Pgb mag worden gebruikt voor zorg in andere EU-lidstaten

Het moet voor ontvangers van een persoonsgebonden budget (pgb) mogelijk zijn om zorg in te kopen in andere EU-lidstaten. Dat is de conclusie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de bestuursrechter die in hoger beroep oordeelt over geschillen op het terrein van sociale verzekeringen, sociale voorzieningen en ambtenarenzaken. Wel benadrukt de CRvB dat personen hier in de praktijk alleen aanspraak op kunnen doen als ze in Nederland wonen en verzekerd zijn.

Centrale Raad van Beroep

Ter behandeling van gedragsproblematiek verblijft een Nederlandse man in Portugal en ontvangt daar zorg. Hij vraagt hiervoor in plaats van zorg in natura uit zijn zorgzwaartepakket een pgb aan bij het Zorgkantoor. Dit wordt geweigerd op grond van art. 2.6.9a lid 1 Regeling subsidies AWBZ (Rsa), dat inmiddels is vervangen door art. 3.7.2 lid 1 Besluit langdurige zorg). Hij voldoet volgens het Zorgkantoor namelijk niet aan de in deze bepaling opgenomen voorwaarden. Op grond van art. 2.6.9a lid 1 Rsa kan een verzekerde het pgb niet langer dan dertien weken per jaar gebruiken voor zorg in het buitenland en slechts als voortzetting van zorg die in Nederland is aangevangen. Nadat de rechtbank aanvankelijk het Zorgkantoor gelijk gaf, is de man bij de CRvB in hoger beroep gegaan en betoogt daar dat het besluit van het Zorgkantoor in strijd is met de vrijheid van dienstverlening uit art. 56 VWEU.

Strijd met het vrij verkeer van diensten

De CRvB stelt dat beoordeeld moet worden of art. 56 VWEU zich verzet tegen de voorwaarden van art. 2.6.9a lid 1 Rsa. Dat wil zeggen: de vraag is of deze voorwaarden een belemmering vormen voor het vrij verrichten van diensten. Als dat het geval is, dan is de vraag of deze belemmering kan worden gerechtvaardigd. Dat is namelijk alleen het geval als:

  • de betreffende maatregel zonder discriminatie wordt toegepast;
  • beantwoordt aan dwingende redenen van algemeen belang;
  • geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken; en
  • niet verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken.

Volgens de CRvB vormt art. 2.6.9a Rsa zowel voor aanvragers als voor dienstverrichters een belemmering van het vrij verrichten van diensten. Omdat de daarin gestelde voorwaarden niet gelden voor aanwending van het pgb voor in Nederland ontvangen zorg, wordt degene die behoefte heeft aan die zorg afgeschrikt om zich te wenden tot dienstverrichters die in een andere EU-lidstaat zijn gevestigd of daar hun diensten aanbieden. Het Zorgkantoor en de Staatssecretaris van VWS beroepen zich ter rechtvaardiging op het risico dat het financiële evenwicht van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid ernstig wordt aangetast. Volgens de CRvB hebben zij echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het schrappen van de voorwaarden het gezondheidszorgstelsel in Nederland in gevaar brengt.

De CRvB concludeert daarom dat de weigering om het pgb aan de zorgvrager te verlenen op grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 2.6.9a lid 1 Rsa, in strijd is met art. 56 VWEU. Dit betekent echter niet dat de export van pgb-gelden geen beperking meer kent. Immers, zo stelt de CRvB, iemand kan slechts aanspraak doen op een pgb zolang er sprake is van “zodanige duurzame banden van persoonlijke aard met Nederland”. Dit wil zeggen dat hij naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland woont en op die grond verzekerd is ingevolge de AWBZ.

Gemeenten en het sociaal domein

In 2015 heeft er een decentralisatieslag binnen het sociaal domein plaatsgevonden. Gemeenten zijn sindsdien verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Zowel bij ondersteuning aan huis vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) als de Jeugdwet kan worden gekozen uit hulp in natura of een pgb. Aanvragen moeten in beide gevallen worden ingediend bij de gemeente.

Europeesrechtelijk kader
Lees Meer
Het belemmeren van het vrije verkeer van goederen, diensten, personen of kapitaal (de vier vrijheden) is op basis van het EU-Werkingsverdrag verboden. De vier vrijheden vormen de basis van de interne markt van de EU. Nationaal recht mag niet in strijd zijn met interne marktregels (en andere Europese regelgeving). De nationale rechter moet in geval van strijd de nationale bepaling buiten toepassing laten. Het is vervolgens aan de (decentrale) overheid om te zorgen dat de betreffende maatregel wordt aangepast. De interne marktregels kunnen op allerlei beleidsterreinen meespelen, zelfs als de EU op het betreffende beleidsterrein (zoals zorg) geen wetgevende bevoegdheden heeft.

Door:

Chris Koedooder en Mirthe Mulders, Europa decentraal

Bron:

CRvB 16 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:970

Meer informatie:

Vrij verkeer van diensten, Europa decentraal
Sociaal domein, Europa decentraal
Interne markt, Europa decentraal
Persoonsgebonden budget (pgb), Vereniging van Nederlandse Gemeenten