Commissie tegen Frankrijk

HvJ EG, 1 februari 2001. Zaak C-237/99. In deze zaak verduidelijkt het Hof de derde voorwaarde van het begrip publiekrechtelijke instelling: ‘toezicht door de overheid’. Er is sprake van toezicht door de overheid indien deze een afhankelijkheid schept die gelijkwaardig is aan één van de andere genoemde voorwaarden in art. 1 lid 9 sub c richtlijn 93/37 (nieuwe richtlijn 2004/18/EG).

De zaak

De Commissie beschuldigde Frankrijk ervan zich niet aan de verplichtingen uit richtlijn 93/37 (nieuwe richtlijn 2004/18/EG) te hebben voldaan bij het plaatsen van overheidsopdrachten voor sociale woningbouw. Frankrijk betoogt dat de naamloze vennootschappen die in de sociale woningbouw voorzien geen publiek rechtelijke instellingen zijn, en dat ze zich daarom niet aan de richtlijn hoeft te houden. Volgens Frankrijk wordt het derde criterium van publieke instelling niet vervuld (art. 1 lid 9c).

De Commissie stelt dat blijkt uit het wetboek dat de vennootschappen aan toezicht door de staat zijn onderworpen en hiermee ook het derde criterium vervuld wordt.

Definitie publiekrechtelijke instelling

Om te voldoen aan de definitie van publiekrechtelijke instelling (en daarmee aan de definitie van aanbestedende dienst) moet aan drie voorwaarden worden voldaan. De organisatie:

  • is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard;
  • heeft rechtspersoonlijkheid;
  • en is in grote mate afhankelijk van de staat, doordat:
    • de activiteiten in hoofdzaak door de staat, de territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd;
    • het beheer is onderworpen aan toezicht door deze laatste;
    • of de leden van het bestuursorgaan, het leidinggevend/toezichthoudend orgaan voor meer dan de helft door de staat, territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen.

Hof

Er is sprake van toezicht door de overheid (art.1 lid 9c) indien deze een afhankelijkheid schept die gelijkwaardig is aan de afhankelijkheid die ontstaat wanneer de publiekrechtelijke instelling voor het merendeel gefinancierd zou worden door de aanbestedende dienst of het merendeel van de bestuursleden door de aanbestedende dienst benoemd zou zijn (lid 9c).

In deze zaak kon de overheid door haar toezicht de beslissingen van de vennootschappen op het gebied van overheidsopdrachten beïnvloeden. Daarmee is aan alle criteria van een publiekrechtelijke instelling voldaan en had Frankrijk zich moeten houden aan de verplichtingen uit de richtlijn.