Interview Tom de Bruijn: Waar Brussel en de Nederlandse decentrale overheden elkaar nodig hebben

15 juni 2020

Tom de Bruijn bekleedde in zijn carrière meerdere functies bij het ministerie van Buitenlandse Zaken waaronder die van Permanent Vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Unie. Ook heeft hij zich als wethouder bij de gemeente Den Haag beziggehouden met onderwerpen als milieu en is hij betrokken geweest bij grote projecten, waarbij hij vaak met Europa in aanraking kwam. Verder was hij van 2012 tot en met 2014 voorzitter van het bestuur van Europa decentraal. Thans bekleedt hij een aantal toezichthoudende functies, waaronder die van voorzitter van de Raad van Toezicht van Instituut Clingendael, en geeft hij les aan de Universiteit van Leiden. We spraken met hem over het nieuwe Europese budgetvoorstel, de samenwerking tussen het Rijk en decentrale overheden en zijn blik op de toekomst.

Op woensdag 27 mei heeft de Europese Commissie haar versie van het herstelfonds gepresenteerd. Wat is uw eerste indruk?

De Bruijn noemt het voorstel ‘evenwichtig’, al ziet hij ook dat het om veel geld gaat; een getal waarvan veel mensen zich afvragen wat het nou precies betekent. ‘Natuurlijk, het gaat heel ver’, geeft hij aan. ‘Niet alleen vanwege het enorme bedrag, maar ook bijvoorbeeld om de leningen die Europese Commissie wil aangaan om dat bedrag op te brengen. Die moeten op termijn worden terugbetaald. Een heffing daartoe van nieuwe Europese belastingen is een grote stap.’ Toch wordt volgens De Bruijn goed onderbouwd waarom er zoveel geld nodig is. ‘Als je de posities van alle lidstaten bekijkt, dan vind ik het wel een uitgebalanceerd voorstel. De voorstellen van Von der Leyen zijn voor ons allemaal; niet voor een bepaald land of een bepaalde regio. Het is de bedoeling dat we hier allemaal beter van worden.’ Volgens de Bruijn zijn daarnaast de uitdagingen ook groot. De voorzitter van de Europese Centrale Bank verwacht namelijk dat de EU een krimp in de economie van 8 a 10% kan verwachten. ‘Dit zijn ongekende tegenslagen die ook om een groot antwoord vragen’, aldus De Bruijn.

Hoe zou u vanuit Nederland op dit voorstel reageren?

Als De Bruijn voor Nederland zou spreken, zou hij zich met name willen focussen op de vraag of het geld zinnig besteed wordt. ‘Ik zou het koppelen aan macro-economische hervormingen en tegelijkertijd concreet naar ieder project kijken: zijn het nuttige projecten, wat dragen ze bij? Worden de lidstaten en regio’s er echt beter van?’. Daarnaast merkt hij op dat de plannen van de Commissie sterk gericht lijken op innovatie en energietransitie. ‘Dit sluit aan bij wat Nederland wil’, geeft hij aan.

Het Rijk en de decentrale overheden hebben verschillende visies op EU-onderwerpen, bijvoorbeeld op het gebied van het MFK. Hoe kunnen ze daarin toch goed samen optrekken?

Volgens De Bruijn ligt het belang van de Rijksoverheid vooral bij de Rijksbegroting en dat kan botsen met decentrale belangen. ‘Het Rijk vindt dat de nieuwe EU-begroting zo klein mogelijk zijn en geld naar de allerarmsten moet gaan. Dat kan een potentiële aderlating zijn voor decentrale overheden. Veel provincies, gemeenten en waterschappen heten namelijk Europese programma’s graag van harte welkom als ze daarvan kunnen profiteren’. Volgens De Bruijn is het dan ook van belang voor decentrale overheden om hun visie op het MFK al in een vroeg stadium aan het Rijk kenbaar te maken. ‘Op die manier kun je als decentrale overheid invloed uitoefenen op de standpuntbepaling van Nederland.’ Hij ziet echter ook dat dit een uitdaging kan zijn: ‘Ook standpunten van decentrale overheden onderling kunnen bijvoorbeeld sterk verschillen. Dat kan het ingewikkeld maken om tijdig een gezamenlijke positie te ontwikkelen’.

