Moet steun aan een CO2-reductie en energiebesparingsproject gemeld worden als staatssteun?

januari 2013

Onze gemeente wil een project te financieren waarmee CO2-reductie en energiebesparing wordt nagestreefd. Het betreft een systeem tussen een aantal bedrijven op een bedrijventerrein, om de restwarmte die bij industriële processen vrijkomt te kunnen gebruiken voor de verwarming van andere bedrijven op het terrein. Er wordt een overeenkomst met de deelnemende bedrijven gesloten die gebruik maken van het systeem en het systeem wordt door een exploitant aangelegd.

Versie juli 2009

Moeten we dit project melden als staatssteun bij de Europese Commissie, of kunnen we aan de voorwaarden voor vrijstelling van melding voldoen?

Antwoord

Het financieren van projecten met CO2-reductie als doelstelling kan inderdaad leiden tot ongeoorloofde staatssteun. Gezien de hoge prioriteit van het tegengaan van klimaatverandering, staat de Commissie zeer positief tegenover dergelijke projecten en zodoende zijn er veel mogelijkheden om projecten te ondersteunen vanuit een decentrale overheid. Er moet daarbij wel rekening worden gehouden met de regels die de Commissie heeft opgesteld hiervoor. Deze regels zijn bedoeld om de gelijke concurrentiepositie voor deelnemers op de markt te beschermen.

Staatssteunvraag

Om te bepalen of er bij het financieren van energiebesparende en/of CO2-reducerende maatregelen sprake is van staatssteun, moet allereerst de ‘staatssteunvraag’ worden beantwoord. Bij een positieve uitkomst (er is sprake van staatssteun), moet er worden gekeken naar de staatssteunregels die van toepassing zijn. Hieronder volgt stapsgewijs de handelswijze in het geval van een systeem voor hergebruik van restwarmte.

Steun bekostigd met staatsmiddelen

Een financieringsmaatregel van een decentrale overheid wordt aangemerkt als (in principe verboden) staatssteun, als deze aan alle criteria van art. 87 lid 1 EG-Verdrag voldoet. Dit houdt in dat de steun moet worden toegekend door een lidstaat of met staatsmiddelen moet worden bekostigd. Hiervan is sprake als de investering ten laste komt van de begrotingen van de gemeente of een andere overheid, zoals het geval is als de gemeente een project (deels) financiert.

Begunstigen ondernemingen

De steun moet bepaalde ondernemingen begunstigen, in die zin dat de betrokken onderneming een economisch voordeel wordt geboden dat zij onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben gehad. Bij de aanleg van een systeem om gebruik van restwarmte mogelijk te maken is hiervan sprake, omdat deze zal worden opgeleverd door een exploitant die deze activiteit niet zou ondernemen zonder de steun van de gemeente.

Handelsverkeer

Ook moet worden gekeken of de steun de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en of de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt of dreigt te beïnvloeden. Het handelswaar in de beschreven situatie is brandstof voor verwarming,ook restwarmte valt hieronder.

Rotterdamse Warmtebedrijf

Bij de melding van het Rotterdamse Warmtebedrijf NV in 2006 redeneerde de Commissie dat op deze internationale brandstofmarkt al snel het risico bestaat dat overheidssteun de handel ongunstig zal (kunnen) beïnvloeden en de grensoverschrijdende concurrentie zal (kunnen) verstoren.

Als het project relatief klein is en op kleine schaal wordt uitgevoerd (aanzienlijk kleiner dan in Rotterdam bijvoorbeeld), zou kunnen worden beargumenteerd dat het project slechts lokaal bereik heeft en er zodoende geen verstoring van de grensoverschrijdende markt plaats vindt. Meer over dit onderwerp staat op deze pagina.

Conclusie

De conclusie van de ‘staatssteunvraag’ in dit geval is dat er inderdaad sprake is van staatssteun in de zin van het EG-verdrag. Om die reden moet er naar de mogelijkheden voor een uitzondering op het staatssteunverbod worden gekeken en naar de voorwaarden voor een vrijstelling van melding.

Mogelijkheden om steun te verlenen

Als er sprake is van staatssteun, sluit dit absoluut niet uit dat er steun kan worden verleend. Er moet echter wel rekening worden gehouden met de regels die de Commissie heeft opgesteld op basis waarvan zij goedkeuring verleent voor de betreffende steun. Dit is afhankelijk van de doelstelling van het project. In dit geval energiebesparing door hergebruik van restwarmte die anders verloren zou gaan, en daarmee een reductie van uitstoot van CO2. Dit wordt door de Commissie gelijk gesteld aan bescherming van het milieu en zodoende zijn de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming van toepassing.

