Europese rechtspraak

Gepubliceerd: 12 oktober 2026

Door:


Het Hof van Justitie heeft antwoord gegeven op de vraag of lidstaten de asielaanvragen van personen die op dit moment bescherming genieten op grond van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn inhoudelijk moeten behandelen. Dit heeft mogelijk gevolgen voor de opvangtaken van gemeenten ten aanzien van statushouders en asielzoekers in afwachting van een beslissing op hun asielverzoek.

De zaak

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft op 1 oktober 2026 geoordeeld dat Nederland de behandeling van asielaanvragen van Oekraïners niet mag opschorten tot het moment dat hun tijdelijke bescherming is afgelopen. Het Hof deed deze uitspraak naar aanleiding van gestelde prejudiciële vragen door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin de Afdeling verzocht om uitleg van artikel 17, lid 2, van richtlijn 2001/55/EG (de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn) en artikel 31 van richtlijn 2013/32 (de voormalige Procedurerichtlijn, met ingang van 11 juni 2026 vervangen door verordening 2024/1348 (de Procedureverordening)).

Feiten en prejudiciële vragen

Naar aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne op 24 februari 2022 is op 4 maart 2022 de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn geactiveerd. Naar het huidige Nederlandse beleid komen Oekraïners en hun gezinsleden die na november 2021 uit Oekraïne zijn gevlucht in aanmerking voor een tijdelijke verblijfsvergunning op grond van deze richtlijn, op grond waarvan zij rechtmatig in Nederland kunnen verblijven en werken. Deze tijdelijke bescherming is verlengd tot en met 4 maart 2028. Op grond van artikel 43a van de Vreemdelingenwet 2000 worden de termijnen voor het geven van een beschikking op de aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten verlengd met de duur van deze tijdelijke bescherming. De Afdeling verzocht het Hof om uitleg te geven of de termijn voor het nemen van een beslissing op een asielaanvraag mocht worden opgeschort voor personen die tijdelijke bescherming genieten op grond van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn voor de duur dat zij recht hebben deze tijdelijke bescherming.

Beantwoording van de vraag

Het Hof oordeelt dat de beslistermijn voor de behandeling van een asielaanvraag niet wordt opgeschort voor de periode waarin iemand tijdelijke bescherming geniet. Het Hof benadrukt dat de Uniewetgever met de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn géén regeling heeft willen invoeren waarbij de toepassing van procedures voor internationale bescherming van rechtswege zou worden uitgesloten of opgeschort, maar juist heeft beoogd dat dergelijke procedures kunnen worden gevoerd tijdens de periode waarin de tijdelijke bescherming van toepassing is (rechtsoverweging 41). Dit betekent dat de regelgeving zoals opgenomen in de Procedurerichtlijn (nu Procedureverordening) met betrekking tot de behandeling van een asielverzoek, ook van toepassing moet worden geacht op personen die onder de werking van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn vallen. Dit geldt ook voor de EU-wetgeving op grond waarvan lidstaten bepalen of iemand in aanmerking komt voor internationale bescherming (richtlijn 2011/95 (Kwalificatierichtlijn), met ingang van 11 juni 2026 vervangen door verordening 2024/1347 (de Kwalificatieverordening). Lidstaten behouden echter wel de mogelijkheid om behandeling van deze specifieke asielverzoeken te ‘faseren’ en om daartoe ‘eventueel prioriteiten vast te stellen’.  Dit stelt lidstaten in staat om de behandeling van deze specifieke asielverzoeken uit te stellen ‘zonder dat systematisch kan worden gewaarborgd dat elk van deze verzoeken uiteindelijk definitief binnen de in artikel 31 van richtlijn 2013/32 gestelde termijnen wordt behandeld.’

Decentrale relevantie

Het directe gevolg van de uitspraak van het Hof is dat er een verplichting op Nederland rust om asielverzoeken van personen die op dit moment tijdelijke bescherming genieten inhoudelijk te behandelen. Dit zal naar verwachting een grotere belasting vormen voor de opvangcapaciteit van gemeenten, met name ten aanzien van de opvang van asielzoekers in afwachting van een beslissing op hun asielverzoek.

Gemeenten zijn op verschillende manieren betrokken bij de opvang en huisvesting van asielzoekers en statushouders. Hoewel het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers belast is met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers (Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, artikel 3 lid 1 sub a) hebben gemeenten op grond van de Spreidingswet sinds 2024 een wettelijke taak om asielzoekers op te vangen en hiervoor opvanglocaties te realiseren. Daarbij dragen gemeenten zorg voor de voorziening in de huisvesting van statushouders in de gemeente in lijn met de voor de gemeente geldende taakstelling (Huisvestingswet 2014, artikel 28).

Onder de Regeling opvang ontheemden Oekraïne zijn gemeenten daarbij verantwoordelijk voor de opvang van Oekraïense ontheemden. Op grond van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn genieten personen met tijdelijke bescherming recht op toegang tot onder meer huisvesting, werk, zorg en onderwijs. In Nederland vallen 140.000 personen onder de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn. De Immigratie- en Naturalisatiedienst is belast met het inhoudelijk behandelen van asielverzoeken. De verplichting om ook de asielverzoeken van Oekraïners en andere personen die onder de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn vallen inhoudelijk te behandelen brengt naar verwachting een grotere werklast mee voor de IND, die op dit moment een achterstand heeft van 54.000 asielaanvragen, waarvan de afhandeling naar verwachting minimaal drie jaar zal duren. Dit betekent dat de inhoudelijke behandeling van asielaanvragen van andere asielzoekers die geen tijdelijke bescherming genieten mogelijk langer op zich zal laten wachten, waardoor deze asielzoekers langer in tijdelijke opvangplekken zullen moeten verblijven en pas later kunnen doorstromen naar ‘reguliere’ huisvesting. Dit kan leiden tot vergrote druk op de opvangcapaciteit van gemeenten, omdat asielzoekers langer moeten worden opgevangen in bestaande opvanglocaties maar er ook (nog) meer opvanglocaties zullen moeten worden geopend.

Hoe verder?

COA verwacht in januari 2027 ongeveer 88.000 opvangplekken nodig te hebben, waarvan op basis van de portefeuillecapaciteit nog duizenden plekken moeten worden gerealiseerd. De inhoudelijke behandeling van de asielverzoeken van personen met tijdelijke bescherming op korte termijn was nog niet bij deze prognose betrokken. Tot 1 december 2026 gelden de huidige verdeelbesluiten die optellen tot 103.000 plekken. Daarbij wachten bijna 18.500 statushouders op dit moment op huisvesting in gemeenten. De minister van asiel en justitie heeft aangegeven te onderzoeken hoe de inhoudelijke behandeling van asielverzoeken van Oekraïners kan worden vormgegeven.

Bronnen

Hof van Justitie van de Europese Unie, C‑249/25, ECLI:EU:C:2026:806, 1 oktober 2026, Hof van Justitie van de Europese Unie

Huisvesting voor Oekraïense ontheemden onder de RTB | Home | Volkshuisvesting Nederland, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Statushouders en sociale huisvesting – Europa decentraal, Kenniscentrum Europa Decentraal

COA – Asielopvangwijzer: alle informatie voor gemeenten | www.coa.nl