Welk overgangsrecht geldt voor de recent geïmplementeerde wijzigingsrichtlijn mer?

oktober 2017

Op 16 mei 2017 is de richtlijn tot wijziging van de mer-richtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De gemeente is een project gestart vóór de implementatie van deze wijzigingsrichtlijn mer. Welke eisen gelden voor projecten die zijn gestart vóór de implementatie? En hoe werkt het als de gemeente zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag is? Hoe zit dat bijvoorbeeld met de eisen voor het milieueffectrapport (MER)?

Antwoord in het kort:

Projecten die zijn gestart vóór de recente implementatie van richtlijn tot wijziging van de mer-richtlijn (richtlijn 2014/52/EU) (hierna: de wijzigingsrichtlijn mer), vallen nog onder de voormalige bepalingen uit de mer-richtlijn (richtlijn 2011/92/EU). Dit wordt bepaald in artikel 3 van de wijzigingsrichtlijn mer. De verdere besluitvorming over deze projecten hoeft niet aan de nieuwe eisen uit de gewijzigde mer-richtlijn te voldoen. Of een project is ‘gestart’ onder de voormalige richtlijn, is afhankelijk van de fase waarin het project zich ten tijde van de wijziging van de mer-richtlijn bevond. De uitvoering van projecten die zijn gestart onder de gewijzigde mer-richtlijn zal naar waarschijnlijkheid in de meeste gevallen voldoen aan de nieuwe eisen.

Juridisch kader

De wijzigingsrichtlijn mer is op 16 mei 2017 in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Deze richtlijn wijzigt de Europese richtlijn (2011/92/EU) betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: mer-richtlijn). Beide richtlijnen zijn in de Nederlandse Wet milieubeheer (Wm) geïmplementeerd.

MER en m.e.r.  

De Europese mer-richtlijn schrijft voor dat voor projecten die mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben een milieueffectrapportage (m.e.r.) mogelijk moet plaatsvinden. De m.e.r. is een procedure waarbij de milieugevolgen van een besluit in beeld worden gebracht. De verplichting voor een milieueffectrapportage geldt bijvoorbeeld voor het aanleggen van een snelweg of voor de oprichting van een veehouderij (Besluit m.e.r.).

De onderzoeksresultaten van de m.e.r. worden opgenomen in het milieueffectrapport (MER). Het MER beschrijft de gevolgen van een project voor het milieu. De partij die een project wil ondernemen is de initiatiefnemer van het project. Deze is verantwoordelijk voor het opstellen van het MER. In het milieueffectrapport moeten ook voor een aantal andere alternatieven de milieueffecten worden beschreven. Het bevoegd gezag van een overheid neemt het MER vervolgens mee in haar besluitvorming over het project. Dit zorgt ervoor dat de (decentrale) overheid tijdens de besluitvorming rekening houdt met de milieugevolgen van het project. Meer informatie vindt u hier.

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

De (decentrale) overheid (het bevoegd gezag) kan ook zelf initiatiefnemer zijn van een project. Dit is bijvoorbeeld het geval als een gemeente zelf het initiatief neemt om een windmolenpark aan te leggen Ook dan dient de milieueffectrapportage plaats te vinden en moet door de overheid een MER worden opgesteld.

Overgangsrecht

De wijzigingsrichtlijn mer is op 16 mei 2017 in Nederlandse regelgeving geïmplementeerd. Vanaf dat moment moeten gemeenten (en andere decentrale overheden) de nieuwe eisen in de mer-richtlijn verplicht toepassen. Voor projecten die voor 16 mei 2017 zijn ‘gestart’ blijven de oude regels van de mer-richtlijn gelden. Dit wordt bepaald in artikel 3 van de wijzigingsrichtlijn mer.

In de Nederlandse praktijk betekent dit dat projecten waarbij één van de volgende stappen is gezet voor 16 mei 2017 onder de eisen van de voormalige mer-richtlijn blijven vallen:

Is één van de bovenstaande stappen doorlopen, dan gelden de verplichtingen uit de mer-richtlijn zoals die vóór de implementatie van de wijzigingsrichtlijn mer golden.