Het is De Bruijn ook opgevallen dat de lokale politiek veel emotioneler kan zijn dan de nationale politiek. ‘Op lokaal niveau gaat het vaak om onderwerpen die heel dicht bij inwoners liggen, waardoor de emoties soms enorm kunnen oplopen. Op nationaal niveau worden die zaken veel rationeler bekeken.’ Op Europees niveau sta je daar volgens De Bruijn zelfs nog verder van af. ‘Alles wat je daar doet is van een vrij hoog abstractieniveau. Je kunt niet onmiddellijk zien en voelen wat voor directe impact EU-regelgeving heeft op mensen. Op lokaal niveau zie je dat wel.’ Hier ligt volgens De Bruijn dan ook een belangrijke rol voor decentrale overheden. ‘Input van degene die in de dagelijkse praktijk de wetgeving moeten uitvoeren aan degene die de pen hanteert in Brussel zou van een enorm toegevoegde waarde zijn. Of het nou gaat om luchtkwaliteit of openbare aanbestedingen; decentrale overheden zijn hier een enorm bron van kennis.’

Hoe kunnen decentrale overheden dit concreet aanpakken?

Volgens De Bruijn is het nog een flinke uitdaging om dat op een behoorlijke manier te organiseren. Hij noemt het REFIT-platform (Platform betere regelgeving voor de vereenvoudiging van regelgeving en de vermindering van administratieve lasten) als een interessante exercitie. ‘Dat zou nog meer uitgewerkt moeten worden. Er moet nagedacht worden over een manier om dit te institutionaliseren; om structureel kennis vanuit decentrale overheden te verzamelen en dit vervolgens vanuit de lidstaat naar Brussel te brengen.’

Volgens De Bruijn kúnnen overheden dit individueel doen. ‘Steden die hun eigen EU-blik goed in het vizier hebben, kunnen dat vaak wel zelf’. Toch zal het volgens De Bruijn uiteindelijk minder effectief zijn: ‘Het zet minder zoden aan de dijk dan als je het op een structurele manier gezamenlijk aanpakt.’

Wat zijn relevante Europese ontwikkelingen voor de decentrale overheden?

De Bruijn noemt de energietransitie en de klimaatmaatregelen. ‘Ik denk dat we nog niet half beseffen hoe ingrijpend die veranderingen zullen zijn.’ Decentrale overheden zullen volgens hem een cruciale rol gaan spelen in het verbinden van het pakket van Von der Leyen en hun lokale praktijk. Hoe vlieg je zoiets aan? Wat zijn goede projecten? ‘Op dat gebied ligt heel veel kennis bij decentrale overheden. Zij kunnen daar ook veel van elkaar leren, bijvoorbeeld op het gebied van woningbouw en mobiliteit. Voor de Europese Commissie is het ook belangrijk om kennis te nemen van waar lokale besturen concreet tegenaan lopen om te kunnen bepalen wat verstandig beleid is .’ Een dergelijke kennisdeling van decentrale overheden aan de Commissie kan volgens De Bruijn over wetgeving gaan, maar ook over hoe je bepaalde problemen aanpakt en waarin je wilt investeren.

Daarnaast zullen steden als gevolg van de coronacrisis voor grote financiële problemen komen te staan, volgens De Bruijn. ‘Uitgaven gaan omhoog, inkomsten worden minder en problemen worden groter. Dit gaat een uitdaging worden voor besturen, want als je beleid wilt voeren heb je natuurlijk geld nodig’.

Waar liggen nog kansen voor decentrale overheden?

De Bruijn merkte gedurende zijn carrière dat overheden nog niet altijd bewust waren van het belang van Europa. Zelfs bij grote steden was het volgens hem nog vaak een ondergeschoven kindje, terwijl er in Europa wel veel kansen zijn voor decentrale overheden. ‘Hiervoor is echter wel bestuurlijke inzet nodig’, geeft hij aan. De Bruijn noemt Eindhoven als voorbeeld van een regio die deze kansen goed benut heeft. Daar is destijds een strategie uitgewerkt voor de ontwikkeling van de hele regio en Europa was een integraal onderdeel van deze strategie. ‘Hierbij waren alle partijen betrokken; decentrale overheden, het bedrijfsleven en kennisinstellingen. Allemaal met echte commitment. En Eindhoven is nu een van de meest innovatieve hotspots ter wereld.’ De Bruijn denkt dat andere overheden zich hierdoor kunnen laten inspireren, maar het is natuurlijk nooit mogelijk een dergelijke ‘good practice’ helemaal te kopiëren. ‘De basisvoorwaarden in regio’s en steden verschillen natuurlijk. Overheden zullen het dan ook op hun eigen manier moeten doen’, geeft hij aan. Een aspect dat volgens De Bruijn echter wel echt onmisbaar is, is bestuurlijke inzet. ‘Dit vergt een enorme samenwerking en commitment van degenen die aan de touwtjes trekken. Je moet commitment hebben om op tijd je netwerk en kanalen gereed te hebben, zodat je die kunt inzetten op het moment dat het nodig is.’