Voorrangsbeginsel: Europees recht staat boven het nationale recht

25 oktober 2021

In een uitspraak van het Poolse Constitutionele Hof is onlangs geoordeeld dat het nationale, Poolse recht een voorrangpositie inneemt ten opzichte van het Europese recht. De hoogste rechters van Polen stellen in deze uitspraak dat meerdere bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie in strijd zijn met de Poolse grondwet. Dit is in strijd met het voorrangsbeginsel van het Europees recht. Dit beginsel zorgt ervoor dat het Europees recht boven het nationale recht staat. De lidstaten, met inbegrip van decentrale overheden, kunnen dan ook geen nationale voorschriften toepassen die strijdig zijn met het Europese recht.

Achtergrond

Er werd recent een procedure vanuit de Europese Commissie in gang gezet omdat Polen weigerde om op verzoek van de Commissie een tuchtcollege voor rechters te ontbinden. De Commissie was van mening dat het instellen van een dergelijk college de onafhankelijkheid van de Poolse rechters in de weg zou staan. Dit conflict omtrent de onafhankelijkheid van de Poolse rechters was de aanleiding voor de uitspraak van het Poolse Constitutionele Hof van 7 oktober 2021, waarin de Poolse rechters oordeelden  dat bepaalde delen van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet verenigbaar zijn met de Poolse grondwet. Dit staat haaks op een van de grondbeginselen van de Europese Unie, namelijk het beginsel dat Europees recht voorrang geniet boven het nationale recht van de lidstaten.

Voorrang Europees recht

In 1964 stelde het Hof de voorrangspositie van het Europese recht vast middels het arrest Costa/ENEL. Uit dit arrest volgt dat Europese instellingen, lidstaten en hun burgers zonder tussenkomst van nationaal of internationaal recht onderworpen zijn aan het Europese recht. Het Europese recht staat dus boven het nationale recht van de lidstaten. Indien een nationaal voorschrift in strijd is met een Europese bepaling, dienen de autoriteiten van de lidstaten de Europese bepaling toe te passen. Dit betekent niet dat het nationale recht in zijn volledigheid wordt geannuleerd of opgeschort, maar wel dat de verbindende aard van het betreffende nationale recht wordt opgeschort. Dit voorrangsbeginsel is tevens van belang voor decentrale overheden. Bij het toekennen van een standplaatsvergunning dient een gemeente bijvoorbeeld rekening te houden met de Dienstenrichtlijn. Indien de toekenning van de vergunning in strijd hiermee is verleend moet de vergunning in kwestie ingetrokken te worden.

Reikwijdte

De voorrang van het Europese recht op het nationale recht is absoluut. Dat betekent dat deze voor alle verbindende Europese rechtshandelingen geldt, ongeacht of het gaat om primair recht, zoals de verdragen, dan wel om afgeleid recht, in de vorm van bijvoorbeeld richtlijnen of verordeningen. Evenzo is het beginsel van toepassing op alle nationale rechtshandelingen, ongeacht de aard ervan. Hieronder vallen niet alleen wetten of verordeningen, maar ook besluiten, beschikkingen en circulaires. Volgens het Hof van Justitie geldt het voorrangsbeginsel ook voorde nationale grondwetten. Een nationale rechter mag grondwettelijke bepalingen die strijdig zijn met het Europese recht bijgevolg niet toepassen.

Gevolgen niet-naleving

Het Hof van Justitie van de Europese Unie oefent toezicht uit op de toepassing van het voorrangsbeginsel door de lidstaten. Indien het Hof van Justitie vaststelt dat het beginsel niet wordt nageleefd, kan het sancties opleggen aan de lidstaten die dit beginsel niet respecteren. Op basis van artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kan de Commissie namelijk vaststellen dat er sprake is van niet-naleving van het voorrangsbeginsel en deze zaak aanhangig maken bij het Hof. Ook is het de taak van de nationale rechter om de toepassing van het voorrangsbeginsel te waarborgen. Hij kan eventueel gebruik maken van de prejudiciële verwijzingsprocedure wanneer hij twijfelt over de toepassing van genoemd beginsel. In een dergelijke procedure vraagt de nationale rechter het Hof van Justitie van de Europese Unie om een nadere uitlegging van het Europees recht door middel van specifieke vragen.

Door

Fabienne Hekman en Piet Veerkamp, Kenniscentrum Europa decentraal

Bronnen

Meer informatie

Toezicht en naleving, Kenniscentrum Europa decentraal