Hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie, zonne-energie, aardwarmte en biobrandstoffen, zijn een alternatief voor fossiele brandstoffen. Deze alternatieve vormen van energie dragen bij aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en daarbij aan het realiseren van de energie- en klimaatdoelstellingen. Daarnaast zorgt het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor een diversificatie van de energievoorziening. Dit draagt bij aan een verminderde energieafhankelijkheid van het buitenland en de bevordering van de energievoorzieningszekerheid.
De Richtlijn Hernieuwbare energie
De Europese wetgeving op het gebied van het stimuleren van energie uit hernieuwbare bronnen is hoofdzakelijk vastgelegd in de Richtlijn hernieuwbare energie (afgekort ‘RED-III’ voor ‘Renewable Energy Directive’) (Richtlijn 2018/2001). De RED-III is in 2023 herzien door Richtlijn 2023/2413 die onder andere nieuwe streefcijfers heeft geïntroduceerd. De RED-III had uiterlijk 21 mei 2025 omgezet moeten zijn in nationale wetgeving. Bepaalde onderdelen met betrekking tot hernieuwbare energie in de vervoersector zijn al zijn geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Andere onderdelen wachten nog op omzetting in gerelateerde nationale wetgeving, zoals de voorgestelde Wet REDIII vergunnen die de versnelde vergunningsprocedures voor hernieuwbare-energieprojecten in versnellingsgebieden moet implementeren in de Omgevingswet, Wet windenergie op zee en Algemene wet bestuursrecht.
Doelstellingen en streefcijfers voor 2030
De RED-III bevat definities en basisprincipes voor hernieuwbare energie en berekeningsmethodes. Zo stelt artikel 3 lid 1 de bindende verplichting dat in 2030 minstens 42,5% van het energieverbruik in de EU afkomstig moet zijn uit hernieuwbare energie. Daarnaast streven de lidstaten er gezamenlijk naar dat in 2030 minstens 45% van het energiegebruik in de EU bestaat uit hernieuwbare energie.
De RED-III stelt de volgende nationale en EU-doelstellingen en streefcijfers voor 2030:
- Minimaal 15% elektriciteitsinterconnectiviteit door de ontwikkeling van infrastructuur voor de uitwisseling, distributie en opslag van elektriciteit (artikel 3 lid 5)
- Minimaal 1,6 procentpunt toename van hernieuwbare energie in de industriesector (artikel 22 bis lid 1);
- Minimaal 42% van de waterstof bestemd voor de industrie voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik in de industrie moet komen uit hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, uiterlijk 2035 is dat 60% (artikel 22 bis lid 1);
- Minimaal 1,1 procentpunt toename van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector (artikel 23 lid 1);
- Minimaal 2,2 procentpunt toename van hernieuwbare energie en energie uit restwarmte en -koude in stadsverwarming en -koeling (streefcijfer) (artikel 24 lid 4);
- Minimaal 29% van het eindverbruik van energie in de vervoerssector moet uit hernieuwbare energiebronnen en hernieuwbare elektriciteit komen, of een reductie van broeikasgassen van minimaal 14,5% ten opzichte van een referentiescenario vastgelegd door de Europese Commissie onder artikel 27 lid 1 onder b (artikel 25 lid 1 onder a);
- Minimaal 5,5% stijging van het gebruik van geavanceerde biobrandstoffen en biogas in de vervoerssector, met minimaal 1 procentpunt van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (artikel 25 lid 1 onder b).
Lidstaten moeten bij de uitvoering van de verplichtingen in de RED-III rekening houden met de afvalhiërarchie, milieukeuren, energie labels en andere technische specificaties.
Versnellingsgebieden en RED-III-sectoren
Artikel 15 quater van de RED-III verplicht de lidstaten om versnellingsgebieden voor hernieuwbare energie oftewel gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie (afgekort ‘RAA’ voor ‘Renewables Acceleration Areas’) aan te wijzen. Artikel 2 punt 9 bis definieert een RAA als een specifieke locatie of gebied op land, op zee of op binnenwateren die/dat is aangewezen door een lidstaat als bijzonder geschikt voor de uitrol van installaties voor de productie van hernieuwbare energie. Zodra een RAA is vastgesteld, gelden voor dit aangewezen gebied versnelde vergunningsprocessen onder artikel 16 lid 2 en artikel 16 bis. In het algemeen betekent dit dat vergunningsprocedures dubbel zo snel moeten worden afgehandeld.
