in Engeland. Het HvJ EG bepaalde: ‘Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, in samenhang met artikel 4, lid 2, daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat bij de toepassing van bepalingen als Section 22 van de Planning and Compensation Act 1991 (wet ruimtelijke ordening en vergoedingen van 1991) en Schedule 2 van deze wet, de besluiten van de bevoegde instanties die tot gevolg hebben dat een mijnexploitatie kan worden hervat, tezamen een „vergunning” vormen in de zin van artikel 1, lid 2, van de genoemde richtlijn, zodat de bevoegde instanties in voorkomend geval verplicht zijn een milieueffectbeoordeling van deze exploitatie te verrichten. Bij een vergunningprocedure in verschillende fasen moet deze beoordeling in beginsel worden verricht zodra het mogelijk is alle milieueffecten die het project kan hebben, te onderscheiden en te beoordelen.
2) In omstandigheden als die van het hoofdgeding kan een particulier zich in voorkomend geval beroepen op artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337, in samenhang met de artikelen 1, lid 2, en 4, lid 2, daarvan.
3) Krachtens artikel 10 EG-Verdrag zijn de bevoegde autoriteiten verplicht in het kader van hun bevoegdheden alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen om het verzuim van een beoordeling van de milieueffecten van een project in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 te herstellen.

De in dit verband toepasselijke procedurevoorschriften behoren krachtens het beginsel van procesautonomie van de lidstaten tot de interne rechtsorde van elke lidstaat, mits evenwel die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Dienaangaande staat het aan de nationale rechter om uit te maken of het naar nationaal recht mogelijk is een reeds verleende vergunning in te trekken of op te schorten teneinde dit project overeenkomstig de vereisten van richtlijn 85/337 aan een beoordeling van de milieueffecten ervan te onderwerpen, dan wel of, als alternatief, de particulier, indien hij daarmee instemt, vergoeding van de geleden schade kan vorderen.’

In de gevoegde zaak Pfeiffer (C-397/01 en C-403/01) uit 2004 bepaalt het HvJ EG nogmaals dat voor richtlijnen en besluiten van de EU, waarvoor omzetting in nationaal recht nog nodig is, geldt dat zij mogelijk rechtstreekse werking hebben wanneer hun bepalingen onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.

De uitspraak van kortgedingrechter Den Haag van 31 maart 2015 (ECLI:NL:RBDHA: 2015:3522) betreft een voorbeeld van een uitspraak van een Nederlandse rechter over (rechtstreekse) werking van de Europese Tabaksproductenrichtlijn. De Nederlandse regels voor elektronische sigaretten in de Warenwet blijven overeind, zo bepaalde de kortgedingrechter in Den Haag. De Elektronische Sigaretten Bond Nederland (Esigbond) en een aantal van haar leden, die handelen in e-sigaretten, hadden in een kort geding tegen de Staat gevraagd om onderdelen van de Warenwet buiten werking te stellen. Deze zijn volgens hen in strijd met Europese regelgeving. De kortgedingrechter is hier niet in mee gegaan. Nederland mag volgens de kortgedingrechter al veiligheidseisen stellen aan e-sigaretten vooruitlopend op de invoering van nieuwe Europese regels in Nederland. Het belangrijkste argument van de bond tegen onderdelen van de Warenwet was dat deze strijdig zijn met de Europese richtlijn die vanaf 20 mei 2016 de bestaande regels in afzonderlijke lidstaten op één lijn moet zien te krijgen. De kortgedingrechter is van oordeel dat deze Europese richtlijn niet verbiedt aan Nederland om al eerder dergelijke maatregelen te treffen, zoals de Esigbond betoogde.

Zie ook de rechtspraak onder aansprakelijkheid decentrale overheid in het dossier Europees recht en beleid (onder meer Francovich arrest en Konle).

Zie ook de rechtspraak in het milieudossier Europa decentraal over rechtstreekse werking van milieurichtlijnen.

Zie ook de rechtspraak in het Europa decentraal dossier aanbestedingsrichtlijnen, rechtstreekse werking, jurisprudentie over rechtstreekse werking aanbestedingsrichtlijnen.

Nieuws Rechtstreekse werking

Hof EU: EU-lidstaten niet verplicht tot visum geven aan vluchtelingen voor asielaanvraag

Hebben oorlogsvluchtelingen van buiten de EU recht op een humanitair visum voor de Schengenzone? Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) oordeelde op dinsdag 7 maart 2017 over deze vraag. Een bevestigend antwoord op deze vraag zou betekenen dat voor vluchtelingen een legale reis, zonder boten op de Middellandse Zee en mensensmokkelaars, in het verschiet zou liggen. Het Hof besloot echter dat EU-lidstaten niet verplicht zijn om vluchtelingen reeds buiten de EU een visum te verstrekken. Lees het volledige bericht

Rechtstreekse werking aanbestedingsrichtlijnen?

