Zoeken
Staatssteun
Subonderwerpen

Staatssteun

Decentrale overheden die steun willen verlenen, moeten goed kijken naar de regels voor staatssteun. Vanwege de mogelijke verstoring van de mededinging op de Europese markt, is staatssteun in principe verboden. Er gelden echter vele uitzonderingen op het staatssteunverbod. De EU wil gelijke concurrentievoorwaarden scheppen voor alle ondernemingen op de interne markt. Controle op overheids- of staatssteun aan ondernemingen is dan ook één van de belangrijkste onderdelen van het Europese mededingingsbeleid.

Staatssteunverbod

De staatssteunregels zijn neergelegd in de artikelen 107, 108 en 109 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Bij het verlenen van steun moeten decentrale overheden deze bepalingen in acht nemen. Staatssteun is in principe verboden (art. 107 lid 1 VWEU), omdat hiermee de mededinging op de Europese markt kan worden verstoord. Een maatregel levert pas staatssteun op als er aan alle voorwaarden van de cumulatieve criteria van het staatssteunverbod wordt voldaan.

Vormen van staatssteun

Staatssteun kan in allerlei vormen voorkomen en beperkt zich niet alleen tot de klassieke subsidie. Ook steunmaatregelen in de vorm van garanties, leningen, risicokapitaal, verlaagde huur en grondverkoop onder de marktwaarde kunnen hier bijvoorbeeld onder vallen.

Staatssteunproof

Hoewel staatssteun in beginsel verboden is en moet worden aangemeld bij de Europese Commissie ter goedkeuring, zijn er veel mogelijkheden om staatssteun zogezegd ‘staatssteunproof’ te verlenen. Zo heeft de Commissie een aantal vrijstellingsverordeningen ontworpen. Op basis hiervan kunnen decentrale overheden steun verlenen voor bepaalde beleidsdoelen, zonder dat een formele aanmeldingsprocedure nodig is.

De belangrijkste vrijstellingsverordeningen zijn de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV). In onze kennisgevingen-barometer vindt u meer informatie over de toepassing van deze vrijstellingen door decentrale overheden. Voor lage steunbedragen kunnen overheden de de-minimisverordening gebruiken.

Beleidsterreinen

Hieronder staat een aantal beleidsterreinen opgesomd waarvoor decentrale overheden steun kunnen verlenen en mogelijk met staatssteunregels te maken krijgen:

  • werkgelegenheid;
  • Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (O&O&I);
  • milieu en duurzaamheid;
  • vervoer;
  • landbouw;
  • ruimtelijke ordening;
  • cultuur;
  • natuurbeheer.

Decentrale overheden

De Europese staatssteunregels zijn gericht aan overheden. Decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor de naleving en een correcte toepassing van de staatssteunregels. Indien decentrale overheden steun willen verlenen dienen zij deze ‘staatssteunproof’ te maken en rekening te houden met de voorwaarden die daarvoor gelden.

Risico’s

De Europese Commissie kan een onderzoek starten indien zij vermoedt dat er mogelijk onverenigbare steun is verleend. Blijkt uit het onderzoek van de Commissie dat er inderdaad onverenigbare steun is verleend, dan moet deze mogelijk worden teruggevorderd. Meer hierover leest u onder risico’s.

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG


Beleid Staatssteun

Green Deals beleid

In het Energierapport 2011, de Bedrijfslevenbrief, de Duurzaamheidsagenda worden de voorwaarden uiteengezet voor groene economische ontwikkeling. De Rijksoverheid wil bedrijven, organisaties en decentrale overheden helpen bij het realiseren van duurzame initiatieven die moeilijk van de grond komen.

Knelpunten

Knelpunten kunnen bestaan uit:

– Onduidelijkheid over vergunningen en regels;
– Gebrek aan financiering;
– Het niet kunnen vinden van samenwerkingspartners;
– Problemen bij het lanceren van nieuwe producten.

Graan Deals en Duurzamheidsagenda

In oktober 2011 werden de Green Deal aanpak en de Duurzaamheidsagenda gepresenteerd. Hierbij sloot de Rijksoverheid Green Deals af waarbinnen verschillende partijen samenwerken om knelpunten op te lossen. Ook decentrale overheden zijn betrokken bij deze Green Deal aanpak.

Landbouw beleid

De doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zijn vastgesteld in art. 33 van het VWEU. De landbouwsector heeft specifieke kenmerken en een historische plaats in het Europees beleid. Daarom gelden er specifieke staatssteunregels voor de landbouwsector.

Plattelandontwikkelingsbeleid

In de Verordening plattelandsontwikkeling is het plattelandsontwikkelingsbeleid van 2007 tot 2013 vastgesteld en is de rol van plattelandsontwikkeling als tweede pijler van het GLB bevestigd.

Landbouw en staatssteun

In art. 88 en 89 van de Verordening staat specifieke staatssteunbepalingen. Steun voor plattelandsontwikkeling moet in overeenstemming zijn met het Verdrag (art. 5).

Milieusteun beleid

De doelstellingen van het Europese milieubeleid moeten door de Europese Commissie geïntegreerd worden in het staatssteunbeleid (art. 11 VWEU).

De vervuiler betaalt

In het staatssteunbeleid staat twee principes centraal: ‘de vervuiler betaalt’ en ‘internalisering van de kosten’. Ondernemingen moeten kosten die gepaard gaan met milieubescherming opnemen in hun productiekosten.

Interne markt

Staatssteun voor milieubescherming mag niet ten koste gaan van de concurrentie op de interne markt. De Commissie wil voorkomen dat slecht gerichte of onnodige staatssteun wordt toegekend. Bij de beoordeling en controle van milieusteun wordt de verstoring van de concurrentie afgewogen tegen het bereiken van milieudoelstellingen.

Milieusteun moet gericht zijn op de aanpak van marktfalen en een stimulerend effect hebben. Dit vloeit voort uit het Actieplan Staatssteun.

Sport en staatssteun beleid

Bevoegdheid EU

Volgens art. 6 VWEU is de EU bevoegd lidstaten te ondersteunen, coördineren en aan te vullen op onder andere het gebied van sport. Daarnaast geeft art. 165 aan dat de EU eerlijkheid en openheid van sportcompetities en samenwerking tussen organisaties wil bevorderen.

Europees werkplan voor sport

In mei 2014 is het Europese werkplan voor sport verschenen voor de periode 2014-2017. Het werkplan inventariseert de economische aspecten van sport, en besteedt met name aandacht aan een duurzame financiering van sport. Het plan gaat in op de volgende aspecten:

–       Ontwikkelingen op andere beleidsvelden (mededingingsregels, staatssteun, gemeenschappelijk belastingstelsel) van invloed op de financiering van de sportsector
–       Europese fondsen, zoals het Eurasmus+ programma,  die middelen beschikbaar stellen voor de sportsector
–       De uitwisseling van best practices

Mededeling Europese dimensie van sport

In januari 2011 verscheen een Mededeling over de Europese dimensie van sport. Deze vormt een aanvulling op het Witboek uit 2007.

Vervoer en milieu

‘Vervuiler betaalt’-principe

In juli 2008 heeft de Commissie een Mededeling, getiteld Strategie voor de Internalisering van de Externe Kosten van Vervoer opgesteld. De Europese Commissie wijst er in deze Mededeling op dat er volgens haar behoefte is aan een doelmatiger tarifering van het vervoer, die beter overeenstemt met de reële kosten van dat vervoer.

Handvatten voor mogelijkheden

In de mededeling worden enkele handvatten geboden voor het creëren van mogelijkheden om:

– de kosten van het goederenvervoer over de weg te internaliseren;
– duurzamer autogebruik te stimuleren;
– om een strategie voor de internalisering van de externe kosten van de overige vervoerwijze te ontwikkelen (luchtvaart, spoorvervoer, scheepvaart en waterwegen).

Gemeenschappelijk kader voor berekenen van kosten

In de technische bijlage bij de Mededeling wordt een gemeenschappelijk kader geboden voor de berekening van de externe kosten van congestie, luchtverontreiniging, geluidshinder en klimaatverandering op basis van gemeenschappelijke beginselen en een gemeenschappelijke methodologie.

Evaluatie maatregelen

De Commissie zal in 2013 een evaluatie van de maatregelen uit de strategie maken en onderzoeken welke voortgang er is geboekt op het gebied van internalisering. Rekening houdend met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek zal de analyse van de externe kosten worden geactualiseerd. Indien nodig en rekening houdend met de geboekte vooruitgang, zullen andere externe kosten, zoals kosten in verband met biodiversiteit, natuur- en landschapskosten en ruimtebeslag, worden meegenomen in de analyse.

Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op nationaal niveau heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) in 2012 de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Daarin wordt onder ander de nieuwe rolverdeling Rijk-decentrale overheden uitgelegd. Provincies zijn onder andere verantwoordelijk voor het afstemmen tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking komt voor uit de SVIR. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat voor ondermeer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. De handreiking ondersteunt decentrale overheden bij de toepassing van de ladder. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Meer informatie

Website Rijksoverheid, Ruimtelijke ordening en bereikbaarheid

Jurisprudentie Staatssteun

Pyrénées-Atlantiques

Europese Commissie tegen Frankrijk, 16 november 2004. Besluit N381/2004. In deze zaak classificeerde de Europese Commissie de universele toegang tot breedbanddiensten voor consumenten, ondernemingen en publieke instellingen als DAEB. De cofinanciering van het aanleggen van breedbandinfrastructuur in het departement Pyrénées-Atlantiquis werd als DAEB-compensatie beschouwd. Er werd voldaan aan de vier Altmark-criteria.

Lees meer

Rentepercentages

Europese Commissie, 27 oktober 2010. Nitrogénmüvek tegen Hongarije

Zaak C-14/09. In deze zaak geeft de Commissie het volgende voorbeeld van de toepassing van referentiepercentages:

Om te bepalen of een lening staatssteun inhoudt, past de Commissie in de Mededeling referentiepercentages een maatstaf toe voor marktrentetarieven. Er kunnen verschillende marges worden toegepast op het basistarief van de lening. Deze marges zij afhankelijk van de beoordeling van de crediteur en de beschikbare zekerheden.

Lening niet marktconform

In het Terugvorderingbesluit Nitrogénmüvek tegen Hongarije was de lening niet marktconform. De totale daadwerkelijke financieringskosten (4.362%) lagen onder het benchmark referentietarief van die dag (8.99%). Er was sprake van een niet marktconform voordeel. Het actuele marktpercentage van de rente lag op 4.99%. Op basis van de referentie- en disconteringspercentages van de Commissie, moest hierbij een referentiepercentage van 4% worden opgeteld.

Schadevergoeding voor federale musea

Europese Commissie tegen Oostenrijk, 10 oktober 2007. Besluit NN50/2007. Deze regeling voorziet in overheidsgaranties die federale musea in staat stellen om tentoonstellingen te organiseren die ook door andere internationale, voor toeristen aantrekkelijke musea interessant kunnen zijn.

