Nieuws

Publicatie: 19 oktober 2026

Door:


De veehouderij levert een belangrijke bijdrage aan de Europese economie. Tegelijkertijd komen bij activiteiten van intensieve pluimvee- en varkenshouderijen schadelijke industriële emissies en afvalstoffen in de lucht, de bodem en het water, zoals fijnstof, ammoniak, endotoxinen en schadelijke micro-organismen. In te grote hoeveelheden kunnen deze een gevaar vormen voor de menselijke gezondheid, het klimaat en het milieu.

Op 8 oktober 2026 heeft de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vastgesteld, namelijk de uitvoeringshandeling betreffende eenvormige voorwaarden voor de exploitatievoorschriften voor het fokken van pluimvee en varkens (afgekort ‘UCOL’). Deze uitvoeringshandeling geeft invulling aan artikel 70 decies van de Richtlijn industriële emissies en emissies uit de veehouderij (Richtlijn 2010/75, afgekort ‘Rie 2.0’, laatst gewijzigd door Richtlijn 2024/1785). De uitvoeringshandeling stelt grenswaarden vast voor de uitstoot van schadelijke stoffen en milieuprestaties in de varkens- en veehouderijsector. Deze uitvoeringshandeling is relevant voor decentrale overheden, omdat zij vaak het bevoegde gezag zijn voor het verlenen van vergunningen aan veehouderijen die onder de Rie 2.0 vallen.

Toepassing Rie 2.0 op intensieve pluimvee- en varkenshouderijen

De Rie 2.0 heeft als doel om de verontreiniging door industriële activiteiten, waaronder activiteiten in de pluimvee- en varkenshouderij, te voorkomen, te bestrijden en te beperken. Volgens de kosten-batenanalyse van de Commissie is het aantal veehouderijen dat valt onder de Rie flink toegenomen, omdat de Rie bij de laatste herziening een bredere reikwijdte heeft gekregen. Zo moesten in 2010 ongeveer 11 duizend varkenshouderijen en 11 duizend pluimveehouderijen voldoen aan de regels onder de Rie. In 2024 gaat het om bijna 30 duizend varkenshouderijen en meer dan 20 duizend pluimveehouderijen.  De regels van de Rie 2.0 gelden niet voor alle pluimvee- en varkenshouderijen, maar alleen voor intensieve bedrijven die boven de vastgestelde capaciteitsdrempels uitkomen. Volgens de Europese Commissie valt ongeveer 30 procent van de pluimvee- en varkenshouderijen in de EU onder deze regels.

Om te bepalen of de Rie 2.0 geldt voor een pluimvee- of varkenshouderij moet volgens artikel 70 bis van de Rie 2.0 worden nagegaan of die ‘installatie’ boven een van de capaciteitsdrempelwaarden in bijlage 1 bis van de Rie 2.0 uitkomt. De drempelwaarden worden uitgedrukt in veestapeleenheid (VSE). Dit is een gestandaardiseerde meeteenheid waardoor de verschillende categorieën vee, namelijk varkens en pluimvee, bij elkaar kunnen worden opgeteld om met elkaar te kunnen worden vergeleken. De VSE wordt berekend met behulp van de coëfficiënten voor individuele categorieën vee die zijn opgenomen in bijlage I bis. Bij wijze van voorbeeld is de Rie 2.0 van toepassing op een varkenshouderij met meer dan 700 fokzeugen met ieder een gewicht van (meer dan) 50 kg (350 VSE x 0,500).

Verplichte vergunning of registratie voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen

Artikel 70 quater lid 1 van de Rie 2.0 bepaalt dat intensieve pluimvee- en varkenshouderijen een vergunning of registratie nodig hebben om hun activiteiten uit te mogen voeren. Daarnaast moeten alle intensieve pluimvee- en varkenshouderijen voldoen aan de eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels, zoals bedoeld in artikel 70 decies (zie onder het kopje ‘Eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels’).

Volgens artikel 70 septies lid 1 van de Rie 2.0 moet de betrokken pluimvee- of varkenshouderij de grenswaarden voor emissies en milieuprestaties monitoren en zij mag deze grenswaarden niet overschrijden. Als een pluimvee- of varkenshouderij zich niet houdt aan de eenvormige voorwaarden, zorgt de bevoegde autoriteit, bijvoorbeeld een decentrale overheid, ervoor dat die pluimvee- of varkenshouderij alle maatregelen neemt die nodig zijn om te voldoen aan de voorwaarden. Als de niet-naleving leidt tot een aanzienlijke verslechtering van de plaatselijke lucht-, water- of bodemgesteldheid of een (dreiging van) aanzienlijk gevaar voor de menselijke gezondheid kan het bevoegd gezag, zoals een gemeente, provincie of waterschap, de exploitatie door de pluimvee- of varkenshouderij opschorten totdat de pluimvee- of varkenshouderij zich weer aan de regels houdt.

Eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels

Intensieve pluimvee- of varkenshouderijen moeten dus voldoen aan de nader te specificeren eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels (soms afgekort ‘UCOL’ voor ‘uniform conditions for operating rules’) die EU-breed gelden. Artikel 70 decies lid 2 van de Rie 2.0 maakt de Europese Commissie verantwoordelijk voor het opstellen van deze eenvormige voorwaarden door middel van een uitvoeringshandeling. Deze voorwaarden moeten gericht zijn op emissiereductie en efficiënt gebruik van (natuurlijke) hulpbronnen en ze moeten gebaseerd zijn op de beste beschikbare technieken.

Op 8 oktober 2026 heeft de Commissie de eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels gepubliceerd na uitvoerige informatie-uitwisseling met een expertgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, landbouworganisaties en ngo’s op het gebied van milieu en dierenwelzijn. De  voorwaarden bestaan onder andere uit emissiegrenswaarden, grenswaarden voor milieuprestaties, bijbehorende monitoringvereisten, praktijken voor het voorkomen en beperken van verontreiniging, voedingsbeheer, voederbereiding, huisvesting, mestbeheer, de opslag van dode dieren en maatregelen met betrekking tot water- en energiebeheer. Onderstaand een selectie van eenvormige voorwaarden die zijn opgenomen in de bijlage bij de uitvoeringshandeling:

  • Maximale uitstootwaarden voor stikstof en fosfor voor varkens- en pluimveevoer;
  • Maximale uitstootwaarden voor ammoniak en methaan voor varkens- en pluimveeverblijven;
  • De toepassing van technieken voor mestopslag die de uitstoot van ammoniak, methaan en geur naar de lucht voorkomen of, waar dat niet haalbaar is, minimaliseren;
  • De toepassing van technieken voor mestopslag die uitstoot van stikstof, fosfor en microbiële ziekteverwekkers naar bodem en water voorkomen of, waar dat niet haalbaar is, minimaliseren.

De lijst van eenvormige voorwaarden is niet uitputtend. Overweging 5 van de uitvoeringshandeling stelt dat het voor veehouders mogelijk moet zijn om alternatieve technieken toe te passen die een minstens gelijkwaardig niveau van milieubescherming bieden. Zulke alternatieve technieken moeten wel eerst volgens artikel 2 van de uitvoeringshandeling door de betrokken lidstaat gevalideerd worden op basis van wetenschappelijk vastgestelde methoden.

Decentrale relevantie

De Rie 2.0 moest uiterlijk op 1 juli 2026 geïmplementeerd zijn in Nederlandse wetgeving. Op 16 juni 2026 is het wetsvoorstel voor de Implementatie herziening Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening aangenomen en naar de Eerste Kamer gestuurd. Volgens het wetsvoorstel wordt de Rie 2.0 opgenomen in de Omgevingswet en de Wet milieubeheer. Daarin wordt voorgesteld om activiteiten van veehouderijen die onder de Rie 2.0 vallen (een zogenaamde ‘Rie-veehouderij’) aan te wijzen als milieubelastende activiteiten (voorgesteld artikel 4.13 lid 2 van de Omgevingswet).

De eenvormige zijn decentraal relevant, omdat volgens het bovengenoemde wetsvoorstel decentrale overheden, met name gemeenten en provincies, op basis van afdeling 4.1 van de Omgevingswet het bevoegd gezag kunnen zijn bij het verlenen van een vergunning aan een Rie-veehouderij. Een decentrale overheid die in dat kader het bevoegd gezag uitoefent, is dus verantwoordelijk voor het controleren en waarborgen van de naleving van de Rie 2.0 en de bijbehorende eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels.

De uiterste termijnen voor de toepassing van de eenvormige voorwaarden verschillen per bedrijfscapaciteit. De voorwaarden moeten uiterlijk op de volgende momenten worden toegepast:

  • Niet later dan vier jaar na 8 oktober 2026 voor Rie-veehouderijen met een capaciteit van minstens 600 VSE;
  • Niet later dan vijf jaar na 8 oktober 2026 voor Rie-veehouderijen met een capaciteit van minstens 400 VSE; en
  • Niet later dan zes jaar na 8 oktober 2026 voor alle overige Rie-veehouderijen.

Bronnen

Meer informatie