Mag een taaleis worden opgenomen in het programma van eisen?

februari 2013

Onze provincie gaat een bouwwerk aanbesteden. In het programma van eisen willen wij opnemen dat al het in te zetten personeel en ook de leidinggevenden de Nederlandse taal machtig moeten zijn. Mag dat?

Versie april 2011

Antwoord

Nee. De eis dat het leidinggevend personeel de Nederlandse taal machtig moet zijn, zal in beginsel aanvaardbaar zijn. Deze eis zal echter niet voor al het in te zetten personeel mogen worden gesteld. Dat is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel.

Hanteren taaleis

In de Europese aanbestedingsregels staat niets vermeld over het hanteren van een taaleis. Om een antwoord op deze vraag te kunnen geven, moeten we kijken naar de regels van het VWEU. Om een taaleis te rechtvaardigen, moet deze in overeenstemming zijn met de regels van het vrij verkeer van diensten, goederen, kapitaal en personen. Deze regels verbieden elke handeling waarbij (in)direct, daadwerkelijk en potentieel het Europese handelsverkeer belemmerd wordt.

In de Verdragsbepalingen staat een niet-discriminatietoets centraal. Maar ook niet discriminerende bepalingen kunnen verboden zijn. In de sfeer van de Verdragsbepalingen zijn in beginsel alle belemmeringen van het vrij verkeer verboden.

Indirecte discriminatie

Bij het stellen van een taaleis is er sprake van indirecte discriminatie. Er wordt niet direct naar nationaliteit gediscrimineerd, omdat er dan had moeten staan dat alleen personeel met de Nederlandse nationaliteit ingezet kan worden. De eis kan indirect toch een discriminerende werking hebben. Nederlands is in andere Europese landen geen gangbare taal. Voor het stellen van een dergelijke eis dient een objectieve rechtvaardiging aanwezig te zijn. Daarnaast moet er sprake zijn van proportionaliteit. Het achterliggende doel van de eis moet niet met minder vergaande middelen te realiseren zijn.

Jurisprudentie

In een zaak die op 14 april 1998 voor de rechtbank Arnhem (BR2000, pagina 442, nr. KG1998/201) is gekomen,  stond een eis ter discussie die stelde dat ‘het verantwoordelijk leidinggevend en verantwoordelijk uitvoerend personeel op het werk de Nederlandse taal in woord en geschrift dient te beheersen’.

In de uitleg bij deze eis werd gezegd dat het daarbij ging om projectdirecteuren, projectleiders, hoofduitvoerders en hoofd werkvoorbereiding. De partij die tegen deze eis in het geweer kwam, stelde dat er geen objectieve rechtvaardiging voor deze eis was. Zij beriep zich daarbij op de Storebaelt-uitspraak (zaak C-243/89).

Storebaelt-zaak

In deze zaak oordeelde het Hof dat een lidstaat die in het kader van een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, een oproep tot inschrijving doet uitgaan waarbij als voorwaarde gesteld wordt dat zoveel mogelijk nationale (in casu Deense) materialen, verbruiksgoederen, arbeidskrachten en materieel worden gebruikt, niet de op hem rustende Verdragsbeginselen nakomt.

Vergelijking onterecht

De Nederlandse rechter vond echter dat een vergelijking met de Storebaelt-zaak niet opging, omdat het in die zaak om directe discriminatie naar nationaliteit ging en omdat het ging om ‘zoveel mogelijk’ personeel terwijl het in de Nederlandse zaak slechts om de leidinggevenden ging.

Oordeel rechter

De rechter oordeelde vervolgens:

‘Gelet op de aard en omvang van het werk, het maakt onderdeel uit van een miljardenproject op en onder het stationsplein van de gemeente, waarbij afstemming met andere aangenomen en aan te nemen projecten en de daarbij werkzame personen, maar ook met bijvoorbeeld ambtenaren van de gemeente en politiefunctionarissen, mede in het licht van de onoverzichtelijke verkeerssituatie ter plaatse, van bijzonder groot belang is, is er voldoende objectieve rechtvaardiging voor het stellen van de betreffende eis.’

Proportionaliteit

Geconcludeerd kan worden dat een taaleis die aan leidinggevend personeel gesteld wordt in beginsel gerechtvaardigd kan worden wanneer er een objectieve rechtvaardiging aan ten grondslag ligt. Belangrijk daarbij is dat de eis proportioneel is; het beoogde doel van de eis moet niet met minder vergaande maatregelen te realiseren zijn. Een taaleis voor al het in te zetten personeel zal niet snel voldoen aan deze proportionaliteitstoets en zal daarom ook niet mogen worden gesteld.

Meer informatie:

Storebaelt-zaak, Hof van Justitie EU
Vrij verkeer
Aanbestedingen

MEER WETEN OVER DIT ONDERWERP?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG

X