Verwarmings- en koelingssector
De verwarmings- en koelingssector bevat groot potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energie. De RED-III bevordert dan ook de integratie van hernieuwbare energie in deze sectoren. Zo moeten lidstaten volgens artikel 15 lid 3 lokale en regionale administratieve organen, waaronder decentrale overheden, aansporen om verwarming en koeling uit hernieuwbare bronnen op te nemen in de planning van stedelijke infrastructuur wat betreft ruimtelijke planning, ontwerp, bouw en renovatie. Verder zijn er streefcijfers en verscherpte criteria vastgelegd voor deze verwarmings- en koelingssector onder artikel 23 lid 1. Meer informatie over energie in gebouwen vindt u op de pagina energie-efficiëntie.
Vervoerssector
Ook de vervoerssector biedt kansen voor het gebruik van hernieuwbare energie. De RED-III stelt onder artikelen 25 en 26 strengere duurzaamheidscriteria op het gebied van biobrandstof en biomassa. Meer informatie over hernieuwbare energie in de vervoerssector vindt u op de pagina mobiliteit en vervoer.
Zelfverbruikers van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschap
Artikel 21 van de RED-III versterkt de positie van zelfverbruikers van hernieuwbare energie. Het stelt burgers in staat hun eigen elektriciteit te produceren en hun overtollige productie op te slaan en te verkopen. Ook kunnen burgers en (lokale) autoriteiten krachtens artikel 22 deelnemen aan projecten via hernieuwbare-energiegemeenschappen. Deze gemeenschappen kunnen tevens deelnemen aan nationale steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen onder artikel 4. Voor meer informatie, zie de pagina energiegemeenschappen.
Steunmaatregelen
Om het gebruik van hernieuwbare bronnen te bevorderen, maakt de RED-III gebruik van steunregelingen mogelijk. Dit kan onder andere in de vorm van investeringssteun, belastingvrijstelling of –verlaging, terugbetaling van belasting en steunregeling voor verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Ook kan in een andere lidstaat geproduceerde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen worden gesteund. Het coördineren of steunen van projecten in andere lidstaten kan meetellen voor het aandeel hernieuwbare energie van de eigen lidstaat bij het behalen van de streefcijfers. Energiegemeenschappen kunnen ook deelnemen aan steunmaatregelen. Meer informatie over staatssteun vindt u op de pagina’s staatssteun en staatssteun en lokale initiatieven voor energietransitie.
Europese actieplannen voor hernieuwbare energie
De Clean Industrial Deal (februari 2025) bevat maatregelen om het concurrentievermogen en de decarbonisatie van de Europese industrie te verbeteren. Hierin staat onder andere dat de termijnen en procedures voor het verlenen van vergunningen voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie moeten worden versneld. Verder heeft de Europese Commissie als deel van de Clean Industrial Deal het Staatssteunkader Clean Industrial Deal geïntroduceerd. Dit kader versimpelt de staatssteunregels voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en de industrie koolstofvrij te maken.
Het Europees actieplan voor betaalbare energie (februari 2025) is deel van de Clean Industrial Deal en omvat vier hoofdpunten, namelijk lagere energiekosten, voltooiing van de energie-unie, het aantrekken van investeringen en het paraat zijn voor energiecrises. Hiertoe heeft de Commissie acht actiepunten voorgesteld, waaronder verlaging van de kosten van (de levering van) elektriciteit, energiebesparing door energie-efficiëntie, contracten tussen de energie-verbruikende industrie, producenten van schone energie en de lidstaten.
Het Europees actieplan voor windenergie (oktober 2023) omvat zes hoofdpunten, namelijk snellere uitrol door middel van snellere vergunningsprocedures en grotere voorspelbaarheid; een verbeterde veilingopzet via het Accele-RES initiatief; toegang tot financiering via het Technical Support Instrument; een eerlijke en concurrerende internationale omgeving; vaardigheden; en betrokkenheid van de industrie en de toezeggingen van EU-landen.
De strategie voor zonne-energie (mei 2022) omvat vier hoofdpunten: het snel en grootschalig uitrollen van zonne-energie door het Europese zonnedakeninitiatief, het verkorten en versimpelen van vergunningsprocedures, het zorgen voor voldoende en goed opgeleid personeel en het opzetten van een alliantie voor de zonne-energie industrie. De volgende ambities zijn relevant voor decentrale overheden:
- Het installeren van zonnepanelen op daken wordt in 2026 verplicht voor nieuwe overheids- en commerciële gebouwen van meer dan 250 m2. Voor bestaande overheids- en commerciële gebouwen van meer dan 250 m2 geldt deze verplichting vanaf 2027;
- Elke gemeente met meer dan 10.000 inwoners telt in 2025 minstens één hernieuwbare energiegemeenschap;
- De aanvraag van een vergunning voor zonnepanelen op gebouwen of infrastructuur mag maximaal drie maanden duren.
Het REPowerEU Plan (mei 2022) heeft als doel het versterken van de energievoorzieningszekerheid en economische stabiliteit en groei in de EU door minder afhankelijk te worden van Russische fossiele brandstoffen. Het plan bestaat uit vier hoofdpunten, namelijk energiebesparing, diversificatie van energie-invoer, de versnelde transitie naar schone energie en slimme investeringen door middel van nationale en Europese investeringsplannen en snellere vergunningverlening.