Lees meer

Selectiviteit

Hof van Justitie EU, 6 september 2006. Portugal

Zaak C-88/03. In deze zaak formuleert het Hof voorwaarden waaronder een verlaging van het nationaal belastingtarief aan het selectiviteitscriterium kan worden getoetst. Een maatregel die geldt voor een bepaalde regio van een lidstaat is niet bij voorbaad selectief.

Grondgebied decentrale overheid
Om te beoordelen of een maatregel van een regionale entiteit selectief is, moet worden onderzocht of deze dermate autonoom is dat zij (en niet het centrale bestuur van een lidstaat) een fundamentele rol speelt in de vaststelling van de politieke en economische omgeving waarin ondernemingen opereren.

In dat geval vormt het grondgebied van de decentrale overheid de relevante context om te beoordelen of er sprake is van selectiviteit.

Regionaal grondgebied
Van het regionale grondgebied als relevante context kan worden uitgegaan als de maatregel door de regionale entiteit is genomen in de uitoefening van voldoende autonome bevoegdheden ten opzichte van de centrale overheid. De beslissing moet in dat geval zijn genomen (r.o. 67):

– Door een decentrale overheid met een eigen politieke en administratieve status;
– Zonder dat de centrale overheid rechtstreeks zeggenschap heeft over de inhoud ervan;
– Zonder dat de financiële consequenties ervan worden gecompenseerd door bijdragen van andere regio’s of de centrale overheid.

Hof van Justitie, 15 juli 2004.  Koninkrijk Spanje tegen Commissie van de EG

Zaak C-501/00. Spanje stelde in deze zaak vast dat een bij wet ingevoerde belastingverlaging niet selectief was, omdat deze volgens objectieve criteria voor elke onderneming gold. Het Hof oordeelde dat deze maatregel ten goede feitelijk kwam aan één categorie ondernemingen daarom toch selectief was.

Hof van Justitie, 17 juni 1999. Koninkrijk België tegen Commissie van de EG

Zaak C-75/97. Deze zaak (zaak Maribel) betrof een verhoogde vermindering van de socialezekerheid bijdragen voor handarbeiders. Deze kende de Belgische overheid, in het kader van de Maribelregeling, toe aan werkgevers die hun activiteiten hoofdzakelijk uitoefenen in sectoren die het meest aan de internationale concurrentie zijn blootgesteld.

Overig

Zaak 173/73 Italiaanse textielindustrie, over steun één bepaalde sector
Zaak 248/84 Duitsland, over lokale en regionale steunmaatregelen

Sport en staatssteun

Onderzoek Europese Commissie Nederlandse voetbalclubs

In 2013 stelde de Commissie een onderzoek in naar vermeende staatssteun aan een aantal BVO’s in Nederland. De Europese Commissie stelt in deze zaak dat de Mededeling grondtransacties alleen van toepassing is op de verkoop van overheidsgrond en – gebouwen en niet direct meer kan worden toegepast op andersoortige transacties (SA.33584 (2013/C) (ex 2011/NN)).

Voetbalstadions in België (SA.37109, november 2013)

De Europese Commissie in november 2013 een steunregeling voor de bouw of renovatie van voetbalstadions in de Belgische regio’s Vlaanderen en Brussel goed. De stadions zullen door voetbalclubs van de eerste en tweede liga worden gebruikt. De Commissie concludeerde dat de regeling overeenkomstig EU-doelstellingen sport meer toegankelijk zal maken voor burgers, zonder dat de concurrentie in de interne markt hierdoor wordt vervalst.

Hongaarse sportinfrastructuur

Op basis van art. 107 lid 3c VWEU keurde de Commissie staatssteun voor sportinfrastructuur in Hongarije goed (persbericht). Met de steun kon bestaande sportinfrastructuur worden verbeterd en gerenoveerd. Om in aanmerking te komen voor steun, moeten clubs zich maatschappelijk opstellen. Bijvoorbeeld door grote sportevenementen te organiseren en jonge sporters te trainen. Volgens de Commissie was er een gemeenschappelijk belang en werden er genoeg maatregelen genomen om de verstoring van de markt te minimaliseren.

Real Madrid

Het eerste criterium van het staatssteunverbod is dat er sprake moet zijn van een financiële transactie die invloed heeft op de begroting van de overheid. Dit kwam naar voren toen Madrid haar bestemmingsplan wijzigde, waardoor voetbalclub Real Madrid werd gesteund (brief Commissie). De Commissie oordeelde dat het wijzigen van een bestemmingsplan geen staatssteun aan de sportclub is, omdat dit een administratieve handeling is waarbij geen financiële middelen gemoeid zijn. Hierdoor werd niet voldaan aan de eerste voorwaarde van het staatssteunverbod.

AZ en AZ Vastgoed BV

In deze zaak gaf de Commissie aan niet zomaar akkoord te gaan met (achteraf) door onafhankelijke taxateurs opgestelde taxaties. Aan het taxatierapport worden kwalitatieve eisen gesteld. De Commissie had in deze zaak een klacht ontvangen over ogenschijnlijke tegenstrijdige taxatierapporten die Alkmaar had uitgevoerd na de verkoop van percelen aan voetbalclub AZ.

Belangrijke aandachtspunten voor de prijsberekening zijn de datumbepaling en het onderscheid tussen marktprijs en restwaarde. De Commissie is extra kritisch op een achteraf opgesteld rapport en verschillende uitkomsten van de rapporten. Het indienen van afwijkende rapporten kan twijfel creëren over de werkelijke marktwaarde van het perceel. Meer informatie leest u onder grondtransacties.

Franse bvo’s

Steun van de Franse overheid aan professionele sportclubs met als doel onderwijs was volgens de Commissie geen ongeoorloofde staatssteun (persbericht). De maatregelen waren bedoeld om onderwijs en training van de jeugdige spelers van bvo’s te ondersteunen. Vanwege het educatieve karakter was dit een legitieme reden om de steun te verlenen.

De voorwaarden waren dat de Franse overheid de toewijzing goed zou monitoren, overcompensatie zou worden voorkomen en kruissubsidiëring zou worden tegen gaan. Daarvoor moest een gescheiden boekhouden gevoerd worden tussen de trainingsonderdelen en de economische activiteiten.

Omniworld Almere

In deze zaak wilde Almere een sporthal verhuren aan twee professionele clubs: Basketball Omniworld en Volleybal Omniworld. De hal zou voor 30% van de tijd verhuurd worden. De Nederlandse overheid heeft van te voren de gemiddelde huurprijs voor zulke hallen vastgesteld en de prijs voor deze sporthal iets boven dit gemiddelde gelegd. Volgens de Commissie kent deze steun geen voordeel toe aan de clubs, de huurprijs ligt zelfs iets hoger dan het gemiddelde. Bovendien worden de clubs geen eigenaar, maar gebruiken zij slechts een deel van de tijd.

Daarnaast zijn met de twee clubs prestatiecontracten gesloten. De clubs zullen diensten verlenen op het gebied van opleidingen, sportstimulering, breedtesportactiviteiten en citymarketing. De vergoeding van deze contracten is volgens de Commissie marktconform en zo gesteld dat overcompensatie wordt voorkomen. In deze zaak was er geen sprake van staatssteun.

HvJ, 15 december 1995. Bosman

Zaak C-415/93. In deze zaak bevestigde het Hof dat het beginsel van vrij verkeer van werknemers (art. 39 EG-Verdag, nu art. 45 VWEU) ook voor beroepsvoetballers binnen de EU geldt. Sport moet worden gezien als een economische activiteit (art. 2 EG-Verdrag, nu art. 3 VEU). Om deze reden is sport onderworpen aan het Gemeenschapsrecht en de beginselen van het vrij verkeer.

 

Staat en staatsmiddelen

Hof van Justitie, 13 maart 1985. Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek

Gevoegde zaken 296 en 318/82. In deze zaak werd duidelijk dat steun die via een regionale ontwikkelingsmaatschappij wordt verleend, ook staatssteun is. Deze regels kunnen niet worden omzeild door de oprichting van een autonoom bedrijf voor de uitvoering van de steunmaatregelen. Zie ook zaak Air France.

Hof van Justitie, 11 juli 1996. SFEI

Zaak C-39-94. In deze zaak werd bepaald dat logistieke en commerciële steun door een openbare onderneming en haar privaatrechtelijke dochteronderneming, die een activiteit uitoefent die openstaat voor vrije mededinging, als staatssteun kan worden aangemerkt.

Schriftelijke vraag, 12 juni 2006. ELDR

Een voorbeeld van een administratieve handeling waarbij geen uit staatsmiddelen bekostigd voordeel voortkomt, is de bestemmingsplanwijziging door de gemeente Madrid. Voetbalclub Real Madrid haalde hier voordeel uit. Het antwoord van de Europese Commissie geeft hierin meer inzicht.

Hof van Justitie, 17 maart 1993. Firma Sloman Neptun Schiffahrs AG tegen Seebetriebstrat Bodo Ziesemer Der Slomane Neptun Schiffahrts AG

Gevoegde zaken C-72/91 en C-73/91. De arbeidsvoorwaardenregeling in deze was er volgens het Hof geen staatssteun. Zeelieden uit derde landen konden volgens deze regeling aan arbeidsvoorwaarden worden onderworpen waarop het Duitse recht niet van toepassing was.

Deze arbeidsvoorwaarden waren ongunstiger dan die voor Duitse zeelieden. Volgens vakbonden betrof deze regeling staatssteun in de zin van art. 87 lid 1 VWEU. Door de algemene strekking en structuur bracht deze regeling, volgens het Hof, geen extra last voor de staat met zich mee. De bijkomende inkomensderving van de staat was een gevolg van de aard van de regeling.

Overig

Zaak Van der Kooij, over toestemming Commissie staatssteun
Zaak Viscido, over vrijstelling arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur
Zaak Preussen Elektra, over administratieve of regulerende maatregelen
Zaak Italiaanse textielindustrie, over middelen uit verplichte bijdragen
Zaak Pearle, over staatsmiddelen en PBO
Zaak Van Tiggele, over minimumprijs
Zaak Ecotrade, over niet geïnde schulden voortbestaan bedrijf
Zaken Air France en Ladbroke Racing, over daadwerkelijke en constant beschikbare gelden
Zaken Steinike & Weinlig en Alfa Romeo, over staatssteun door overheid ingesteld publiek- of privaatrechtelijk lichaam of beheersorgaan
Zaken Intermills en Duitsland, over staatssteun decentrale overheden

Staatssteun aan dans, muziek en dichtkunst en Baskische film staatssteunregeling

Europese Commissie tegen Spanje, 4 april 2011. Besluiten 32144 (N/2001) en SA.32585 (2011/N). In deze zaken over een steunregeling ten behoeve van theater, dans, muziek en audiovisuele activiteiten in Baskenland, stelt de Europese Commissie dat de genoemde activiteiten uitgeoefend kunnen worden door ondernemingen.

Lees meer

Zorg

IRIS-Ziekenhuizen

In dit besluit over de Belgische IRIS-Ziekenhuizen stelde de Europese Commissie dat steun voor medische spoedeisende hulp door marktpartijen kan worden verricht. In dit geval werd door het marktfalen aan de bepalingen uit het DAEB-pakket voldaan.

