De wisseling van de wacht wat betreft de Europese begroting komt steeds dichterbij. Terwijl het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) zijn einde nadert, krijgt de nieuwe programmaperiode steeds meer vorm. De voorstellen voor 2028-2034 wijzen daarbij op een ingrijpende verandering van het Europese financieringslandschap. Voor decentrale overheden betekent dit niet alleen dat bestaande subsidiemogelijkheden veranderen, maar ook dat zij opnieuw zullen moeten bepalen hoe zij zich positioneren binnen het Europese speelveld. Bij KED is al meermaals stil gestaan bij de ontwikkelingen omtrent het MFK, en ook bij ERAC volgen wij de ontwikkelingen op de voet. Een goede voorbereiding is essentieel om de kansen van de toekomst te kunnen benutten. Gastauteurs Steven Berens en Joost Rooijmans van ERAC vertellen hier meer over.
De in dit artikel genoemde bedragen, met name die met betrekking tot het ECF en de EU-faciliteit, zijn indicatief en kunnen nog wijzigen, aangezien dit dossier op Europees niveau nog in onderhandeling is.
Wat verandert er voor decentrale overheden?
De nieuwe voorstellen voorzien onder meer andere beleidsprioriteiten, het samenbrengen van bestaande programma’s onder nieuwe overkoepelende structuren en nieuwe spelregels voor de verantwoording van Europese middelen. Daarmee beoogt de Europese Commissie de uitvoering van de begroting eenvoudiger, effectiever en efficiënter te maken. Tegelijkertijd verschillen de gevolgen en mogelijkheden per bestuurslaag: wat van belang is voor een provincie, vraagt niet automatisch om dezelfde aanpak van een gemeente of waterschap. Deze verschuivingen kunnen voor decentrale overheden veelomvattend en daarmee moeilijk te overzien zijn. In dit artikel brengen we de belangrijkste onderdelen in kaart, laten we zien waar de kansen liggen voor decentrale overheden en geven we advies hoe zij zich nu al kunnen voorbereiden op het Europese financieringslandschap van 2028-2034.
Wat zijn de bouwstenen van het MFK?
De Nationale en Regionale Partnerschapsplannen
De Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) moeten per lidstaat als één koepel gaan fungeren voor veertien bestaande fondsen. Deze fondsen worden momenteel nog via verschillende structuren uitgevoerd. Kenniscentrum Europa Decentraal zette eerder al uitgebreid uiteen wat deze nieuwe opzet betekent voor het cohesiebeleid en hoe de verschillende fondsen binnen het NRPP worden samengebracht. Daarom wordt in dit artikel gekeken naar de vraag wat deze nieuwe structuur betekent voor de positionering van decentrale overheden richting 2028.
In plaats van voor ieder van deze fondsen een apart budget te reserveren en een afzonderlijke governance-structuur te volgen, heeft de Europese Commissie ervoor gekozen om deze fondsen onder te brengen onder één koepel waarvoor één financiële enveloppe beschikbaar is. Binnen het NRPP moet tenminste een hoofdstuk worden opgenomen voor ieder van de volgende thema’s:
- Economie & Innovatie (nu EFRO en JTF)
- Migratie & Veiligheid (nu AMIF)
- Sociale Inclusie (nu ESF+ en JTF)
- Landbouw & Platteland (nu GLB, zowel ELGF en ELFPO)
- Visserij (nu EMVAF)
Dat betekent echter niet dat Nederland vrij kan bepalen hoe alle middelen binnen het NRPP over de verschillende thema’s worden verdeeld. De Europese Commissie stelt duidelijke voorwaarden aan de besteding ervan. Van de € 8,5 miljard die Nederland naar verwachting ontvangt voor het NRPP, is ongeveer € 6,5 miljard al gereserveerd voor specifieke doelen: inkomenssteun en investeringen voor de landbouw (€ 5 miljard), migratie en veiligheid (€ 800 miljoen) en het Sociaal Klimaatfonds (€ 600 miljoen). Daarnaast moet 43% van de middelen bijdragen aan klimaat- en milieudoelen en ten minste 14% aan sociale doelen. Daarmee resteert ongeveer € 2 miljard waarbinnen het Rijk keuzes moet maken tussen de verschillende beleidsprioriteiten.

