Europese Unie

Bevoegdheidsverdeling tussen EU en lidstaten

In het Verdrag betreffende de werking van de EU (VwEU) worden drie soorten bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten onderscheiden. Dit zijn:

– Exclusieve bevoegdheden;
– Gedeelde bevoegdheden;
– Coördinerende, ondersteunende en aanvullende bevoegdheden.

Exclusieve bevoegdheid

De Unie is ingevolge artikel 3 VWEU exclusief bevoegd op het gebied van:

– De douane-unie;
– Mededingingsregels (voorzover die voor de werking van de interne markt nodig zijn);
– Het monetair beleid;
– De instandhouding van biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid;
– De gemeenschappelijke handelspolitiek;
– Onder bepaalde voorwaarden tot het sluiten van internationale overeenkomsten.

Gedeelde bevoegdheden

In artikel 4 VWEU worden de gedeelde bevoegdheden beschreven die de Unie deelt met de lidstaten. Het betreft in het bijzonder de gebieden:

– Interne markt;
– Sociaal beleid;
– Economische, sociale en territoriale samenhang;
– Landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee;
– Milieu;
– Consumentenbescherming;
– Vervoer;
– Trans-Europese netwerken;
– Energie;
– Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;
– Gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid;
– Onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte;
– Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp.

Coördinerende, ondersteunende en aanvullende bevoegdheden

In artikelen 5 en 6 VWEU zijn coördinerende, ondersteunende en aanvullende bevoegdheden voor de Unie vastgelegd, die de Unie ter ondersteuning van lidstaten kan uitvoeren. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van lidstaten op deze terreinen staan dus wel voorop.

Het gaat om de terreinen:

– Economisch beleid;
– Werkgelegenheidsbeleid;
– Sociaal beleid;
– Bescherming en verbetering van de volksgezondheid;
– Industrie;
– Cultuur;
– Toerisme;
– Onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport;
– Civiele bescherming;
– Administratieve samenwerking.

Uitoefening bevoegdheden

Bij de uitoefening van deze bevoegdheden spelen een aantal verdragsbeginselen een belangrijke rol. De Unie dient de belangrijkste verdragsbeginselen in acht te nemen, die zijn opgenomen in het Verdrag betreffende de Unie (VEU):

– Attributie beginsel
De afbakening van de bevoegdheden van de Unie t.o.v. de lidstaat wordt beheerst door het beginsel van de bevoegdheidstoedeling (het attributiebeginsel): de Unie beschikt slechts over die bevoegdheden die haar door de verdragen zijn toegedeeld (artikel 5 lid 1 VEU).

De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit, evenredigheid (zie de artikelen 4 en 5 VEU).

– Beginselen van subsidiariteit en evenredigheid
Sinds het VEU is in het subsidiariteitsbeginsel opgenomen dat de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen slechts kan optreden voor zover de doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt (artikel 5 lid 3 VEU).

Het evenredigheidsbeginsel geeft de Unie de verplichting dat zij bij de uitoefening van haar bevoegdheden maar zover mag gaan als nodig is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de verdragen (artikel 5 lid 4 VEU).

– Beginsel van loyaliteit
Ook het beginsel van loyaliteit speelt een belangrijke rol bij de bevoegdheidstoedeling. Het beginsel van loyale samenwerking (ook wel unietrouw genoemd) ziet erop toe dat de Unie en de lidstaten elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. Dit beginsel wordt vaak ingeroepen bij de naleving van Europees recht (artikel 4 lid 3 VEU).