De ziekenhuizen kwamen in aanmerking voor de DAEB-vrijstelling en de steun werd als geoorloofde steun gezien.

Nieuws Staatssteun

Europese Commissie start openbare consultaties over staatssteunregels

De Europese Commissie is gestart met het evalueren van de Europese staatssteunregels uit het State Aid Modernisation (SAM)-pakket én het inschatten van de mogelijkheden voor vernieuwing van het Europese regelgevingskader voor landbouwsteun. De evaluatie- en het inschattingstraject zijn van start gegaan met de openstelling van twee openbare consultaties. De consultatie met betrekking tot de staatssteunregels uit het SAM-pakket staat open tot en met 10 juli 2019. De consultatie over het regelgevingskader voor landbouwsteun staat open tot en met 19 juli 2019. Lees het volledige bericht

EU-Hof beantwoordt vragen over de toepassing van de AGVV; steun met rente terugvorderen

Het Hof van Justitie van de EU heeft op 5 maart prejudiciële vragen beantwoord in een zaak omtrent onrechtmatig verkregen staatssteun op basis van de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV). Aangezien het Hof zich niet vaak uitspreekt over de toepassing van de AGVV, ook al betreft het hier de oude AGVV, is dit noemenswaardig. De Europese rechter heeft in dit geval geoordeeld dat de nationale autoriteiten er inderdaad toe verplicht zijn de steun met rente terug te vorderen.

Lees het volledige bericht

Aankondiging staatssteunrapportage decentrale overheden

Komend voorjaar zullen alle gemeenten en provincies die staatssteun hebben verleend worden verzocht hierover te rapporteren. Het gaat daarbij om uitbetalingen van staatssteun die hebben plaatsgevonden in 2018. In dit bericht vindt u meer informatie over deze rapportage en de te volgen procedures.

Lees het volledige bericht

Versoepeling staatssteunregels zal cofinanciering eenvoudiger maken

Op 26 november heeft de Raad van de Europese Unie de zogenaamde machtigingsverordening aangenomen waarmee de Europese Commissie staatssteunregels kan versoepelen. De gewijzigde machtigingsverordening is onderdeel van het MFK-pakket en biedt de Europese Commissie de mogelijkheid om de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) zo uit te breiden dat de staatssteunregels beter aansluiten op nationale cofinanciering bij EU-fondsen. Lees het volledige bericht

Nieuwe Catalogus Groenblauwe diensten goedgekeurd door de Europese Commissie

Op 26 oktober 2018 heeft de Europese Commissie de verlenging en uitbreiding van de Catalogus Groenblauwe diensten goedgekeurd. Decentrale overheden kunnen van de Catalogus gebruikmaken wanneer ze steun willen verlenen voor de actieve ontwikkeling en beheer van natuur en landschap, waardoor kwetsbare soorten worden beschermd en zich kunnen ontwikkelen. In hoofdlijnen is de catalogus gelijk gebleven maar op een aantal punten is de catalogus verder uitgebreid. Specifieke informatie over de wijzigingen is (binnenkort) hier terug te vinden in het besluit. Lees het volledige bericht

Hoe Nederlandse gemeenten de Europese staatssteunregels toepassen

Onlangs heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een rapport verspreid over de toepassing en naleving van de staatssteunregels door Nederlandse gemeenten. Uit de kennisgevingen-barometer van Europa decentraal blijkt dat gemeenten in toenemende mate gebruikmaken van vrijstellingsverordeningen zoals de Algemene Groepsvrijstellingsverordening. Beide informatiebronnen geven meer inzicht in de wijze van toepassing van de staatssteunregels door gemeenten.

Lees het volledige bericht

Extra duiding over de werking van de Transparancy Aid Module (en cumulatie)

Wanneer decentrale overheden gebruik maken van een vrijstellingsverordening, kunnen ze vanaf bepaalde drempelwaarden te maken krijgen met de zogenaamde State Aid Transparancy Award Module (TAM). Om uit te leggen hoe de module gebruikt kan worden, heeft het ministerie van BZK een praktische TAM-handleiding gepubliceerd. Daarnaast kunt u hieronder meer lezen over hoe cumulatie van steun hier mogelijk ook van belang kan zijn. Lees het volledige bericht

Praktijk Staatssteun

Algemene groepsvrijstellingsverordening praktijk

Kennisgevingsprocedure AGVV

Binnen twintig dagen na de inwerkingtreding van een steunmaatregel onder de AGVV moet de betreffende decentrale overheid, namens de lidstaat, de Europese Commissie op de hoogte stellen door middel van kennisgeving. Er hoeft geen officiële melding gedaan te worden.

Gemeenten en provincies

Via het Coördinatiepunt Staatssteun van het Ministerie van BZK vraagt een gemeente of provincie een SANI-account aan. Daarin worden de gegevens aangeleverd. Het ministerie controleert de gegevens. De gemeente of provincie stuurt de kennisgeving door naar de Permanente Vertegenwoordiging bij de EU (PVEU) in Brussel die namens de lidstaat de melding indient bij de Commissie.

Waterschappen

Via het ministerie van I&M, Hoofddirectie Juridische Zaken/Algemeen Bestuurlijk-Juridische Zaken vraagt een waterschap een SANI-account aan. Daarin worden de gegevens aangeleverd. Het ministerie controleert de gegevens. Het waterschap stuurt de kennisgeving door naar de PVEU in Brussel die namens de lidstaat de melding indient bij de Commissie.

SANI

Via het online meldingssysteem State Aid Notifications Interactive (SANI) kunnen decentrale overheden staatssteun of vrijgestelde staatssteun melden of ter kennis geven. Via het betreffende ministerie kan er een account aangevraagd worden.

Kennisgevingsformulier

In bijlage III AGVV staat het benodigde formulier voor de kennisgeving. Deze kan via SANI ingevuld worden. De benodigde gegevens worden ook via SANI verstrekt. Via een compleet formulier stellen decentrale overheden de Commissie op de hoogte. Deze onderzoekt de kennisgeving niet inhoudelijk, maar kan deze wel achteraf controleren. Is het formulier niet compleet, dan kan de Commissie om aanvullende informatie vragen. Het formulier is een samenvatting van de steunmaatregel.

Decentrale overheden zijn verplicht de Commissie jaarlijks te rapporteren over de vrijgestelde staatssteun.

Publicatie steunmaatregel

De Commissie publiceert de samenvatting in het Publicatieblad van de EU en op haar eigen website. De decentrale overheid dient de volledige tekst van de steunmaatregel op internet te publiceren. Hierin zit verschil tussen een steunregeling en ad hoc steun:

1. Steunregeling

De tekst bevat de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden die de naleving van de toepasselijke bepalingen van de AGVV garanderen. De tekst moet toegankelijk blijven zolang de steunregeling van kracht is. De website waar de maatregels is te vinden, wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU.

2. Ad hoc steun

De tekst bevat een uitdrukkelijke verwijzing naar de bijzondere bepalingen uit hoofdstuk II AGVV op basis waarvan deze steun is verleend. Er moet verwezen worden naar de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden die de naleving van de toepasselijke bepalingen van de AGVV garanderen.

Commissiebrief over stimulerend effect steun aan grote ondernemingen

Decentrale overheden mogen alleen steun op basis van AGVV geven, als dit daadwerkelijk een stimulerend effect heeft. De steunmaatregelen moeten reëel bijdragen aan het scheppen van banen en het versterken van het Europees concurrentievermogen.

Aantonen stimulerend effect

Wanneer grote ondernemingen de AGVV steun krijgen, moeten zij bij de steunverlenende overheid duidelijk aantonen, dat dit stimulerend effect heeft. De begunstigde onderneming levert hiervoor documenten in, die aan drie eisen moeten voldoen:

1. De levensvatbaarheid van het project met en zonder steun, moet goed onderzocht zijn.
2. Het document moet aan de steunverlener ter beschikking zijn gesteld.
3. Het document moet een geloofwaardige analyse van het stimulerend effect bevatten.

De steunverlenende overheid controleert de documenten zorgvuldig.

Informatiewijzer staatssteun

Meer hierover leest u in de Informatiewijzer Staatssteun, hoofdstuk 6 en checklist.

Garanties praktijk

De methodiek van de Mededeling over garanties komt voor in de beschikking over de Garantieregeling Groeifaciliteit van het ministerie van EZ

Marktpassageplan Haaksbergen

In de zaak Marktpassageplan Haaksbergen had de gemeente toegezegd om 35% van de mogelijke kosten voor schadevorderingen toe te kennen aan de betrokken ontwikkelaars. Dit op grond van de toen geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Voordeel voor ontwikkelaars

Op basis van de Mededeling over de garanties bracht deze toezegging volgens de Commissie voordeel voor de ontwikkelaars. Het risico dat schadevergoedingen eventueel uitbetaald moeten worden, wordt door de gemeente gedragen.

Ook ontvangt de gemeente geen premie voor deze gedeeltelijke garantie, waardoor de ondernemingen bepaalde kosten ontlopen. Wilde de gemeente het voordeel voorkomen, dan hadden de ontwikkelaars voor deze garantie een passende premie moeten betalen.

Green Deals praktijk

Green Deal Provincie Flevoland

Deze Green Deal werd gesloten tussen de provincie Flevoland, alle gemeenten uit de provincie, waterschap Zuiderzeeland, HVC en Alliander. De deal is gericht op verduurzaming via de oprichting van DE-on, een professionele ontwikkelingsmaatschappij die Flevoland in 2020 energieneutraal moet maken. Hiervoor is € 1 miljard aan investeringen nodig. De Rijksoverheid is bereid een financiële bijdrage beschikbaar te stellen.

Green Deal Westland

Deze Green Deal betreft het opzetten van een biobased park in het Westland. Verschillende bedrijven zijn hier fysiek gekoppeld voor het verwaarden van plantaardig restmateriaal uit de tuinbouw en GFT-afval uit Westland. De Rijksoverheid ondersteunt met kennis en regie het verkrijgen van vergunningen en spant zich in voor het aanpassen van knellende wet- en regelgeving.

Green Deal Rotterdam

Met deze Green Deal wordt de CO2-uitstoot in 2025 in Rotterdam gehalveerd en de Rotterdamse economie versterkt aan de hand van de volgende doelstellingen:

– Duizend elektrische voertuigen en oplaadpunten per 2014;
– 25% van het gemeentelijk wagenpark is elektrisch of hybride;
– De aanleg van een stoomleiding die in 2013 circa 20.000 ton CO2 bespaart en in 2017 400.000 ton.

Andere onderdelen van de Green Deal zijn energieprestatie contracten voor gebouwen, windenergie op de maasvlakte en een klimaatneutrale wijk. De Rijksoverheid draagt hier aan bij door het wegnemen van knelpunten in regelgeving, een financiële bijdrage, meewerken aan ontwerpen en projecten en het vereenvoudigen van regelgeving.