Wat kunnen decentrale overheden doen voor het NRPP?
Om aanspraak te kunnen maken op een deel van deze middelen zijn er verschillende sporen waarlangs decentrale overheden zich tot het NRPP kunnen en moeten verhouden. Belangrijkste prioriteiten zullen zijn:
- Informeren: Zich informeren over de eisen voor de middelverdeling en het proces dat hiervoor wordt gevoerd. Zo kan mogelijk invloed worden uitgeoefend op de invulling van de vrije ruimte van ongeveer € 2 miljard.
- Prioriteren: Bepalen wat voor ieder thema binnen het NRPP van belang is en deze thema’s afstemmen met medeoverheden, afhankelijk van het hoofdstuk in kwestie.
- Aanjagen: Inventariseren van projecten die in de huidige periode zijn uitgevoerd en, samen met partijen in het ecosysteem, bepalen waar wel of geen potentieel voor vervolg of opschaling mogelijk is.
ERAC schreef eerder dit artikel over hoe regio’s zich kunnen oriënteren op het NRPP.
EU-faciliteit
De EU-faciliteit vormt in de voorstellen van de Europese Commissie een onderdeel van het NRPP. Maar, in tegenstelling tot de nationale enveloppen, omvat de faciliteit geen zogenaamde decentrale fondsen waar lidstaten verantwoordelijk voor zijn, maar centrale fondsen die momenteel worden uitgevoerd door (agentschappen van) de Europese Commissie. Deze fondsen richten zich grotendeels op samenwerkingsprojecten tussen Europese regio’s.
Het gaat hierbij onder andere om de onderstaande fondsen uit de huidige periode, waarvoor in Europa ongeveer € 63 miljard beschikbaar zal zijn. Daarnaast is er ook nog een reserve van ongeveer € 9 miljard voor toekomstige crises of uitdagingen:
- (Delen van) het LIFE-programma: In de EU-faciliteit is plaats voor strategische natuurprojecten die nu vallen onder het LIFE-programma. Deze projecten richten zich bijvoorbeeld op natuurbescherming en -herstel en moeten een duidelijke grensoverschrijdende dimensie hebben. Zo is de regeling interessant voor natuurprojecten in grensgebieden of voor het toepassen van innovatieve oplossingen die elders in Europa gerepliceerd kunnen worden.
- Het I3-programma: Dit programma is interessant voor decentrale overheden, kennisinstellingen en met name bedrijven. Het richt zich op het versterken van Europese waardenketens door innovatie-investeringen. De nadruk ligt op het dichten van de innovatiekloof tussen Europese regio’s en het ondersteunen van bedrijven om innovaties dichter bij de markt te brengen.
- Het EUI-programma: Dit programma is met name relevant voor gemeenten en ondersteunt steden bij het ontwikkelen van innovatieve projecten. De nadruk ligt in de huidige periode op thema’s als klimaat & duurzaamheid.
- IPCEI’s: Een IPCEI is een gezamenlijk Europees projectinitiatief dat bestaat uit meerdere nationale projecten van bedrijven en/of onderzoeksinstellingen uit verschillende EU-lidstaten. Het doel van een IPCEI is te komen tot een combinatie van projecten met een onderlinge samenhang met een versterkend effect. Deze projecten moeten deelnemers de kans bieden verdere technische oplossingen en schaalvoordelen te ontwikkelen.
Wat kunnen decentrale overheden doen om zich te oriënteren op de EU-faciliteit?
Decentrale overheden kunnen verschillende dingen doen om zich voor te bereiden op de EU-Faciliteit:
- Informeren: Inzichtelijk krijgen welke type programma’s en activiteiten vallen onder de Union Actions binnen de EU-Faciliteit.
