Hoe kan onze gemeente met behulp van Europese regelgeving duurzaamheidsinitiatieven stimuleren?

april 2019

Onze gemeente wil graag hernieuwbare energie en andere (lokale) duurzaamheidsinitiatieven stimuleren. Kan de gemeente in overeenstemming met het Europese recht ook stappen zetten om bij het realiseren van de Europese (en daaruit voortkomende Nederlandse) klimaatambities ruimte te geven aan lokale initiatieven?

Antwoord in het kort:

Voor overheidsorganisaties bestaan er meerdere mogelijkheden om met behulp van Europese wet- en regelgeving de hernieuwbare energie- en (lokale) duurzaamheidsinitiatieven te stimuleren op dit vlak. Zo kunnen duurzaamheidsoverwegingen worden meegenomen in aanbestedingsprocedures. Wel dient te allen tijde rekening te worden gehouden met het vrije verkeer binnen de EU en het voorkomen van belemmerende maatregelen hierop. Lokale preferentie kan leiden tot beperking van het vrije verkeer. Hiernaast kan ook het staatssteunrecht relevant zijn door bijvoorbeeld met behulp van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) strategisch te investeren in hernieuwbare energie of het bevorderen van de energie-efficiëntie van gebouwen.

De Europese energiedoelen

De lidstaten van de Europese Unie staan voor de opgave om in 2020 tot een aandeel in hernieuwbare energie te komen van 20% van de totale energieconsumptie. Als onderdeel van het Clean Energy Package is dit doel in de richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn 2018/2001) eind 2018? verhoogd naar 32,5% in 2030. Volgens Eurostat was het aandeel hernieuwbare energie in Nederland in 2017 6,6%, terwijl het aandeel in de Europese Unie gemiddeld 17,5% bedraagt. Onder meer door middel van duurzame aanbestedingen en het optimaal benutten van de mogelijkheden binnen het Europees staatssteunrechtelijke kader door middel van strategische investeringen kunnen overheidsinstellingen bijdragen aan het behalen van deze doelen.

Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan

Op basis van de Verordening inzake de governance van de energie-unie (Verordening 2018/1999) die eind 2018 is aangenomen en in werking is getreden, zijn lidstaten verplicht om een Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) op te stellen. In deze plannen dienen de lidstaten de maatregelen op te nemen die zij nemen om de Europese energie- en klimaatdoelen te bereiken. Eind 2018 heeft Nederland de conceptversie van het eerste INEK ingediend bij de Commissie. Deze zal halverwege 2019 reageren en, indien de klimaatplannen niet toereikend zijn, aanwijzingen geven aan de lidstaten. In het geval van Nederland zal het definitieve INEK afwijken van de conceptversie aangezien het klimaatakkoord inmiddels is gesloten en doorberekend (en derhalve niet is verwerkt in de conceptversie). Op basis van de governance-verordening moeten de lidstaten bij het opstellen van het INEK decentrale overheden raadplegen. U kunt hier meer lezen over de rol van decentrale overheden bij het opstellen van het INEK.

Conclusie: het aandeel hernieuwbare energie in Nederland moet verder omhoog om te voldoen aan de Unienormen. Als decentrale overheidsorganisaties hernieuwbare energie-initiatieven willen stimuleren, kunnen ze hiermee bijdragen aan het behalen van deze Europese energiedoelstellingen. Ze dienen daarbij echter wel te allen tijde ook de andere Europese regelgeving, zoals bijvoorbeeld regelgeving met betrekking tot de interne markt in acht te nemen en dus bijvoorbeeld de regelgeving met betrekking tot aanbestedingen,  staatssteun en vrij verkeer na te leven.

Hoe kunnen decentrale overheden bijdragen?

