Hoe kunnen decentrale overheden invloed uitoefenen op het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK)?

februari 2019

Wat voor rol kunnen wij als decentrale overheid innemen bij het opstellen van het definitieve INEK voordat deze eind 2019 definitief wordt vastgesteld?

Antwoord in het kort

De Nederlandse Rijksoverheid is op basis van Verordening (EU) 2018/1999 inzake governance van de energie-unie verplicht om lokale en regionale overheden te betrekken bij het proces van het opstellen van het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK). In het in 2018 ingediende concept-INEK geeft de minister van EZK aan van oordeel te zijn dat aan deze betrokkenheid gevolg is gegeven doordat decentrale overheden waren betrokken bij zowel de eerdere totstandkoming van het energieakkoord in 2013 als het Klimaatakkoord in 2018; akkoorden op basis waarvan het definitieve INEK zal worden opgesteld.

Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan

Het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) dient op basis van de in eind 2018 aangenomen Europese governance-verordening aan het einde van 2019 door de lidstaten te worden ingediend bij de Europese Commissie. Deze verordening maakt deel uit van het zogenaamde Clean Energy Package; een wetgevingspakket bestaande uit (in totaal acht) verordeningen en richtlijnen met betrekking tot onder andere energieprestaties van gebouwen, hernieuwbare energie, energiebesparing en de elektriciteitsmarkt.

Met dit pakket worden de energiedoelen voor de EU voor 2030 gesteld en verhoogd ten opzichte van de eerder gestelde doelen voor 2020. Zo dient in 2030 32% van de energieconsumptie te bestaan uit hernieuwbare energie en dient er in 2030 32,5% minder energie te worden verbruikt ten opzichte van 1990. Eind 2018 moest, op grond van artikel 9 van de governance-verordening, door lidstaten hiervoor het concept-INEK met de beleidsvoornemens ter realisatie van deze doelen in 2030 in de vorm van een concept-INEK bij de Europese Commissie te worden ingeleverd. Op basis van deze (concept)INEK’s kan de Commissie vervolgens monitoren of de Europese klimaatdoelen worden gehaald door de lidstaten en, indien nodig, ook aanwijzingen geven aan de lidstaten. Uiterlijk op 31 december 2019 dient het kabinet, op grond van artikel 3 van de governance-verordening, het definitieve INEK in te dienen bij de Europese Commissie.

Welke rol hebben decentrale overheden volgens de Europese governance Verordening bij het opstellen van het INEK?

De eerder genoemde governance-verordening bevat meerdere bepalingen op basis waarvan lidstaten lokale en regionale autoriteiten moeten betrekken bij het proces van het opstellen van het INEK.

Overweging 30 bij de governance-verordening verplicht de lidstaten om een permanente energiedialoog op meerdere niveaus tot stand te brengen. Hierbij moeten lokale overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, investeerders en andere relevante belanghebbenden worden betrokken “om de verschillende overwogen opties voor het energie- en klimaatbeleid te bespreken.” In deze dialoog moeten volgens deze overweging het INEK en de langetermijnstrategie besproken kunnen worden. De lidstaat wordt  wel enigszins vrijgelaten in hoe het deze dialoog wil vormgeven aangezien meerdere varianten, op basis waarvan de dialoog kan plaatsvinden, worden genoemd in deze overweging, namelijk “een website, een platform voor openbare raadpleging of een ander interactief communicatiemiddel.”

Artikel 11 van de Verordening betreft daarnaast de klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus. Het artikel vermeldt wel dat een lidstaat een dergelijke dialoog niet hoeft op te zetten als er al een dergelijke dialoog is ingevoerd met hetzelfde doel, bijvoorbeeld het betrekken van onder meer decentrale overheden en andere partijen bij het opstellen van het INEK.

Ten slotte is in Bijlage I bij de governance-verordening opgenomen dat in onderdeel 1.3 ii van de INEK ‘betrokkenheid van de lokale en regionale overheden’ behandeld moet worden. De lidstaten dienen de structuur zoals opgenomen in Bijlage I te volgen.

Hoe zijn de Nederlandse decentrale overheden betrokken?

Eind 2018 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat het concept-INEK ingediend bij de Europese Commissie. De minister geeft in het conceptplan aan dat het definitieve INEK zal worden gebaseerd op de uitwerking van het Nederlandse Klimaatakkoord en daarmee dus sterk zal verschillen van de conceptversie. Wel geeft het conceptplan aan hoe de Nederlandse Rijksoverheid lokale en regionale overheden bij het proces heeft betrokken. De minister van EZK geeft namelijk aan dat deze overheden indirect bij totstandkoming van het concept INEK zijn betrokken doordat zij reeds eerder waren betrokken bij het Energieakkoord (gesloten in eind 2013) en momenteel aan de sectortafels zitten bij het Klimaatakkoord. Aan elk van de vijf sectortafels van het Klimaatakkoord (elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik en mobiliteit) nemen de drie koepelorganisaties van decentrale overheden (VNG, IPO, UvW) deel. Ook zijn decentrale overheden betrokken door middel van de regionale energiestrategieën (RES) en in de uitvoering van het project Aardgasvrije wijken waarvoor 27 wijken zijn geselecteerd om met een rijksbijdrage een wijk aardgasvrij te maken. Hiernaast verwijst het kabinet in het concept-INEK naar het Interbestuurlijk Deltaprogramma waaruit in november 2018 het Bestuursakkoord Klimaatadaptie is voortgekomen.

Betrokkenheid na het sluiten van het Klimaatakkoord

Het is op dit moment niet duidelijk of de sectortafels na het definitief sluiten van het Klimaatakkoord (naar verwachting is het akkoord halverwege maart doorberekend) zullen worden voortgezet. Zo staat bijvoorbeeld op dit moment in de opdrachten aan de voorzitters van de sectortafels dat het doel van de tafels is om akkoorden te sluiten op de desbetreffende onderwerpen, namelijk gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik, industrie, elektriciteit en mobiliteit. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat wanneer het Klimaatakkoord definitief is gesloten en doorberekend, de op zullen houden te bestaan. Hiermee zou het permanente karakter van de dialoog, zoals bedoeld en opgenomen in overweging 30 bij de governance-verordening, komen te ontbreken en zouden decentrale overheden niet meer worden betrokken.

Conclusie

De Nederlandse Rijksoverheid dient op grond van de governance-verordening decentrale overheden te betrekken bij het proces van het opstellen van- en de dialoog over het definitieve INEK. Zo dient er vanuit het Rijk (EZK) te worden gezorgd voor een permanente energie- en klimaatdialoog waar lokale overheden, maatschappelijke organisaties het bedrijfsleven, investeerders en andere partijen aan kunnen deelnemen. In Nederland hebben volgens de minister van EZK lokale overheden ook al indirect deelgenomen aan een dergelijke dialoog doordat de VNG, het IPO en de UvW aan alle sectortafels van het Klimaatakkoord zitten. Decentrale overheden worden door de koepelverenigingen dan ook opgeroepen om eventuele voorstellen en input met betrekking tot het toekomstige energie- en klimaatbeleid bij de respectievelijke koepels in te dienen, dan wel met hen te delen zodat dit kan worden meegenomen in de dialoog.

Door:

Jos Pees en Matthijs de Meer, kenniscentrum Europa decentraal

Meer informatie:

Concept Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan naar Tweede Kamer gestuurd, kenniscentrum Europa decentraal
Clean Energy Package, Milieuverkenner, kenniscentrum Europa decentraal

X