- Rol bepalen: Bepalen of zij een initiërende, regisserende of faciliterende rol hebben. Zo richt het EUI-programma zich bijvoorbeeld nadrukkelijk op gemeenten terwijl in het I3-programma kennisinstellingen en bedrijven centraal staan waarbij gemeenten of provincies vooral een ondersteunende rol innemen.
- Aanjagen: Vooruitlopend op de werkprogramma’s die later worden gepubliceerd en waarin budgetten en tijdslijnen duidelijk worden, kunnen decentrale overheden samen met hun regionale stakeholders hun projectenpijplijn al gaan uitwerken. Dat betekent bepalen wáár in de MFK-kansen liggen, voor welke partijen deze relevant zijn, welke projecten hierbij passen en in welk ontwikkelstadium deze zijn.
Het Europees Fonds voor het Concurrentievermogen
Grotendeels geïnspireerd op de aanbevelingen uit het rapport van Draghi, is het de taak aan het Europees Fonds voor het Concurrentievermogen (ECF) om de concurrentiekracht van Europa te versterken. Om beter in te kunnen zetten in innovatieve topsectoren van de toekomst en om toonaangevende technologische ontwikkeling op het continent te behouden, wordt er volop geïnvesteerd in effectieve en doelgerichte financiering.
In het ECF worden 12 fondsen uit het huidige programma samengebracht, waaronder het Digital Europe programma, het EU4Health programma, het EDF-programma en delen van het LIFE-programma. Voor het ECF komt er in Europa € 223 miljard beschikbaar. Daarnaast is ook de grootste pijler binnen het Horizon Europe programma, met een budget van € 75 miljard, gestructureerd langs dezelfde vier focusthema’s als het ECF. Vandaar dat in de voorstellen de budgetten van het ECF zowel Horizon Europe als het InvestEU instrument vaak als één samenhangend budget worden gepresenteerd.
De vier overkoepelende pijlers van het ECF, inclusief het geplande budget, zijn:
- Clean Transition & Industrial Decarbonisation (ca. € 26 miljard): De nadruk van deze pijler ligt sterk op het verduurzamen van de industrie. Dat biedt ruimte voor de decarbonisatie van het mkb en de energie-intensieve industrie. Ook wordt er ingezet op de vergroening van de energievoorraad, het versterken van de flexibiliteit van het energiesysteem, het digitaliseren van energie-infrastructuur, en het gebruik van duurzame brandstoffen. Tevens is er ruimte voor thema’s als duurzaamheid en circulariteit, nature-based solutions en water.
- Health, Biotech & Bioeconomy (ca. € 20 miljard): Centraal staan innovatie en concurrentievermogen op het gebied van gezondheid, biotechnologie, de bio-economie en landbouw en voedselzekerheid. Bijvoorbeeld door nieuwe producten en technologieën sneller te ontwikkelen, op te schalen en naar de markt te brengen. Verdere nadruk ligt op duurzaamheid, weerbaarheid en strategische autonomie, bijvoorbeeld via circulaire productie, voedselzekerheid en een sterke Europese biotech- en bio-economie.
- Digital Leadership (ca. € 51 miljard): Gericht op het versterken van een concurrerende en technologisch onafhankelijke Europese digitale sector. Met bijzondere aandacht voor AI, cybersecurity en digitale infrastructuur. Daarnaast staat de brede toepassing van geavanceerde digitale technologieën centraal, zowel bij bedrijven als in de publieke sector, met nadrukkelijke ondersteuning voor mkb, start-ups en scale-ups. Ook de culturele en creatieve industrie krijgt ondersteuning door deze pijler.
- Resilience, Defence Industry & Space (ca. € 125 miljard): De grootste pijler die zich richt op investeringen in de Europese defensie-industrie. Investeringen richten zich op het versterken van de strategische weerbaarheid en veiligheid van Europa, onder meer via versterkte waardeketens, toegang tot kritieke grondstoffen en versterking van productie-industrie. Er wordt ook ingezet op ruimtevaarttechnologie en -infrastructuur, onderzoek en innovatie en de ontwikkeling van dual-use technologieën. Verder moet de civiele industriële veiligheid worden vergroot door vitale infrastructuur beter bestand te maken tegen veiligheidsdreigingen.