Landbouw praktijk

Bedrijfsbeëindiging grondgebonden agrarische gebieden

Steunmaatregel SA 31586. De provincie Groningen had op basis van titel 4:2 Awb, de provinciale kaderverordening subsidies en de provinciale beleidsregel bedrijfsbeëindiging grondgebonden agrarische gebieden een subsidie verleend voor het beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van tuinbouwers.

Steun aan een bepaalde sector in een bepaalde regio is altijd selectief en een subsidie levert een niet-marktconform voordeel op. Er is daarom sprake van staatssteun. De Commissie keurt echter de steun goed om de volgende redenen:

– De steun draagt bij aan een milieudoelstelling. Het voornaamste doel van de subsidie voor bedrijfsbeëindiging is natuurontwikkeling in het kader van de EHS en biodiversiteit;
– De grond mag niet meer voor landbouwdoeleinde worden gebruikt en krijgt een milieubestemming. Het einde van het landbouwgebruik heeft geen negatieve gevolgen voor het milieu;
– De productielocatie is de afgelopen vijf jaar in bedrijf geweest;
– De onderneming verkeert niet in moeilijkheden;
– De steunmaatregel is voor alle marktdeelnemers in de sector toegankelijk zijn;
– De gronden zijn getaxeerd. Er is niet meer dan 20 % van de waarde van de betrokken grond gesubsidieerd.

Subsidieverordening inrichting landelijk gebied

Een voorbeeld van kennisgeving onder de MKB-Vrijstelling, is de subsidieverordening inrichting landelijk gebied van de provincie Utrecht.

De provincie heeft een subsidieregeling voor o.a. opleidingssteun, kennisdeling, technische ondersteuning en het organiseren van bijeenkomsten voor fruittelers ingericht, op basis van art. 15 MKB-Vrijstelling. Het doel van de subsidieregeling is het mogelijk maken van een duurzame bestrijdingsmethode voor fruitteeltondernemingen tegen fruitmot.

Subsidieregeling investeringen in duurzame stallen

De subsidieregeling van het ministerie van EL&I (toen LNV) is succesvol onder de landbouwrichtsnoeren geschaard. De regeling is van toepassing op de extra kosten die primaire landbouwbedrijven maken voor investeringen in dierenwelzijn, milieu en de gezondheid van dieren. Deze extra kosten maken de bouw, inrichting of verbetering van duurzame dierenstallen mogelijk.

Volgens de Europese Commissie draagt de subsidieregeling bij aan doelstellingen op het gebied van kwaliteitsverbetering en duurzaamheid. De steunmaatregel draagt ook bij aan de oplossing van problemen op het gebied van duurzaamheid in de Nederlandse veehouderijsector. Het effect van de subsidieregeling werd aan het Europese plattelandsontwikkelingsprogramma gekoppeld.

Boerderijeducatie (Taskforce Multifunctionele Landbouw)

Decentrale overheden kunnen tot € 200.000,= steun aan boerderijeducatie verlenen, dit hoeft niet gemeld te worden bij de Commissie. Boerderijeducatie wordt niet gezien als onderdeel van het productieproces van landbouwproducten, daardoor kan het profiteren van een hoger steunplafond onder de reguliere De-minimisvrijstelling.

Taskforce Multifunctionele Landbouw heeft hier onderzoek naar laten doen. Aanleiding voor het onderzoek was een amendement van Provinciale Staten uit 2008, waarbij geld was uitgetrokken voor boerderijeducatie aan basisscholen. Onderzocht is hoe decentrale overheden boerderijeducatie kunnen financieren zonder staatssteunregels te overtreden. De resultaten zijn verwerkt in de Handreiking boerderijeducatie uit publieke middelen.

Volgens de handreiking groeit het besef dat het leerzaam is kinderen te leren waar voedsel vandaan komt, wat een verantwoordelijke omgang met dieren is en hoe voedselproductie zich verhoudt tot de natuurlijke omgeving waarin die plaatsvindt. Scholen hebben hier vaak geen budget voor, terwijl er decentrale overheden zijn die dit willen financieren.

Bij deze financiering moet rekening gehouden worden met Europese regelgeving over staatssteun en aanbesteding. Voor overheidsbetalingen aan agrariërs gelden strikte eisen. Betalingen voor boerderijeducatie vallen niet onder staatssteun en kunnen daarom vallen onder de De-minimisvrijstelling. Er mag dus maximaal € 200.000,= steun per drie belastingjaren per onderneming worden verleend.

Beschikking Boeren voor Natuur

In juli 2006 heeft de Commissie staatssteun goedgekeurd aan het project ‘Boeren voor Natuur’. Op twee plaatsen in Nederland gaan boerenbedrijven landbouw en natuur- en landschapsmaatregelen combineren. Het project wordt financieel gesteund door het Rijk, de provincies Overijssel en Zuid-Holland, de gemeenten Delft, Hof van Twente en Pijnacker-Nootdorp, het stadsgewest Haaglanden, het Hoogheemraadschap van Delfland en het waterschap Regge en Dinkel.

Het project wijkt sterk af van de gangbare agrarische bedrijfsvoering, omdat de boeren milieuvriendelijker en duurzamer manier van werken. De bedrijfsvoering is gesloten, op het bedrijf worden geen (kracht)voer en meststoffen van buiten het bedrijf aangevoerd en er worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. De bedrijven maken op hun grond landschapselementen, zoals hagen en houtwallen. Dit is een nieuwe vorm van bedrijfsvoering: landschap, natuur en agrarische productie worden in verband met elkaar ontwikkeld voor het hele bedrijf.

De steunmaatregel betreft twee submaatregelen:

1. Extensief en milieuvriendelijk boeren
Volgens de Commissie is er sprake van staatssteun die verenigbaar verklaard kan worden met het EG-Verdrag. De Commissie heeft deze maatregel beoordeeld in het ligt van de (oude) Communautaire richtsnoeren voor staatssteun aan de landbouwsector (punt 5.3.1.) en principes van hoofdstuk VI Verordening 1257/1999.

2. Verandering van landbouwgrond in natuurterrein
De Commissie concludeert dat er geen sprake is van staatssteun in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de EU, onder meer omdat de betrokken landbouwer elke mogelijkheid verliest om een economische activiteit op een deel van zijn land uit te oefenen.

Leningen praktijk

In 2006 gaf de Europese Commissie goedkeuring aan leningen die enkele gemeenten en de BNG aan de Vereniging van Aanbieders van Oud Papier hadden verstrekt. De leningen voldeden aan de voorwaarden die ook voor een particuliere investeerder aanvaardbaar zouden zijn.

De VAOP heeft dus geen niet marktconform voordeel ontvangen dat op staatssteun zou kunnen wijzen.

Milieusteun praktijk

Vrijgestelde steunmaatregelen onder de AGVV

Enkele voorbeelden van vrijgestelde steunmaatregelen onder de AGVV zijn:

– Energiebesparing woningcorporatie, provincie Limburg;
– Subsidieregeling ‘stimulering verbetering luchtkwaliteit’, provincie Noord-Holland;
– Eenmalige subsidie NUON Helianthos voor flexibele zonnecellen, stadsregio Arnhem-Nijmegen;
– Bio-energiecentrale Meerhoven, gemeente Eindhoven;
– Subsidie aan Biomassacentrale Treurenburg, provincie Noord-Brabant;
– Garantiefonds Energie, provincie Utrecht.

Zie Voorbeelden van vrijgestelde steunmaatregelen onder de AGVV voor uitgebreide informatie over bovenstaande voorbeelden.

Goedgekeurde steunmaatregelen onder de Richtsnoeren

Enkele voorbeelden van goedgekeurde steunmaatregelen onder de Richtsnoeren zijn:

– Beschikkingen over windenergie;
– Nederlandse garantiefaciliteit voor geothermische energie;
– Subsidieregeling Vitaal, provincie Gelderland;
– Warmtebedrijf NV, gemeente Rotterdam;
– Eneco duurzame energie, provincie Zuid-Holland.

Zie Voorbeelden van goedgekeurde steunmaatregelen onder de Richtsnoeren voor uitgebreide informatie over bovenstaande voorbeelden.

Beschikkingen over windenergie

In 2011 keurde de Europese Commissie een reeks Nederlandse steunmaatregelen voor windenergie goed op basis van de Richtsnoeren:

– Aid for offshore wind farm Buitengaats (SA.31961);
– Aid for offshore wind farm Zee energie (SA.31962);
– Wind farm project Acousticon (SA.32855);
– Creil (SA.32856);
– Zuidermeerdijk (SA.32857);
– Wind farm project VWW (SA.32858);
– Westermeerwind (SA.32859).

Deze beschikkingen zijn nog niet gepubliceerd.

Risico niet-naleving

In Nederland zijn er voorbeelden van zaken waar een concurrent van een begunstigde onderneming de bepaling van art. 108 lid 3 VWEU oproept:

– Samenwerkingsverband Noord-Nederland en de gemeente Groningen tegen Stichting Prins Bernardhoeve (een overheidssubsidie voor de verbouwing van het evenementencomplex Martinihal);
– Essent tegen de gemeente Appingendam (aanleg van een gemeentelijk glasvezelnetwerk);
– UPC tegen de gemeente Amsterdam (gemeentelijke betrokkenheid in Glasvezelnet Amsterdam).

Gemeente Noordwijk

Ook in zaken die over de aanbestedingsplicht van gemeenten gaan, wordt beroep gedaan op staatssteun. Zo heeft de eiser in het kort geding tegen gemeente Noordwijk over de herontwikkeling van de locatie Rederijkersplein gesteld dat zij de Commissie laat onderzoeken of het samenwerkingsverband tussen de gemeente en de gekozen ontwikkelaar aan de staatssteunregels voldoet.

Het vermoeden van staatssteun bestaat, omdat de gemeente voor de verkoop van de grond geen onafhankelijke taxatie heeft laten uitvoeren en evenmin voor een onafhankelijke biedprocedure heeft gekozen (zaak BF4232).

Risicokapitaal praktijk

Agro&Co Kapitaalfonds in Noord-Brabant is een voorbeeld van een risicokapitaalfonds. Zij nemen deel in initiatieven die bijdragen aan systeeminnovaties in de agrarische sector, waarvoor financiering uit de markt moeilijk is te vinden.

Oprichting investeringsfonds

De provincie Noord-Holland heeft bij de Risicokapitaalregeling Duurzame Energie een investeringsfonds opgericht. Dit heeft tot doel het investeren in MKB ondernemingen die zich bezighouden met onderzoek naar en de ontwikkeling van technologieën van duurzame energie en voornemens zijn nieuwe producten en diensten op de markt te brengen.

