Burgerschapsrichtlijn

In Nederland zijn gemeenten vaak het directe aanspreekpunt voor migranten. Bij het stellen van regels voor migranten op terreinen van burgerzaken, ruimtelijke ordening of huisvesting worden zij geconfronteerd met het vrije verkeer van personen. Voor EU/burgers is dan in de eerste plaats richtlijn 2004/38/EG (de Burgerschapsrichtlijn) van belang.

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG


Wet- en regelgeving Burgerschapsrichtlijn

Burgerschapsrichtlijn wet- en regelgeving

De Burgerschapsrichtlijn heeft betrekking op het recht van vrij verkeer en verblijf, inclusief het duurzaam verblijfsrecht, op het grondgebied van de lidstaten door EU-burgers en hun familieleden (art. 1 richtlijn). De richtlijn geeft uitwerking aan art. 21 VWEU. De begunstigden (art. 3 richtlijn) zijn onderdanen van de EU-lidstaten, dat wil zeggen:

– Werknemers;
– Dienstverleners en -ontvangers;
– Zelfstandigen
– Studenten;
– Gepensioneerden;
– Economisch niet-actieven;
– De familieleden van deze categorieën burgers.

Derdelanders

Derdelanders, ofwel mensen uit landen die niet tot de EU behoren, zijn in beginsel uitgesloten van de werking van de richtlijn, tenzij zij familielid zijn, zoals gedefinieerd in art. 2 lid 2 richtlijn.

Artikel 21 VWEU

Art. 21 VWEU luidt als volgt:

‘Iedere burger van de EU heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld’.

Rechten EU-burgers

EU-burgers en hun familieleden hebben uit- en inreisrechten en verblijfsrechten (art. 4 en 5 richtlijn), inclusief een duurzaam verblijfsrecht onder bepaalde voorwaarden. Unieburgers met een geldig identiteitsbewijs of paspoort moeten worden toegelaten behoudens legitieme uitzonderingen. Van familieleden die derdelanders zijn mogen lidstaten een inreisvisum vragen (art. 5 lid 2 richtlijn).

Verblijfsrecht

EU-burgers hebben het recht om drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven (art. 6). Een verblijfsrecht van meer dan drie maanden (art. 7 richtlijn) komt (al dan niet onder voorwaarden) toe aan:

– EU-burgers die in het gastland werknemer of zelfstandige zijn (art. 7 lid 1a richtlijn);
– EU-burgers die aan kunnen tonen dat ze over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1b richtlijn);
– Studenten die een opleiding volgen en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1c richtlijn);
– Een familielid, al dan niet onderdaan van de EU, dat een EU-burger begeleidt of zich bij hem voegt en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikt (art. 7 lid 1d richtlijn);
– Ex-werknemers en ex-zelfstandigen hebben onder bepaalde voorwaarden ook het verblijfsrecht van drie maanden (art. 7 lid 3 richtlijn).

Uitzonderingen

De richtlijn bevat uitzonderingen die door nationale overheden ingeroepen kunnen worden om beperkingen op het inreis- en verblijfsrecht van EU-burgers en hun familieleden te rechtvaardigen. Lidstaten kunnen de vrijheid van verkeer en verblijf van EU-burgers en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken ‘om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid’ (art. 27 lid 1 richtlijn).

Beroep op openbare orde- of openbare veiligheid-exeptie

Art. 27 lid 2 van de richtlijn bevat de voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn ontwikkeld om een geslaagd beroep te kunnen doen op de openbare orde- of openbare veiligheid-exceptie.

Eisen uitzetting migrerende EU-burger

Er moeten aan vijf eisen voldaan worden voordat een migrerende EU-burger of zijn familielid kan worden uitgezet (art. 27 en 28 richtlijn):

– Het evenredigheidsbeginsel;
– De genomen maatregel mag uitsluitend op het persoonlijke gedrag van de betrokkene berusten, waarbij strafrechtelijke veroordelingen geen reden voor de maartegel vormen;
– Het gedrag van betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen;
– De maatregel mag niet losstaan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen;
– Er moet rekening worden gehouden met de duur van het verblijf, de leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate van binding met zijn land van oorsprong (art. 28 richtlijn).

Relatie Burgerschapsrichtlijn en Dienstenrichtlijn

De Burgerschapsrichtijn is van toepassing naast de Dienstenrichtlijn en ook buiten de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op regels die van toepassing zijn op de uitoefening van de diensten die zij verrichten.

Als de dienstverlener en EU-burger uit een andere lidstaat Nederland binnenkomt, moet de (decentrale) overheid de administratieve formaliteiten van de Burgerschapsrichtlijn in acht nemen die betrekking hebben op migratierechten.

X