Belangrijkste wijzigingen

De wijzigingsrichtlijn mer heeft tot doel om de procedure van de milieueffectbeoordeling te verduidelijken en te verbeteren. Hierdoor wordt het milieu beter beschermd, hulpbronnen efficiënter gebruikt en duurzame groei in de EU bevordert. (zie ook overweging 3 en 6 van de wijzigingsrichtlijn mer). Daartoe wordt de kwaliteit van het MER verbeterd. Ook sluit de gewijzigde mer-richtlijn na de wijzigingen beter aan op andere wet- en regelgeving omtrent milieu, zoals de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) en de Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG). De voor decentrale overheden belangrijkste wijzigingen, volgen hieronder.

Passende scheiding van functies

De gemeente (vaak het bevoegd gezag) kan ook zelf de initiatiefnemer van een project zijn. De wijzigingsrichtlijn mer schrijft voor dat het bevoegd gezag in dat geval bij de voorbereiding van het besluit over het project een scheiding aanbrengt tussen conflicterende functies. Het bevoegd gezag moet daarbij expliciet aan het publiek vermelden dat sprake is van een passende functiescheiding. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu zal binnenkort een handreiking passende scheiding van functies bij project-mer beschikbaar stellen.

Kwaliteitsborging MER

De wijzigingsrichtlijn mer verplicht het bevoegd gezag om over voldoende expertise te beschikken om over een MER te oordelen. Hiermee waarborgt de wijzigingsrichtlijn mer dat het milieubelang een (nog) betere plek krijgt in de belangenafweging. Nederlandse overheden (ook decentrale overheden), hebben daarbij altijd de mogelijkheid om deskundigen van adviesbureaus of de Commissie voor de mer (Commissie mer) in te schakelen. Indien het bevoegd gezag het MER onvoldoende acht, moet het de aanvraag buiten behandeling laten. De wijzigingsrichtlijn mer vereist dat dan eerst aanvullende informatie aan de initiatiefnemer wordt gevraagd.

Monitoren van effecten

Voor de lidstaat Nederland is nieuw dat op basis van de wijzigingsrichtlijn mer het bevoegd gezag dient aan te geven of er effecten van het project gemonitord dienen te worden. Het bevoegd gezag moet in het besluit over het project aangeven welke effecten moeten worden gemonitord. Ook moet het bevoegd gezag aangeven op welke manier dit moet gebeuren. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het plaatsen van snuffelpalen of geluidsmeters. De uitvoering van eventuele monitoringsmaatregelen verschuift door de wijzigingsrichtlijn mer van het bevoegd gezag van de (decentrale) overheid naar de initiatiefnemer van het project. Als de gemeente (het bevoegd gezag) tevens initiatiefnemer is van het project, dient zij de maatregelen uit te voeren.

Better regulation

De wijzigingen in de mer-richtlijn passen binnen het voornemen van de Europese Commissie om ook vanuit Europa tot betere regelgeving te komen. De herziening zorgt ervoor dat de mer-richtlijn beter is afgestemd met milieubeoordelingen uit andere EU-richtlijnen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘passende beoordeling’ uit de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. In de Wet milieubeheer is inmiddels opgenomen dat het MER en de passende beoordeling uit de Habitatrichtlijn of de Vogelrichtlijn gelijktijdig ter inzage worden gelegd. Dit zorgt voor coördinatie tussen het MER en de passende beoordeling.

Toekomst

De Wet milieubeheer zal op termijn opgaan in de Omgevingswet. De Nederlandse wetgever heeft bij de implementatie van de herziene mer-richtlijn alvast rekening gehouden met de systematiek van de toekomstige Omgevingswet. De Omgevingswet voegt diverse regels voor ruimtelijke ordening samen. De Omgevingswet treedt naar verwachting in 2019 in werking. Ook over (Europeesrechtelijk en –beleidsmatige aspecten van) de Omgevingswet vindt u binnenkort meer informatie op onze site.

Door:

Pauline A’Campo, Europa decentraal

Meer informatie:

Milieueffectrapportages (M.E.R) jurisprudentie, Europa decentraal
Moet onze gemeente al rekening houden met de nieuwe MER-richtlijn? Praktijkvraag Europa decentraal
Wet implementatie herziene m.e.r.-richtlijn, Infomill
Herziening mer-richtlijn, Commissie voor de mer
Aan de slag met de Omgevingswet

Meer weten over dit onderwerp?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG

X