Steun voor het MKB praktijk

AGVV

Subsidieprogramma Zuid-Nederland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg
Noordelijke Innovatie Ondersteuningsfaciliteit, SNN
Human Resource Mangement Plus, SNN
Ad hoc subsidie Gebiedscoöperatie Oregional, Arnhem/Nijmegen
Subsidieregels koersvast Limburg, Quick Scan
Regeling Technologische Innovatie en Milieu Innovatie, Flevoland 

MKB-Landbouwvrijstellingsverordening

Pilots duurzaam ondernemen, Utrecht
Projecten duurzame landbouw, Utrecht
Stimulering Agro-innovatie in Limburg, Limburg
Veldmakelaars groenblauwe diensten, Limburg
Subsidieverlening natuur, fosfaat en landbouw, Noord-Brabant
Subsidieregeling convenant Stuurgroep Landbouw Innovatie, Noord-Brabant 

Richtsnoeren risicokapitaal en Kaderregeling O&O&I

Aanpassing risicokapitaalregeling ODR module 9
Belastingfaciliteit voor MKB-beleggingen door particulieren, ministerie van Financiën 

Wijziging bestemmingsplan praktijk

Een voorbeeld van een wijziging in het bestemmingsplan waar geen uit staatsmiddelen bekostigd voordeel uit voortkomt, is de gemeente Madrid die een wijziging toebrengt die ten voordele is voor voetbalclub Real Madrid. In het antwoord van de Commissie en onder Staat en staatsmiddelen leest u meer.

Praktijkvragen Staatssteun

Kan een gemeente participeren in de aanleg van een zonne(panelen)park zonder de mededingingsregels te overtreden?

In het kader van het Programma Aardgasvrije Wijken heeft het Rijk geld aan de gemeente beschikbaar gesteld ten behoeve van een proeftuin voor een aardgasvrije wijk. De gemeente overweegt dit geld (deels) te gebruiken voor eigen rechtstreekse participatie in de exploitatie van een zonnepark, bijvoorbeeld via een nog op te richten rechtspersoon. Met welke mededingingsregels en/of staatssteunregels moet de gemeente dan rekening houden?

Bekijk het antwoord

Bestaat er een risico op staatssteun bij openbare infrastructuurprojecten in PPS-verband?

De financiering van openbare infrastructurele voorzieningen door decentrale overheden wordt meestal gezien als een algemene maatregel die vanwege het generieke karakter niet onder het staatssteunverbod (artikel 107 lid 1 VWEU) valt. Is dit juist, of bestaat er toch een risico op het (onrechtmatig) verlenen van staatssteun bij (mede) door decentrale overheden gefinancierde openbare infrastructuurprojecten die via publiek-private samenwerking (PPS) worden uitgevoerd?

Bekijk het antwoord

Waar moet u op letten bij het gebruik van de de-minimisverordening als u steun wilt verlenen?

Onze gemeente is voornemens aan een stichting subsidie te verstrekken voor activiteiten die kwalificeren als staatssteun. Aangezien het gaat om een relatief laag bedrag overweegt onze gemeente gebruik te maken van de de-minimisverordening. Wat zijn de voor- en nadelen van deze keuze en waar moet u op letten bij het verlenen van deze steun?

Bekijk het antwoord

Welke voorwaarden stelt de AVG aan de publicatieplicht van beschikkingen op grond van de staatssteunregels?

In hoeverre moeten decentrale overheden rekening houden met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bij publicatieplicht op grond van de staatssteunregels? De AVG kan namelijk van belang zijn bij de publicatie van sommige staatssteunbeschikkingen, bijvoorbeeld wanneer steun aan een agrariër wordt verleend, die ook woont op zijn agrarisch bedrijf. Is een decentrale overheid verplicht om zulke persoonsgegevens te vermelden in de beschikking? Of is de AVG niet van toepassing op de staatssteunregels?

Bekijk het antwoord

Kunnen we op basis van de de-minimisverordening een lening verstrekken die de de-minimisdrempel ver overstijgt?

Onze provincie is voornemens een lening tegen gunstige voorwaarden (een zogenaamd ‘zachte lening’) te verstrekken op basis van de reguliere de-minimisverordening. Dit om zo de financiering van een omvangrijk project mogelijk te maken voor een bedrag dat een veelvoud is van de de-minimisdrempel van € 200.000 ligt. Kan dit, en zo ja, hoe moet dan het (staats)steundeel worden bepaald?

Bekijk het antwoord

Kan een provincie woningcorporaties steunen voor de aansluiting van sociale huurwoningen op het lokale warmtenet?

Onze provincie overweegt een subsidie te verlenen aan een woningcorporatie op basis van een subsidieregeling voor lokale energie-initiatieven. Het gaat om een subsidie als vergoeding voor de (hogere) aansluitkosten van sociale huurwoningen op het lokale warmtenet ten opzichte van gas. Kan dergelijke steun door de provincie worden verleend op basis van het DAEB-kader? De maximale subsidiehoogte is in de subsidieregeling vastgesteld op €75.000,- per project.

Bekijk het antwoord

Kan een gemeente een lokale breedbandleverancier op een ‘staatssteunproof’ manier ondersteunen?

Voor inwoners in het buitengebied van onze gemeente is momenteel geen breedband beschikbaar. Een lokale breedbandleverancier is voornemens om hier breedband aan te leggen, maar in de planningsfase blijkt vooralsnog een sluitende businesscase niet mogelijk. Zijn er mogelijkheden om als gemeente de onrendabele top van het breedbandproject te financieren, zonder hierbij onrechtmatige staatssteun te verlenen volgens de Europese staatssteunregels?

Bekijk het antwoord

Kan een onderneming worden belast met het uitvoeren van een DAEB wanneer andere marktpartijen al soortgelijke diensten verrichten?

Onze gemeente overweegt een onderneming te belasten met het uitvoeren van sociale diensten als een zogenaamde Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Deze onderneming is actief op een markt waar ook andere marktpartijen actief zijn die niet met een DAEB zijn belast. Is het dan wel mogelijk om deze dienst als een DAEB aan te wijzen en de betreffende onderneming te belasten met het uitvoeren van een DAEB?


Bekijk het antwoord

Is een compensatie voor het verplaatsen van een landbouwbedrijf staatssteun?

In het kader van een gebiedsontwikkelingstraject overweegt onze provincie de verplaatsing van een agrarische onderneming. Het landbouwbedrijf bevindt zich nabij een woongebied en de verplaatsing zal bijdragen aan het verminderen van geuroverlast. De provincie wil een (financiële) compensatie toekennen aan het landbouwbedrijf voor de verplaatsing. Betreft een dergelijke compensatie staatssteun en zo ja, op welke wijze kan deze steunverlening dan ‘staatssteunproof’ plaatsvinden?

Bekijk het antwoord

Heeft het voorstel tot wijziging van de Jeugdwet en de Wmo 2015 een relatie met de uitvoering van Europeesrechtelijke verplichtingen door gemeenten?

Minister Hugo de Jonge (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft onlangs een wetsvoorstel naar de Kamer gestuurd om knelpunten in de uitvoering van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) weg te nemen. Welke wijzigingen brengt dit wetsvoorstel met zich mee voor gemeenten? Zijn de veranderingen van het wetsvoorstel ook gerelateerd aan de uitvoering van Europese regelgeving door gemeenten?

Bekijk het antwoord

Publicaties Staatssteun

Cultuur

Informatiewijzer Staatssteun, Europa decentraal en ministerie van BZK
‘Pluk de vruchten van de interne markt’, Europa decentraal en Universiteit Utrecht, december 2011
‘1001 vragen over staatssteun’, Europa decentraal, 2008

Grondtransacties publicaties

Handreiking Grondtransacties en Staatssteun, met achtergrondinformatie over het Europese kader
Handreiking Staatssteun en stedelijke vernieuwing
Staatssteun en gebiedsontwikkeling – een inventarisatie voor verdere discussie, prof. dr. B. Hessel, Tijdschrift voor Bouwrecht 149, november 2012, p. 781-791

Vastgoedtransacties sneller staatssteunproof

Vastgoedtransacties sneller staatssteunproof, A.D.L. Knook, Tijdschrift voor Bouwrecht 6, 2011, p. 374-380. De auteur maakt een analyse van de meest actuele jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de ABRvS over grondtransacties en staatssteun. Daarbij bespreekt de auteur het belangrijke arrest Seydaland van het Hof . Uit dit arrest volgt dat de Mededeling grondtransacties overheden een bepaalde beleidsruimte laat in het berekeningssysteem van de grondwaarde, zolang deze berekeningsmethode tot een ‘reële marktwaarde’ leidt .

De Mededeling staatssteun bij verkoop van grond en gebouwen: simpel maar effectief?

Land sales and state aid, L. de Jong- Goris, Tijdschrift voor Staatssteun 1m 2011, p. 5- 12. De auteur gaat in op de omvangrijke beschikkingspraktijk van de Europese Commissie en Europese en Nederlandse jurisprudentie inzake de toepassing en handhaving van de Mededeling over staatssteun en grondtransacties.

Staatssteun bij locatieontwikkeling

A.G. Bregman, Staatssteun bij locatieontwikkeling, Bouwrecht 2005, Aflevering 6 (BR 2005/108), p. 470-475. Tot voor kort was het verbod op ongeoorloofde staatssteun, zoals bedoeld in art. 87 van het EG-Verdrag (art. 107 VWEU), een nauwelijks besproken onderwerp in relatie tot locatieontwikkeling. De afgelopen periode is de aandacht voor vraagstukken op dit terrein aanmerkelijk toegenomen, in het bijzonder door enkele rechterlijke uitspraken in verband met staatssteun op dit terrein. In dit artikel gaat de auteur in op de betekenis van de staatssteunproblematiek voor locatieontwikkeling.

Staatssteun en gebiedsontwikkeling

Staatssteun en gebiedsontwikkeling, I. Klinge – van Rooij, P. Stol, Het Tijdschrift voor Vastgoedrecht 5, 2006. De auteurs gaan in op de beschikking van de Commissie over het Marktpassageplan Haaksbergen en de vragen die deze opwerpt met betrekking tot financiering van onrendabele projecten .

Stedelijke vernieuwing en de Europese regels van staatssteun

Bart Hessel, Ilze Jozepa, Stedelijke vernieuwing en de Europese regels van staatssteun, Gemeentestem 2004. In dit artikel staat de vraag centraal hoe gemeenten bij projecten van stedelijke vernieuwing reeds bij de vormgeving van hun beleid problemen met staatssteun kunnen voorkomen.

Landbouw publicaties

Boek Pluk de vruchten van de interne markt, Europa decentraal en Universiteit Utrecht
Boek 1001 vragen over staatssteun, Europa decentraal

Artikelen Europa decentraal uit de reeks In 10 stappen op de hoogte:

Andere publicaties

Regiebureau POP over het nieuwe GLB
Programmadocument POP2, met in tabel 9 de specificaties van de staatssteunkaders waarbinnen POP2 viel
Handreiking Boerderijeducatie uit publieke middelen, mogelijkheden voor decentrale overheden

 

Lokale en regionale omroepen publicaties

Vragen en antwoorden nieuwe regels staatssteun aan publieke omroepen, Europese Commissie
Uitkomsten publieksconsultatie over de ontwerpvoorstellen, Europese Commissie
Nederlandse bijdrage aan de eerste publieksconsultatie
Mededeling staatssteun en openbare omroepen
Overzicht van besluiten, over toepassing staatssteunregels publieke omroepen
Financiële ondersteuning van regionale en lokale publieke omroepen, de randvoorwaarden van het Gemeenschapsrecht
Mediawet 2008

Wet- en regelgeving Staatssteun

Breedband en staatssteun wet- en regelgeving

Richtsnoeren staatssteun voor breedband

Decentrale overheden moeten rekening houden met beleidsregels die gelden bij staatssteun voor breedbandprojecten. Op 17 september 2009 heeft de Europese Commissie voor het eerst breedbandrichtsnoeren vastgesteld (Pb [2009] C 235/4 en IP/09/1332).

