Commissie tegen Spanje, Universiteit Madrid

HvJ-EG, 18 maart 1992. Zaak C-24/91. Spanje heeft de uitbreiding en verbouwing van een universiteit onderhands gegund. De Commissie vroeg het Hof vast te stellen dat Spanje het EG-recht, met betrekking tot het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, heeft geschonden. Volgens Spanje moesten de werkzaamheden met spoed worden uitgevoerd.

Onvoorziene gebeurtenis

Volgens de Commissie was een nieuwe lichting studenten geen onvoorziene gebeurtenis. Ook was er voldoende tijd om een versnelde procedure toe te passen, in plaats van een onderhandse gunning.

Hof

Het Hof benadrukt dat aan alle voorwaarden voor dwingende spoed cumulatief voldaan moet zijn. Er is in dit geval niet voldaan aan de voorwaarde dat de dwingende spoed onverenigbaar is met de termijnen van andere procedures. Daarom concludeert het Hof dat Spanje de verplichtingen uit de richtlijn 71/305 (richtlijn 2004/18) en met name art. 9, 12-15 niet is nagekomen, door de opdracht onderhands te gunnen.

Restrictief

Net als de andere uitzonderingen in de Aanbestedingsrichtlijnen, moet ook die van dwingende spoed restrictief worden uitgelegd. De bewijslast ligt bij de aanbestedende dienst. Deze moet aantonen dat aan alle voorwaarden voor het inroepen van de uitzonderingsbepaling is voldaan

Inroepbaarheid

Het Hof zal een beroep op dwingende spoed niet zo snel toestaan omdat de richtlijn ook de mogelijkheid biedt om de termijnen van de niet-openbare procedure te verkorten, wanneer het om dringende redenen niet haalbaar is de minimumtermijnen te hanteren (art. 38 lid 8 richtlijn 2004/18). Een beroep op de dwingende spoed bepaling wordt door het Hof bijna nooit geaccepteerd.