Duurzaamheidscriteria bij aanbestedingen

Binnen de Europese aanbestedingsrichtlijnen, zoals geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012, bestaan meerdere mogelijkheden om duurzaamheid mee te laten wegen in aanbestedingsprocedures. Duurzaamheid kan op verschillende manieren in het aanbestedingstraject worden opgenomen. Zo kan het als eis voor het op te leveren eindproduct of dienst worden opgenomen door de aanbestedende dienst. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij de aankoop van energie door de aanbestedende dienst kan worden geëist dat deze enkel wordt opgewekt uit duurzame bronnen. Bij de selectiefase kunnen bijvoorbeeld door middel van uitsluitingscriteria bedrijven worden uitgesloten die de milieuwetgeving hebben overtreden. Via geschiktheidseisen kan een bepaalde technische capaciteit op het gebied van hernieuwbare energie worden geëist van inschrijvers. Voor het gebruik van deze criteria en eisen geldt te allen tijde dat ze niet in strijd mogen zijn met de verdragsbeginselen en derhalve transparant, proportioneel en non-discriminatoir dienen te zijn.

Ook in de gunningsfase kunnen bijvoorbeeld milieucriteria worden opgenomen waaraan een bepaalde waarde wordt gekoppeld om deze te kunnen beoordelen. Deze mogen niet overeenkomen met de eerder gestelde eisen in de hierboven beschreven fase van de aanbestedingsprocedure.

Een relatief nieuw concept bij aanbestedingen op het gebied van hernieuwbare energie is dat van de CO2-schaduwbeprijzing. Hiermee kan de waarde van CO2-emissies worden opgeteld bij de aangeboden prijs van een inschrijver, waardoor inschrijvers met bijvoorbeeld een lage uitstoot van CO2 in hun aanbod voor energieproducten of diensten een voordeel kunnen hebben ten opzichte van meer klimaatbelastende inschrijvingen.

Wanneer uit duurzaamheidsoverwegingen door een aanbestedende dienst wordt gekozen om bijvoorbeeld lokale initiatieven op het gebied van hernieuwbare energie een voorkeur te verlenen bij de aanbesteding dan zal de betreffende overheid zich bewust moeten zijn van het feit dat dit ook verenigbaar moet zijn met de Europese vrij-verkeersregels. De te gebruiken selectie- en gunningscriteria bij aanbestedingen moeten sowieso altijd in overeenstemming zijn met de eerdergenoemde verdragsbeginselen.

Meer achtergrondinformatie over de mogelijkheden om lokale preferentie uit te oefenen in overeenstemming met de vrij verkeersregelgeving leest u ook in de praktijkvragen over dit onderwerp. Deze zijn hier te vinden.

Duurzaamheidsinitiatieven financieren in lijn met de staatssteunregels

Naast de aanbestedingsregels bieden ook de staatssteunregels mogelijkheden om (lokale) duurzaamheidsdoelstellingen te stimuleren. Er zijn er tal van mogelijkheden om steun mogelijk rechtmatig te verlenen. Zo kan er bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) (Verordening (EU) Nr. 651/2014). In deel 7 hiervan (artikel 36 tot en met 49) zijn meerdere steuncategorieën opgenomen met betrekking tot steun voor milieubescherming. Op basis van de AGVV kunnen decentrale overheden steun verlenen voor bepaalde beleidsdoelen zonder dat een formele aanmeldingsprocedure voor staatssteun nodig is. Een kennisgeving volstaat veelal in dergelijke gevallen. Zie voor meer informatie de desbetreffende pagina over dit onderwerp op onze website.

Daarnaast kan ook gebruik gemaakt worden van de de-minimisverordening (Verordening 1407/2013) door maximaal € 200.000,- aan steun te verlenen aan een onderneming over een periode van drie belastingjaren. Deze steun wordt op basis van de de-minimisverordening geacht een beperkt effect te hebben op het interstatelijke handelsverkeer, waardoor er niet wordt voldaan aan alle criteria van het staatssteunverbod en er derhalve geen sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU. Lees hierover ook meer in de notitie “Puur lokaal, wat mag er allemaal.”

Meer informatie en praktische informatie over staatssteun specifiek voor duurzaamheidsdoeleinden is overigens tevens te vinden in deze notitie.

Door:

Matthijs de Meer, Kenniscentrum Europa decentraal

Meer lezen:

Hoe kunnen decentrale overheden door aanbestedingen bijdragen aan de energietransitie?, Kenniscentrum Europa decentraal
Energie en klimaat, Milieuverkenner, Europa decentraal
Clean Energy Package, Milieuverkenner, Europa decentraal
Milieusteun, Europa decentraal

X