De EU-strategie over de benutting van potentieel van hernieuwbare offshore-energie (november 2020) focust op hernieuwbare offshore-energie gegenereerd door met name in de zeebodem verankerde windturbines. Deze strategie legde de ambitie van de lidstaten vast om in 2030 60 GW aan hernieuwbare offshore-energie te produceren. De strategie leidde onder andere tot een herziening van de RED. In 2023 heeft de Europese Commissie deze hernieuwbare offshore-energie ambitie in haar mededeling bijna verdubbeld van 60 GW naar 111 GW.
Europese fondsen en subsidies
De EU biedt verschillende financieringsmogelijkheden die investeringen en projecten op het gebied van hernieuwbare energie moeten aanjagen. Binnen programma’s, zoals Interreg, Horizon, LIFE of ELENA, is er bijvoorbeeld veel aandacht voor hernieuwbare energie. Meer informatie over deze en andere fondsen op het gebied van hernieuwbare energie is te vinden in de EU-fondsenwijzer.
Nationale implementatie
Volgens artikel 3 lid 2 RED-III moeten de lidstaten onder artikelen 3 en 14 van de Verordening 2018/1999 elke 10 jaar geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen (INEK) opstellen. De lopende nationale actieplannen van lidstaten zijn te vinden op de website van de Europese Commissie. De Nederlandse afspraken op het gebied van hernieuwbare energie zijn opgenomen in de Update van het Integraal Nationaal Plan Energie en Klimaat 2021-2030. De inhoud van het Klimaatplan 2021-2030 dat onder andere verwijst naar de Europese doelstellingen voor hernieuwbare energie is opgenomen in het INEK.
De RED-III had uiterlijk 21 mei 2025 omgezet moeten zijn in nationale wetgeving. Bepaalde onderdelen met betrekking tot hernieuwbare energie in de vervoersector zijn al zijn geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 16 juni heeft de Tweede Kamer de Wet RED-III vergunnen aangenomen die de versnelde vergunningsprocedures voor hernieuwbare-energieprojecten in versnellingsgebieden moet implementeren in de Omgevingswet, Wet windenergie op zee en Algemene wet bestuursrecht. Vervolgens is de Eerste Kamer aan zet om over het wetsvoorstel te stemmen.
Decentrale relevantie
Decentrale overheden vervullen verschillende rollen op het gebied van hernieuwbare energie. Provincies en gemeenten zijn betrokken bij ruimtelijke ordening en de vergunningsverlening van hernieuwbare energieprojecten. Zo moet er bijvoorbeeld bij het plaatsen van windturbines gekeken worden naar de impact van geluid en de uitstoot van de turbines.
Gemeenten hebben een verantwoordelijkheid bij de integratie van hernieuwbare energie in gebouwen. Hernieuwbare energie is zowel voor nieuwe gebouwen als bestaande gebouwen die gerenoveerd moeten worden van belang. De RED-III spoort regionale en lokale overheden dan ook aan om de hernieuwbare energie op te nemen in de ruimtelijke ordening en om hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te gebruiken. Meer informatie vindt u op onze pagina energie-efficiëntie.
Daarnaast spelen decentrale overheden een rol bij het versnellen van de marktintroductie van hernieuwbare energie. Decentrale overheden kunnen bijvoorbeeld bij de inkoop van energie en de daarvoor vereiste aanbesteding duurzaamheidscriteria opnemen. Hiernaast is het ook mogelijk om binnen het staatssteunrecht, bijvoorbeeld met de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV), duurzame initiatieven en lokale initiatieven voor de energietransitie te stimuleren.
Concreter met betrekking tot de vergunningsprocedures in versnellingsgebieden verklaart de Memorie van Toelichting (Kamerstuk 36872, Nr. 3) bij het wetsvoorstel voor de implementatie van onderdelen van de RED-III met betrekking tot zulke procedures dat volgens artikel 2.3 van de Omgevingswet de taken en bevoegdheden voor de fysieke leefomgeving in de eerste plaats bij de gemeente liggen en alleen waar nodig bij de provincie of het Rijk. Verder legt de Memorie van Toelichting uit dat het voorgestelde artikel 2.21b, aanhef en onder a van de Omgevingswet gemeenten en provincies de bevoegdheid geeft om zelfstandig een versnellingsgebied aan te wijzen in respectievelijk hun omgevingsplannen en omgevingsverordeningen.
Ten slotte kunnen decentrale overheden aandeelhouder zijn in hernieuwbare energieprojecten, zoals de hernieuwbare energiegemeenschappen. Zie voor meer informatie de pagina energiegemeenschappen.