De deadline van 18 april 2016 voor de implementatie van de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijnen en de nieuwe concessierichtlijn gaat niet gehaald worden. Hierdoor leven er veel vragen over de mogelijke rechtstreekse werking van deze richtlijnbepalingen. De komende tijd zullen er meerdere initiatieven worden ontplooid om ook decentrale overheden meer duidelijkheid te kunnen verschaffen over welke bepalingen uit de nieuwe Europese richtlijnen wel en mogelijk niet direct per 18 april al toegepast dienen te worden.

Lees het volledige bericht

Interne markt scorebord gepubliceerd: lidstaten breken record

Nederland scoort goed op de vijftiende editie van het interne markt scorebord dat de Europese Commissie onlangs publiceerde. Slechts 0.4% van de Europese regelgeving wordt te laat omgezet. Ook andere lidstaten laten verbeteringen zien. Decentrale overheden zijn gebaat bij een tijdige omzetting van richtlijnen, omdat bepalingen anders rechtstreekse werking kunnen krijgen.

Lees het volledige bericht

Praktijkvragen Rechtstreekse werking

Moet onze gemeente nu al rekening houden met de regels uit de nieuwe aanbestedingsrichtlijnen?

De nieuwe aanbestedingsrichtlijnen zijn op 18 april 2014 in werking getreden en moeten nu geïmplementeerd worden in nationale wetgeving. Is de nieuwe richtlijn nu al verbindend voor ons? Meer in het bijzonder, mogen we tot de richtlijn op uiterlijk 18 april 2016 in Nederlandse wetgeving is omgezet nog gebruik maken van het bestaande verlichte aanbestedingsregime voor IIB-diensten?

Bekijk het antwoord

Hoe staat de Auteursrichtlijn tegenover krantenartikelen die we gebruiken in onze knipselkrant?

Een dagblad wil dat onze provincie een vergoeding betaalt voor de krantenartikelen die wij gebruiken voor onze knipselkrant. Het blad beroept zich op zijn auteursrecht, dat door hem is voorbehouden in het colofon. Wij denken dat het overnemen van nieuwsberichten gewoon toegestaan is op basis van de ‘persexceptie’ uit art. 15 Auteurswet (Aw). Maar de Europese Auteursrichtlijn, die is geïmplementeerd in de Aw, vermeldt dat overname van nieuwsberichten niet is toegestaan wanneer de rechthebbende het auteursrecht heeft voorbehouden.

Bekijk het antwoord

Publicaties Rechtstreekse werking

Rechtstreekse werking

Publicaties Europa decentraal

  • Factsheet Europa decentraal rechtstreekse werking over rechtstreekse werking van bepalingen uit Europese richtlijnen: regels en risico’s, Europa decentraal, december 2009
  • Publicatie Europa decentraal Handreiking Europaproof gemeenten 2008; inleiding en hoofdstuk 5 over rechtstreekse werking, met aan het einde van hoofdstuk 5 een checklist rechtstreekse werking die tevens is opgenomen als checklist in het Europa decentraal factsheet over rechtstreekse werking (2009)
  • Zie ook de publicaties in het dossier aanbesteden- aanbestedingsrichtlijnen- rechtstreekse werking

Literatuur

  • ‘Doorwerking van Europees recht’, J.M. Prinssen, Deventer, Kluwer, 2004 (p. 201 ev.)
  • ‘Europees recht algemeen deel’ Sinds het Verdrag van Lissabon, 3e geheel herziene druk, W.T. Eijsbouts, J.H. Jans, A. Prechal en L.A.J. Senden, Europa law publishing, Groningen 2010 (p. 245 ev.)
  • ‘Europees recht algemeen deel”, 5e druk, W.T. Eijsbouts, J.H. Jans, A. Prechal en L.A.J. Senden, Europa law publishing, Groningen 2015 (p. 283 ev.)

Artikelen en overige publicaties

  • ‘Rol van decentrale overheden bij met EG-richtlijnen strijdige nationale wetgeving’, artikel van mr. S. Belhaj en prof.dr. B. Hessel in: RegelMaat, 2005/1, p. 23 – 34
  • Rapport Algemene Rekenkamer over Implementatie van Europese richtlijnen en handhaving van Europese Verordeningen in Nederland (juni 2008)
  •  Rob Widdershoven, “De doorwerking van richtlijnen in een samengestelde Europese rechtsorde,” in: De samengestelde Besselink: Bruggen bouwen tussen nationaal, Europees en internationaal recht, Wolf Legal Publishers (2012): Pagina 207-226.
  • J. Jans, “Het einde van de ‘Boxtel-paradox’ (en nog veel meer)?” in: Onbegrensde rechtsbeoefening, Opstellen aangeboden aan prof. mr. D.A. Lubach (2014).
  • Lorenzo Squintani en Hans H.B. Vedder, “Towards Inverse Direct Effect? A Silent Development of a Core European Law Doctrine,” Review of European, Comparative & International Environmental Law 23, No.1 (April 2014): Pagina 144-149.
  • Artikel ‘De doorwerking van richtlijnen en algemene beginselen van EU-recht. De stand van zaken na het arrest Kücückdeveci’ in Nederlands Tijdschrift voor Europees recht/NTER, aflevering 5, 2010 door Dr. H. de Waele en Mr. I. Kieft

 

X