Melding

Steunmaatregelen die aan de voorwaarden van deze richtsnoeren voldoen, moeten aangemeld worden bij de Commissie voor goedkeuring, tenzij er gebruik kan worden gemaakt van een vrijstellingsverordening. Dit kan de vrijstelling voor de-minimissteun zijn (voor projecten waarbij bedragen tot € 200.000,= per onderneming in een periode van drie jaar gemoeid zijn), of de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV).

AGVV

Voor vrijstelling van melding kan ook gebruik worden gemaakt van art. 21 AGVV over milieu-investeringssteun ten behoeve van energiebesparende maatregelen. Deze vrijstelling is echter alleen van toepassing voor steun die minder dan € 7,5 miljoen per onderneming bedraagt.

Voorwaarden vrijstelling voor milieusteun

Om te voldoen aan de voorwaarden voor een vrijstelling, is vooral de berekening van de in aanmerking komende kosten van belang. Zoals in de beschikking over het Rotterdamse Warmtebedrijf te lezen is, let de Commissie vooral op de financiële situatie en op de voordelen die het project kan opleveren voor de deelnemende bedrijven.

Steunplafonds

Allereerst is het belangrijk te bepalen welk percentage het bedrag uitmaakt van de volledige kosten van het project. De plafonds die de AGVV stelt zijn 60% voor grote ondernemingen, 70% voor middelgrote ondernemingen en 80% voor kleine ondernemingen. Op basis hiervan is het dus van belang vast te stellen hoe de onderneming waarin wordt geïnvesteerd kan worden getypeerd.

In aanmerking komende kosten

Vervolgens dient u vast te stellen welke kosten in aanmerking komen om te financieren op basis van vastgestelde regels in de AGVV (art. 18 lid 6 en 7). Dit zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn om een hoger niveau aan energiebesparing te bereiken. Deze kosten moeten worden berekend en vastgesteld middels een verwijzing naar een contrafeitelijke situatie: de kosten van een technisch vergelijkbare investering die een lager niveau van milieubescherming biedt. In het geval van het Rotterdamse Warmtebedrijf is een vergelijking gemaakt met een aardgasgestookte ketel die warmte kan produceren en leveren.

Exploitatiebaten en -kosten

Ten slotte dienen de exploitatiebaten en -kosten die betrekking hebben op de extra investering voor energiebesparing worden afgetrokken van de in aanmerking komende kosten. Die geldt voor baten en kosten en die zijn ontstaan in de eerste drie jaar van de levensduur van deze investering in het geval van MKB, in de eerste vier jaar in het geval van grote ondernemingen die niet aan het EU-systeem inzake CO2-emissiehandel deelnemen, en in de eerste vijf jaar in het geval van grote ondernemingen die wel aan het EU-systeem inzake CO2-emissiehandel deelnemen.

Voor grote ondernemingen mag deze periode worden beperkt tot de eerste drie jaar van de levensduur van deze investering indien kan worden aangetoond dat de afschrijvingsperiode van deze investering niet meer dan drie jaar bedraagt.

Nodige minimum om nagestreefde milieubescherming te bereiken

Deze eisen komen voort uit de overtuiging van de Europese Commissie dat het steunbedrag met name beperkt moet zijn tot het minimum dat nodig is om de nagestreefde milieubescherming te bereiken. Daarom zijn in aanmerking komende investeringskosten gebaseerd op het begrip extra (netto) kosten die noodzakelijk zijn om aan de milieudoelstellingen te voldoen. Dit concept impliceert dat, om vast te stellen hoeveel steun kan worden verleend, alle economische voordelen die de investering de onderneming oplevert, in beginsel in mindering moeten worden gebracht op de extra investeringskosten.

Geen onevenwichtig voordeel voor deelnemende bedrijven

De economische voordelen die de investering de deelnemende ondernemingen oplevert moeten in mindering worden gebracht op de in aanmerking komende kosten. Met de deelnemende bedrijven kunnen wel afspraken worden gemaakt, maar er moet zoveel mogelijk worden gegarandeerd dat er geen sprake is van overcompensatie voor deze bedrijven. Dit kan door bijvoorbeeld marktconforme prijzen te betalen voor de warmte die wordt afgenomen. De Commissie onderkent echter wel dat het moeilijk is om volledig rekening te houden met alle economische voordelen die een onderneming uit extra investeringen zal halen, zoals een ’groen imago’ en dergelijke (overweging 32 Milieusteunkader).

Meer informatie:

Informatiewijzer Staatssteun, informatie over richtsnoeren en AGVV (hoofdstuk 4.6)
Milieusteun, Staatsteun
Klimaat en energie, Milieu en Klimaat
De-minimis, Staatssteun
AGVV, Staatssteun

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG

X