Doelen

De belangrijkste doelen van de breedbandrichtsnoeren zijn:

– Het behoud van de mededinging en het ondersteunen van de totstandkoming van meer concurrerende en duurzame markten in de sector elektronische communicatie.
– Het voorkomen van onaanvaardbare verstoringen van de mededinging, aantasting van de prikkels voor privé-investeringen en verdringing van commerciële initiatieven.
– Het vergroten van het consumentenwelzijn door een ruime en snelle uitrol van breedbandnetwerken.
– Het aansporen van overheidsinstanties om de ‘digitale tweedeling’ te verkleinen op terreinen waarop commerciële marktdeelnemers niet wensen te investeren.
– Een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU2020-strategie en de daaruit voortvloeiende Digitale Agenda.

Besluitpraktijk lidstaten

De breedbandrichtsnoeren bundelen de besluitpraktijk van lidstaten over de financiering van breedbandprojecten en de toepassing van staatssteunregels. Zo geeft de Commissie inzicht in haar beleid ten aanzien van staatssteun voor de uitrol van traditionele basisbreedbandnetwerken. Ook stelt de Commissie een aantal aanvullende criteria vast, waaraan steun voor de uitrol van NGA-netwerken wordt getoetst.

Resultaten

Op basis van de breedbandrichtsnoeren keurde de Commissie tussen september 2009 en januari 2011 dertig breedbandmaatregelen van (decentrale) overheden goed. Dit kwam neer op een bedrag van 2,1 miljard euro aan ‘concurrentiebevorderende overheidsfinanciering’.

Herziening richtsnoeren

De richtsnoeren moeten uiterlijk drie jaar na bekendmaking worden geëvalueerd. In een persbericht gaf de Commissie aan dat aanpassing nodig is door de snelle, actuele ontwikkelingen op de markt, technologie en regelgeving. Medio 2011 is de eerste consultatieronde gestart. Dit wordt gebruikt voor de herziening van de richtsnoeren, die voor eind september wordt verwacht.

Doel herziening

Het doel van de herziening is om niet alleen de publieke en private investeringen in de aanleg van breedband te inventiviseren, maar ook om de concurrentie te vergroten. Belangrijke thema’s in de eerste consultatieronde zijn:

– de voorwaarde voor de toegang tot en aanleg van NGA-netwerken;
– De afbakening van de dekkingsgraad van breedband (de zogenaamde witte, grijze en zwarte gebieden);
– De rol van nationale toezichthouders en decentrale overheden.

Cultuur

Art. 107 lid 3d VWEU zondert cultuursteun uit van het staatssteunverbod. Steun om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen is verenigbaar met de interne markt.

Voorwaarden

Uit de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie kunnen de volgende voorwaarden voor cultuursteun worden afgeleid:

– Voldoet de culturele instelling aan de definitie van onderneming en internationaal publiek, dan moet de staatssteun mogelijk worden gemeld. Heeft de instelling alleen lokaal bereik, dan is dat niet het geval;
– De Commissie past de cultuuruitzondering strikt toe. Een decentrale overheid moet daarom een goede onderbouwing van het cultureel belang van de steunmaatregel geven;
– Kruissubsidiëring met puur commerciële activiteiten moet voorkomen worden. Dat kan door een gescheiden boekhouding. Dit aspect wordt steeds relevanter. Culturele instellingen ontplooien steeds vaker commerciële (neven)activiteiten.

In de beschikking over steun aan het luchtvaartmuseum Aviodrome komen deze voorwaarden duidelijk naar voren (zie jurisprudentie).

Melding verplicht

Het voornemen om staatssteun aan cultuur te verlenen, moet vooraf gemeld worden bij de Commissie.

Uitzondering melding

De meldingsplicht is niet op alle culturele subsidies van toepassing. Cultuursubsidies zijn vaak bedoeld voor culturele instellingen die puur lokaal actief zijn of niet worden beschouwd als onderneming naar Europees recht. De subsidie voldoet in die gevallen niet aan alle criteria van het staatssteunverbod en kan worden verleend. Zie voor meer informatie over steun voor puur lokale activiteiten de pagina Grensoverschrijdend effect.

De-minimis wet- en regelgeving

De-minimisvrijstellingsverordening

Steunmaatregelen die onder de de-minimisdrempel blijven, hebben een beperkt effect op het handelsverkeer tussen lidstaten. Het voldoet niet aan de criteria van het staatssteunverbod (art. 107 lid 1 VWEU) en wordt volgens de DAEB de-minimisverordening niet als staatssteun beschouwd.

De-minimisdrempel

Vanaf 2007 bedraagt de de-minimisdrempel € 200.000,- per drie belastingjaren, daarvoor was dit € 100.000,-. Een decentrale overheid mag deze steun aan één onderneming verlenen, ongeacht de vorm, het doel en het feit dat steun geheel of gedeeltelijk uit Europese middelen wordt gefinancierd.

Garanties wet- en regelgeving

Mededeling staatssteun garanties

In de Mededeling garanties staat onder welke omstandigheden overheidsgaranties aan ondernemingen zijn toegestaan. Er worden duidelijke methodieken uiteen gezet voor het berekenen van het staatssteunbestanddeel in een garantie en vereenvoudigt regels voor het MKB.

Reikwijdte

De mededeling is van toepassing op alle overheidsgaranties, zowel individuele garanties als garantieregelingen. De mededeling gaat ook in op garanties die mogelijk voordeel verlenen aan kredietgevers, in dit geval de decentrale overheid.

Green Deals wet- en regelgeving

In Green Deals worden concrete afspraken gemaakt waarbij decentrale overheden te maken krijgen met Europese staatssteunregels. Bij de volgende acties moet hier rekening mee gehouden worden:

1. Financieren ondernemingen binnen Green Deals

Decentrale overheden krijgen via het Provincie- of Gemeentefonds een bijdrage om uitvoering te geven aan de Green Deals. Deze kunnen zij doorgeven aan een onderneming ten behoeve van een duurzaam project.

2. Oprichten of deelnemen PPS-constructie

Een decentrale overheid kan in het kader van de Green Deal een publiekprivate samenwerking oprichten of hieraan deelnemen. Bij het deelnemen hieraan moeten risico’s zo verdeeld worden dat decentrale overheden niet meer risico’s op zich nemen dan een private investeerder zou hebben gedaan om staatssteun te voorkomen. Lukt dit niet, dan moet er met staatssteunregels rekening worden gehouden.

Wanneer de keuze voor deelname van de private partij aan een geïnstitutionaliseerde PPS-constructie samenvalt met opdrachtverlening aan of binnen het samenwerkingsverband, moeten de aanbestedingsregels voor PPS-constructies in acht worden genomen.

3. Projecten financieren en uitvoeren met private partijen

Wanneer decentrale overheden samen met private partijen projecten uitvoert en financiert, gelden de staatssteunregels. Gaat de financiering gepaard met opdrachtverlening, dan gelden ook de aanbestedingsregels. Treedt de decentrale overheid op de markt en biedt hij diensten aan, zijn ook de mededingingsregels mogelijk van toepassing.

4. Inzet andere instrumenten

Decentrale overheden kunnen ook kiezen om niet financieel bij te dragen, maar om andere instrumenten inzetten. Voorbeelden zijn de wijziging van een bestemmingsplan en de inzet van kennis en expertise om de realisering van duurzame projecten te bevorderen. Op het eerste gezicht lijkt er geen sprake te zijn van financiële middelen, toch moeten decentrale overheden toetsen of er sprake is van staatssteun.

Kinderopvang wet- en regelgeving

Staatssteun aan kinderopvang kan worden voorkomen door marktconform te handelen bij bijvoorbeeld het verkopen van grond of het verhuren van een pand aan een kinderopvangorganisatie. Als een decentrale overheid wél steun wil verlenen, kan deze op basis van verschillende vrijstellingen staatssteunproof worden gemaakt:

staatssteun voorkomen: Marktconform handelen

Decentrale overheden kunnen kinderopvang niet alleen met subsidie steunen, maar ook door het verkopen, verhuren of verpachten van grond of gebouwen die in bezit zijn van de overheid, of met een lening of garantie. Om staatssteun te voorkomen, moet een overheid daarbij marktconform handelen. De kinderopvangorganisatie ontvangt dan geen marktvoordeel, waardoor er geen sprake van staatssteun hoeft te zijn. In de Mededeling staatssteun beschrijft de Europese Commissie hoe overheden een marktconforme prijs kunnen bepalen.

KINDEROPVANG ALS DIENST VAN ALGEMEEN ECONOMISCH BELANG

Als de markt niet voldoende in kinderopvang voorziet, kan kinderopvang als DAEB worden gekwalificeerd. Steun onder de € 15 miljoen per jaar is vrijgesteld van meldplicht aan de Commissie. Om kinderopvang als DAEB te kwalificeren, moet dit marktfalen duidelijk worden aangetoond. Vanwege de marktwerking in deze sector, is dit in Nederland erg lastig. Dat geldt ook als de overheid gebruik wil maken van het DAEB-vrijstellingsbesluit, waarin kinderopvang wordt genoemd als mogelijke vrijstellingsmogelijkheid.

DAEB DE-MINIMIS

Decentrale overheden kunnen onder de DAEB de-minimisvrijstelling steun aan kinderopvang verlenen, zonder dat dit als staatssteun hoeft te worden aangemerkt. Over drie belastingjaren mag er aan één onderneming maximaal € 500.000,- steun verleend worden, zonder dat dit als staatssteun wordt aangemerkt. Dit is dus alleen mogelijk als er een duidelijk marktfalen bestaat, waardoor kinderopvang als DAEB kan worden aangewezen.

Reguliere de-minimis

Als DAEB niet mogelijk is, zou steun aan kinderopvang onder de € 200.000,- over een periode van drie belastingjaren aan één onderneming staatssteunproof worden uitgekeerd onder de ‘reguliere’ de-minimisvrijstelling.

Algemene groepsvrijstellingsverordening

Wanneer steun valt onder de AGVV, kan er worden volstaan met een kennisgeving. De AGVV is voor decentrale overheden een van de meest praktische manieren om toegestane staatssteun te verlenen, omdat deze veel steuncategorieën bevat en deze ruime toepassingsmogelijkheden biedt. Voor steun aan kinderopvang kunnen de categorieën steun aan het MKB, opleidingssteun en steun voor kwetsbare werknemers relevant zijn.

