Zoeken

ALTIJD OP DE HOOGTE?

Welke ontwikkelingen in de EU zijn van belang voor gemeenten, provincies en waterschappen? En wat betekent dat voor de dagelijkse praktijk?

Uitspraak Hof van Justitie over prejudiciële vragen dienstenrichtlijn

5 oktober 2015Dienstenrichtlijn

Amsterdam mag taaleisen stellen aan raamprostitutiebedrijven en hoeft geen exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd te geven aan rondvaartrederijen. Dit heeft het Europees Hof van Justitie op 1 oktober besloten. Vorig jaar heeft de Raad van State aan het Europees Hof van Justitie gevraagd om verduidelijking van de Europese Dienstenrichtlijn.

Zuiver interne situatie?

Na de conclusie van de Advocaat-Generaal van 16 juli 2015 heeft het Hof van Justitie op 1 oktober 2015 uitspraak gedaan in deze twee zaken. Het Hof concludeert allereerst dat de vraag of de Dienstenrichtlijn ook van toepassing is op zuiver interne situaties niet onderzocht hoeft te worden, omdat in deze gevallen geen sprake is van zuiver interne situatie.

Burgers van andere lidstaten kunnen namelijk ook gebruik maken van de rederijdiensten en bovendien zou de markt ook toegankelijk moeten zijn voor dienstverleners uit andere lidstaten, die zich in Nederland willen vestigen om deze vaardiensten aan te bieden. En voor raamprostitutie concludeert het Hof dat afnemers van deze diensten ook inwoners uit andere lidstaten kunnen zijn.

Eerste zaak: taaleis

In de eerste zaak heeft de burgemeester van Amsterdam twee raamprostitutiebedrijven een exploitatievergunning geweigerd omdat de exploitant zich niet hield aan de door de gemeente gestelde taaleis. Deze eis stelt dat alleen kamers verhuurd mogen worden aan prostituees met wie de exploitant in een voor hem begrijpelijke taal kan communiceren. Volgens de burgemeester helpt de taaleis bij het tegengaan van gedwongen prostitutie en mensenhandel. De Raad van State heeft het Hof gevraagd of deze taaleis in strijd met de Europese Dienstenrichtlijn is.

Uitspraak

Het Hof van Justitie is tot het oordeel gekomen dat deze taaleis niet in strijd is met artikel 10 lid 2, onder c) van de Dienstenrichtlijn. De taaleis wordt namelijk gesteld op grond van dwingende redenen van algemeen belang: het verhogen van toezicht op de criminele activiteiten die gepaard gaan met prostitutie. Volgens het Hof lijken er geen minder beperkende maatregelen te bestaan waarmee het beoogde doel van algemeen belang kan worden verzekerd. De definitieve beslissing hierover is aan de Raad van State, de Nederlandse rechter, die over de feiten beslist.

Tweede zaak: rederij

De tweede zaak gaat om de weigering van de gemeente Amsterdam om een exploitatievergunning te verstrekken aan een rederij die passagiers per boot wil vervoeren over de Amsterdamse grachten. Volgens het Amsterdamse College van Burgemeester en Wethouders is er volgens het volumebeleid namelijk maar een beperkt aantal vergunningen te verstrekken hiervoor en was de aanvraag van de betreffende rederij gedaan buiten de uitgifteronde van de beschikbare exploitatievergunningen.

Uitspraak

Het Hof concludeert dat de vergunningen niet voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend wanneer het aantal beschikbare vergunningen beperkt is. Deze beperking is legitiem door dwingende reden van algemeen belang, namelijk de bescherming van het milieu en de openbare veiligheid.

Het Hof benadrukt dat het aan de nationale rechter is om na te gaan of de activiteit waarvoor de vergunningsaanvraag is ingediend, onder het begrip „diensten op het gebied van vervoer” valt. Is dat  het geval, dan is de zaak uitgesloten van het regime van de Dienstenrichtlijn.

Daarbij geeft het Hof een aanwijzing op basis van in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens dat de vaardienst in dit geval meer lijkt op een feestelijke bijeenkomst dan op het verschaffen van vervoer van de ene naar de andere plaats in de stad Amsterdam.

Vervolg

Met het stellen van de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de behandeling van de twee zaken destijds geschorst. Nu het Hof van Justitie uitspraak in beide zaken heeft gedaan en uitsluitsel heeft gegeven over de toepassing van de Dienstenrichtlijn, zal de Raad van State de behandeling van de zaak weer oppakken en een definitieve uitspraak doen.

Decentrale relevantie

Decentrale overheden krijgen in de praktijk met de Dienstenrichtlijn te maken als een dienstverlener uit een andere lidstaat zich in de gemeente of provincie wil vestigen of tijdelijk een dienst wil verlenen. Om ervoor te zorgen dat dienstverleners zich makkelijker kunnen verplaatsen binnen de Europese Unie moeten er zo min mogelijk administratieve lasten en hoge kosten worden opgeworpen bij het verlenen van een dienst. Decentrale overheden passen dit regime toe bij het opstellen van nieuwe of gewijzigde regelgeving en bij de afgifte van vergunningen en het opleggen van leges.

Door:

Madeleine Broersen, Europa decentraal

Bron:

Uitspraak Europese Hof van Justitie, 1 oktober 2015, gevoegde zaken C‑340/14 en C‑341/14

Informatie:

Dienstenrichtlijn, Europa decentraal
Nieuwsbericht, ‘Raad van State stelt prejudiciële vragen over Dienstenrichtlijn’ (juli 2014), Europa decentraal
Nieuwsbericht, ‘AG concludeert dat Dienstenrichtlijn ook van toepassing is op zuiver interne situaties’ (augustus 2015), Europa decentraal
Richtlijn 2006/123 (Europese Dienstenrichtlijn)
Handboek voor implementatie van de Dienstenrichtlijn van de Commissie, Europese Commissie

X