Landbouw wet- en regelgeving

De voorwaarden voor landbouwsteun zijn opgenomen in de volgende vrijstellingen en richtsnoeren:

Staatssteunregels voor de landbouwsector zijn van toepassing op:

  • ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten;
  • ondernemingen die landbouwproducten verwerken en afzetten;
  • ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector en die steun voor plattelandsontwikkeling (POP3) krijgen.

Steun voor activiteiten die geen invloed heeft op de primaire landbouw mag ook staatssteunproof worden gemaakt op basis van andere steunkaders, zoals de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV), de reguliere de-minimisvrijstelling en het Milieusteunkader (MESK).

Definities productie, verwerking en afzet van landbouwproducten

De definities vindt u in paragraaf 2.4 van de Richtsnoeren. De producten die als landbouwproduct worden gedefinieerd, staan opgesomd in Bijlage I van het VWEU.

1. Vrijstellingsverordening MKB Landbouw

Met de MKB Landbouwvrijstelling (ABER, Nr. 702/2014) kan steun aan agrariërs staatssteunproof worden gemaakt. De oude ABER (Nr. 1857/2006) gold tot eind 2013. Daarna is deze met een half jaar verlengd. Per 1 juli 2014 is de herziene verordening in werking getreden. Onder de ABER gelden overgangsbepalingen, dezelfde als onder de nieuwe AGVV.

Verbreding reikwijdte, maar meer controle

Veel bestaande categorieën hebben nu hogere maxima en soepelere voorwaarden. De ABER is uitgebreid met nieuwe categorieën, zoals energie- en agromilieumaatregelen, cultuur, natuurlijk erfgoed en plattelandsontwikkeling. De Commissie legt wel meer nadruk op verslaglegging en monitoring.

Reikwijdte

De ABER is van toepassing op MKB bedrijven die actief zijn in de landbouwsector, met name de primaire landbouwproductie. De nieuwe ABER is nu ook grotendeels van toepassing op de verwerking en de afzet van landbouwproducten.

De ABER bevat een apart gedeelte voor steunmaatregelen, die niet van invloed zijn op de primaire productie van landbouwproducten, en die worden verstrekt op basis van het POP3 programma. Het gaat zowel om subsidies die worden gefinancierd mét een bijdrage uit het Europees Landbouwfonds (ELFPO) als om subsidies gefinancierd vanuit aanvullende nationale financiering (top-ups) bij het POP3-programma.

Normaalgesproken mag geen steun worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden. De ABER bevat een uitzondering op deze regel als het gaat om steun voor schade veroorzaakt door natuurrampen.

Categorieën

De verordening stelt de volgende categorieën vrij van melding:

  • steun ten behoeve van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;
  • steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven;
  • steun voor het herstel van de schade als gevolg van natuurrampen in de landbouwsector;
  • steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en de bosbouwsector;
  • steun voor de bosbouw.

Kennisgeving

Steunmaatregelen die onder de verordening vallen, hoeven niet gemeld te worden bij de Commissie. Kennisgeving en rapportage zijn wel verplicht.

2. Algemene groepsvrijstellingsverordening

Decentrale overheden kunnen ook op basis van de AGVV steun aan ondernemingen in de landbouwsector staatssteunproof maken. De AGVV bevat meer categorieën dan de ABER en kan een nuttig instrument zijn als de steun niet onder de ABER past.

Reikwijdte

De AGVV is helemaal van toepassing op de verwerking en afzet van landbouwproducten, mits de steun niet direct is gerelateerd aan de primaire productie.

Primaire landbouwbedrijven zijn in principe van de AGVV uitgesloten. Steun daarvoor valt alleen onder de AGVV voor categorieën die niet direct zijn gerelateerd aan activiteiten in de primaire landbouw.

De AGVV mag worden toegepast voor steun aan de primaire landbouwproductie voor:

  • consultancysteun voor het MKB
  • risicofinancieringssteun
  • onderzoek en ontwikkeling, en innovatiesteun voor het MKB
  • milieusteun
  • opleidingssteun
  • steun voor kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap.

Kennisgeving

Steunmaatregelen die onder de AGVV vallen, hoeven niet gemeld te worden bij de Commissie. Kennisgeving en rapportage zijn wel verplicht.

3. De-minimisvrijstelling Landbouwsector

Steun die onder de de-minimisdrempel blijft, heeft zo’n beperkt effect op het handelsverkeer tussen de lidstaten, dat de Europese Commissie het niet als staatssteun beschouwd. Dit is een optie om steun staatssteunproof te maken, als het om een laag bedrag gaat en steun niet onder een andere vrijstelling past.

Aan primaire producenten van landbouwproducten kan ook de-minimissteun verleend worden. Vanaf 1 januari 2014 geldt de herziene de-minimisverordening voor de primaire landbouw (Nr. 1408/2013).

NB: Let u wel op alle voorwaarden.

De-minimis primaire productie

Decentrale overheden kunnen op basis van de maximaal 15.000 euro aan steun binnen een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming in de primaire productie verlenen. Voorheen was deze drempel 7500 euro.

Het totaalbedrag van de-minimissteun in Nederland over drie belastingjaren aan de landbouwproductiesector, mag niet hoger zijn dan 165.322.500 euro.

De-minimis voor verwerking en afzet

De verwerking en afzet van landbouwproducten valt (onder voorwaarden) onder de reguliere de-minimisvrijstelling. Deze drempel bedraagt 200.000 euro. Kruissubsidiëring met primaire landbouwactiviteiten moet worden voorkomen. Dat kan middels een gescheiden boekhouding.

Geen melding/kennisgeving

Decentrale overheden hoeven de-minimissteun niet te melden of ter kennis geven bij de Commissie. Ondernemingen moeten wel een verklaring tekenen.

4. Richtsnoeren landbouw

Steun aan agrariërs die niet onder een vrijstellingsverordening past, moet worden aangemeld op basis van de Richtsnoeren Landbouw. Per 1 juli 2014 zijn de herziene Richtsnoeren van kracht. Deze leggen grotere nadruk op milieu- en klimaatmaatregelen. Ze bevatten meer steuncategorieën dan de ABER en de steunintensiteiten zijn vaak hoger. Maar een formele aanmeldingsprocedure is dus verplicht.

Reikwijdte

De richtsnoeren zijn van toepassing op steunmaatregelen voor activiteiten op het gebied van zowel de productie als de verwerking en afzet van de landbouwproducten. De Richtsnoeren bevatten een nieuw deel voor steun voor plattelandsontwikkeling (POP3).

De Richtsnoeren zijn niet van toepassing op de visserij- en aquacultuursector. Voor steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector, die moet worden aangemeld, kunnen decentrale overheden ook gebruikmaken van de Kaderregeling OO&I. Dat geldt ook voor milieusteun.

Algemene voorwaarden

De Commissie zal een steunmaatregel alleen als verenigbaar beschouwen en goedkeuren indien deze aan elk van de volgende criteria voldoet (zie Hoofdstuk 3 van de Richtsnoeren):

  • de maatregel moet gericht zijn op een doelstelling van gemeenschappelijk belang in overeenstemming met artikel 107, lid 3, VWEU;
  • de maatregel moet noodzakelijk zijn en zijn gericht op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen;
  • de maatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te helpen bereiken;
  • de steun moet stimulerend effect hebben en het gedrag van de betrokken onderneming of ondernemingen zodanig veranderen dat deze bijkomende activiteiten onderneemt of ondernemen die deze zonder de steun niet zou of zouden uitvoeren, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze of locatie zou of zouden uitvoeren;
  • het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de bijkomende investering of activiteit in het betrokken gebied;
  • de negatieve effecten van de steun op de concurrentie moeten voldoende beperkt zijn, zodat de maatregel per saldo positief is;
  • maatregelen moeten transparant zijn; de lidstaten, de Commissie, marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle desbetreffende besluiten en relevante informatie over de op grond van die besluiten toegekende steun.

Categorieën

De richtsnoeren bevatten gedetailleerde regels voor steunmaatregelen voor:

  • Plattelandsontwikkeling (POP3)
  • Investeringssteun in landbouwbedrijven
  • Aanloopsteun voor jonge landbouwers en voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven
  • Overdracht van landbouwbedrijven
  • Aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties
  • Agromilieuklimaatverbintenissen en dierenwelzijnsverbintenissen
  • Opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden en met de kaderrichtlijn water (KRW)
  • Gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen
  • Biologische landbouw
  • Deelname aan een kwaliteitsregeling
  • Technische bijstand (kennisoverdracht en voorlichting, adviesdiensten, bedrijfsvervangingsdiensten)
  • Samenwerking
  • Risico- en crisisbeheer, waaronder schade veroorzaakt door natuurrampen
  • Steun voor sluiting van productiecapaciteit
  • Overige categorieën, waaronder ruilverkaveling, dierlijke productie, reddings- en herstructureringssteun en OO&I

Melding

Steunmaatregelen die onder de Richtsnoeren vallen, moeten worden gemeld bij de Commissie. De Europese Commissie past de Richtsnoeren toe bij haar afweging om een voorgenomen steunmaatregel al dan niet goed te keuren.

Lokale en regionale omroepen wet- en regelgeving

Aansluiten bij Mededeling openbare omroepen

Bij de omschrijving van de publieke taak van ‘hun’ omroep kunnen decentrale overheden aansluiting zoeken bij de Mededeling openbare omroepen uit 2009. Hierin zet de Europese Commissie uiteen wat de publieke taak inhoudt en hoe compensatie daarvan staatssteunproof te maken valt:

1. Gevarieerde programmering

De omroep krijgt de opdracht een evenwichtige en gevarieerde programmering aan te bieden en daarbij een bepaald percentage van het publiek aan te trekken. De taak kan ook audiovisuele diensten via digitale platforms omvatten. De doelstelling van de opdracht moet voldoen aan de democratische, sociale en culturele behoeften van de maatschappij. Hierbij moet het pluralisme gewaarborgd blijven.

2. Duidelijke opdracht

De opdracht moet heel duidelijk omschreven zijn door een officiële, daartoe gerechtigde autoriteit (de steunverlener).

3. Netto kosten

Anders dan bij het opleggen van een ‘gewone’ DAEB, mag de financiering van omroepen geen winst omvatten, maar alleen de netto kosten van de publieke taak compenseren.

4. Geen overcompensatie

Om overcompensatie en kruissubsidiëring te voorkomen is een gescheiden boekhouding van belang. Een scheiding tussen activiteiten, die binnen en buiten de openbare dienst vallen, kan de financiële transparantie nog meer versterken. Als toch sprake is van overcompensatie, mogen publieke omroepen een deel houden om de uitvoering van de openbare dienstverplichting te waarborgen.

5. Monitoren

De uitvoering van de publieke taak moet effectief worden gemonitord door een onafhankelijk toezichthoudend orgaan.

Steun voor gebruik nieuwe media en online diensten

De Commissie wilde met de mededeling uit 2009 de voorwaarden aanpassen aan de technologische ontwikkelingen in medialand en de toenemende dienstverlening via internet. Mits de democratische, sociale en culturele behoeften van een brede doelgroep gewaarborgd blijven mogen:

– betaaldiensten (zoals toegang tot archieven tegen betaling, pay-per-view, toegang tot mobiele diensten tegen een bedrag, betalen voor online-content etc.) ook onderdeel uitmaken van de publieke taak;
– omroepen staatssteun gebruiken om via de digitale weg audiovisuele diensten te leveren.

Implementatie in Nederland

Op nationaal niveau wordt via een goedkeuringsprocedure op grond van de Awb beoordeeld of een nieuwe of voorgenomen (digitale) activiteit van de publieke media-instelling concurrentievervalsend is (markttoets).

Voor lokale en regionale omroepen is het van belang of digitale activiteiten tot de hoofdtaak kunnen worden gerekend of een nevenactiviteit zijn (art. 2.1 Mediawet 2008). Het verzorgen van radio- en televisieprogramma’s via internet is onderdeel van de publieke mediaopdracht.

Nevenactiviteiten van lokale en regionale omroepen moeten worden goedgekeurd door het Commissariaat van de Media. Zie hiervoor afdeling 2.5.6 van de Mediawet inzake nevenactiviteiten.

Rol Europese Commissie

De Commissie spreekt zich niet uit over de vraag of een programma moet worden aangeboden als DAEB. Evenmin kan zij de aard of kwaliteit van een product ter discussie stellen. In het geval van DAEB’s is de rol van de Commissie beperkt tot de controle op ‘kennelijke fouten’.

Voldoet de publieke taak niet aan de culturele, sociale en democratische behoeften van de samenleving? Dan is er sprake van een kennelijke fout. Volgens de Commissie is dat normaliter het geval bij reclame, e-commerce, telewinkelen, sponsoring, merchandising en dure inbelnummers bij belspellen.

Onderwijs en staatssteun wet- en regelgeving

Voorwaarden AGVV

Op grond van de AGVV kunnen decentrale overheden ondernemingen tot 2 miljoen euro per opleidingsproject aan steun verlenen. Er mag echter geen steun worden verleend voor opleiding die ondernemingen geven om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen.

In aanmerking komende kosten

Decentrale overheden kunnen ondernemingen voor de volgende kosten steun verlenen:

– de personeelskosten van de opleiders
– rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleiding;
– kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject;
– de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten).

Steunintensiteit

Indien decentrale overheden ondernemingen op grond van de AGVV steun voor opleiding willen verstrekken, kunnen zij maximaal 50% van de in aanmerking komende kosten vergoeden. Deze steunintensiteit kan als volgt worden verhoogd tot een maximale steunintensiteit van 70 % van de in aanmerking komende kosten:

– met 10% indien de opleiding aan werknemers met een handicap of aan kwetsbare werknemers wordt gegeven;
– met 10% indien de steun aan middelgrote ondernemingen wordt toegekend en met 20% indien de steun aan kleine ondernemingen wordt toegekend.

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O&O&I) wet- en regelgeving

De ODR, deel 4 van de AGVV en de Kaderregeling betreffende staatssteun voor O&O&I kunnen van toepassing zijn op steun voor O&O&I van decentrale overheden. Steun op basis van de ODR of de AGVV is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie. Enkel steun op basis van de Kaderregeling betreffende staatssteun voor O&O&I moet bij de Europese Commissie worden aangemeld. Hieronder leest u meer over de verschillende instrumenten.

1. Omnibus Decentraal Regeling

De Omnibus Decentraal Regeling biedt een algemeen kader waarbinnen decentrale overheden steun kunnen verlenen voor projecten op het gebied van O&O&I. Deze steun is vrijgesteld van voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie, mits decentrale overheden voldoen aan alle criteria, definities en procedures die vastgesteld zijn in de ODR. Decentrale overheden dienen steun die voldoet aan de voorwaarden uit de ODR enkel te melden bij Europa decentraal.

Uitgebreide informatie over de voorwaarden van de ODR, de soorten projecten die voor steun in aanmerking komen en de verplichtingen voor decentrale overheden vindt u in ons specifieke ODR dossier

2. Algemene Groepsvrijstellingsverordening

Deel 4 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) is gewijd aan steun voor O&O&I. Steunmaatregelen die voldoen aan de voorwaarden uit de AGVV zijn verenigbaar met de interne markt en hoeven niet bij de Europese Commissie te worden aangemeld. Decentrale overheden kunnen met een kennisgeving volstaan. Pas als steun voor O&O&I de relevante aanmeldingsdrempels uit de AGVV overschrijdt (art. 4 AGVV), moet de steun bij de Europese Commissie worden gemeld.

Categorieën

Op basis van de AGVV kan voor steun worden verleend voor:

–       Fundamenteel onderzoek (art. 25)
–       Industrieel onderzoek (art. 25)
–       Experimentele ontwikkeling (art. 25)
–       Haalbaarheidsstudies (art. 25)
–       Onderzoeksinfrastructuur (art. 26)
–       Innovatieclusters (art. 27)
–       Innovatiesteun voor kmo’s (art. 28)
–       proces- en organisatie-innovatie (art. 29)
–       onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector (art. 30)

Meer (algemene) informatie over de AGVV vindt u op de pagina over de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

3. Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Steunmaatregelen voor O&O&I die niet op basis van de ODR of de AGVV ‘staatssteunproof’ kunnen worden verleend, moeten bij de Europese Commissie worden aangemeld. De Europese Commissie past de in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie uiteengezette criteria toe om na te gaan of de aangemelde O&O&I steun verenigbaar met de interne markt is. Tot de Commissie de steun verenigbaar verklaart, mag deze niet ten uitvoer worden gelegd.

Voorwaarden

De Commissie zal een steunmaatregel alleen als verenigbaar beschouwen indien deze aan elk van de volgende criteria voldoet:

– de maatregel moet gericht zijn op een doelstelling van gemeenschappelijk belang in overeenstemming met artikel 107, lid 3, VWEU;
– de maatregel moet zijn gericht op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen;
– de maatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te helpen bereiken;
– de steun moet het gedrag van de betrokken onderneming of ondernemingen zodanig veranderen dat deze bijkomende activiteiten onderneemt of ondernemen die deze zonder de steun niet zou of zouden uitvoeren, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze of locatie zou of zouden uitvoeren;
– het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de bijkomende investering of activiteit in het betrokken gebied;
– de negatieve effecten van de steun moeten voldoende beperkt zijn, zodat de maatregel per saldo positief is;
– de lidstaten, de Commissie, marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle desbetreffende besluiten en relevante informatie over de op grond van die besluiten toegekende steun.

Toepassingsgebied

De in de Kaderregeling uiteengezette beginselen zijn van toepassing op staatssteun voor O&O&I in alle sectoren. Het is dus ook van toepassing op de sectoren waarvoor bijzondere regels inzake staatssteun van toepassing zijn, tenzij in die regels anders is bepaald. Op ondernemingen in moeilijkheden is de steun niet van toepassing.

Categorieën

De Commissie kan de volgende O&O&I-maatregelen op basis van de Kaderregeling met de interne markt verenigbaar verklaren:

–       steun voor O&O-projecten;
–       steun voor haalbaarheidsstudies;
–       steun voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
–       steun voor innovatieactiviteiten;
–       steun voor innovatieclusters.

 

 

Reddings- en herstructureringssteun wet- en regelgeving

De Europese Commissie beoordeelt of reddings- en herstructureringssteun verenigbaar is met de interne markt op basis van de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden. Tot 2013 golden de oude Richtsnoeren; de herziene richtsnoeren zijn in werking getreden op 1 augustus 2014. Ze gelden tot en met 31 december 2020.

Toepassingsgebied

De Commissie past de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun toe op alle ondernemingen. Ondernemingen die actief zijn in de kolenindustrie of de ijzer- en staalindustrie en de ondernemingen die vallen onder de specifieke regels voor financiële instellingen vallen echter buiten het bereik van deze Richtsnoeren. De Commissie past de Richtsnoeren in principe ook toe op de visserij- en aquacultuursector en de landbouwsector.

Onderneming in moeilijkheden

Lidstaten die op grond van de Richtsnoeren steun willen verlenen aan een onderneming moeten kunnen aantonen dat de betrokken onderneming als een ‘onderneming in moeilijkheden’ kwalificeert.

De Richtsnoeren bepalen dat ‘een onderneming wordt beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen’.

Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren.

Reddings- en herstructureringssteun

De Richtsnoeren maken onderscheid tussen reddingssteun en herstructureringssteun

Reddingssteun

Reddingssteun is urgente en tijdelijke steun. Doel van deze steun is om een noodlijdende onderneming in staat te stellen zich te handhaven gedurende de korte periode die nodig is om een herstructurerings- of liquidatieplan uit te werken. De reddingssteun moet beperkt zijn tot het bedrag dat nodig is om de begunstigde onderneming gedurende zes maanden overeind te houden. Na deze periode moet de steun ofwel worden terugbetaald, of moet een herstructureringsplan bij de Commissie worden aangemeld om de steun als herstructureringssteun te laten goedkeuren.

Herstructureringssteun

Herstructureringssteun is steun van meer permanente aard en moet de levensvatbaarheid op langere termijn van de begunstigde onderneming herstellen op basis van een haalbaar, samenhangend en ingrijpend herstructureringsplan.

Aanmelding

Wanneer een decentrale overheid voornemens is reddings- en herstructureringssteun te verlenen, moet zij deze steun aanmelden bij de Europese Commissie. Steunmaatregelen voor grote ondernemingen moeten individueel bij de Commissie worden aangemeld. Steun aan kmo’s of kleine overheidsbedrijven, dient in de regel te worden verleend in het kader van regelingen. Dit stelt de betrokken lidstaat in staat vooraf duidelijk aan te geven op welke voorwaarden hij kan besluiten steun toe te kennen aan ondernemingen in moeilijkheden.

Voorwaarden voor steun

Reddings- en herstructureringssteun die bij Commissie is aangemeld moet aan een aantal voorwaarden voldoen om verenigbaar met de interne markt te worden verklaard:

a) bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang;
b) noodzaak van overheidsmaatregelen;
c) de steunmaatregel is een geschikt instrument;
d) stimulerend effect;
e) evenredigheid van het steunbedrag;
f) vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer    tussen lidstaten;
g) transparantie van de steun

Het eenmalige karakter van de steun

Aan ondernemingen in moeilijkheden mag slechts voor één herstructureringsoperatie steun worden verleend. Het feit dat een onderneming die al steun heeft ontvangen, nog meer steun nodig heeft, toont aan dat de moeilijkheden van de onderneming ofwel terugkerend zijn of niet afdoende zijn aangepakt toen de eerdere steun werd verleend. Herstructureringssteun moet in beginsel dus éénmalig zijn.

Eigen bijdrage

Van de steun ontvangende onderneming, haar aandeelhouders of schuldeisers wordt verwacht dat zij uit eigen middelen een aanzienlijke bijdrage aan de herstructurering leveren. Eigen bijdragen zullen normaliter als voldoenden worden beschouwd als het bedrag ervan ten minste 50% van de herstructureringskosten bedraagt.

 

 

 

 

X