Wat kunnen decentrale overheden doen om zich te oriënteren op het ECF?
Om zich goed voor te bereiden op het ECF is het belangrijk dat decentrale overheden hun krachten weten te bundelen middels drie peilers:
- Informeren: Bepaal in welke overkoepelende thema’s voor uw regio de grootste kansen liggen en zoom binnen deze onderdelen van het ECF in op de activiteiten en thema’s die hier een plaats krijgen. Op deze manier worden kansen in het ECF concreter.
- Prioriteren: In de vervolgstap is het belangrijk om keuzes te maken. Het ECF zet zich immers in op excellentie en het versterken van het concurrentievermogen van de EU als geheel. Een belangrijke vraag is op welke thema’s een gemeente of provincie wil inzetten en, nog belangrijker, in welke (technologische) niches partijen uit de regio sterk zijn.
- Aanjagen: Zodra de prioriteiten scherp zijn, kunnen partijen uit de regio worden “aangezet”. Hoewel werkprogramma’s waarin duidelijke openstellingen en budget uitsplitsingen nog moeten volgen, worden projectideeën verzameld en een complementaire partner in beeld gebracht. Wie nu al partners rond de tafel brengen vergroten hun kans om klaar te zitten wanneer de middelen worden verdeeld.
Hoe houden decentrale overheden overzicht op het MFK en maken ze kansen concreet?
Het MFK is een complexe legpuzzel van programma’s, thema’s en uitvoeringsmodellen. Een logische eerste stap is om in kaart te brengen hoe Europa momenteel binnen de gemeente en de regio wordt benut. Europese middelen vinden soms al hun weg naar regionale projecten en organisaties, zonder dat een decentrale overheid daar een volledig overzicht van heeft. Door te monitoren waar Europese financiering terechtkomt en voor welke thema’s deze wordt ingezet, ontstaat een beter beeld van bestaande Europese aanknopingspunten in de regio.Gemeenten kunnen daarop voortbouwen: eerdere Europese successen bieden een basis om relevante netwerken en expertise verder te ontwikkelen en nieuwe financieringsmogelijkheden gerichter te benutten. Hier schreef ERAC eerder samen met KED een verdiepend artikel over.
Provincies hebben een meer overkoepelende, regionale opgave. Zij kunnen in kaart brengen welke sectoren, kennisinstellingen en innovatieve bedrijven sterk vertegenwoordigd zijn in de regio en hoe deze aansluiten op Europese prioriteiten. Dat helpt om gericht te bepalen op welke thema’s de provincie wil inzetten. Omdat de beschikbare middelen niet vanzelfsprekend evenredig over thema’s en regio’s worden verdeeld, is het belangrijk om daarin vooraf duidelijke keuzes te maken. Daarom werken sommige provincies nu al aan provinciale investeringsplannen, zodat zij vóór de start van de nieuwe programmaperiode scherp hebben waar hun prioriteiten liggen en gericht kunnen voorsorteren op Europese kansen.
Ook voor waterschappen is het zinvol om vanuit bestaande opgaven en expertise naar het nieuwe financieringslandschap te kijken. Daarbij kunnen zij onderzoeken hoe regionale opgaven aansluiten op thema’s die binnen het nieuwe MFK sterk vertegenwoordigd zijn, zoals water, klimaat en verduurzaming. Samenwerking met provincies, gemeenten, kennisinstellingen en bedrijven kan helpen om deze opgaven te verbinden aan bredere regionale ambities en investeringsprojecten. Door daarbij voort te bouwen op bestaande samenwerkingen en Europese successen, kunnen waterschappen zich gericht positioneren voor toekomstige financieringsmogelijkheden.
Kortom:
- De Europese begroting 2028-2034 brengt nieuwe prioriteiten en spelregels voor financiering met zich mee.
- De gevolgen en kansen verschillen per gemeente, provincie en waterschap.
- Breng tijdig in kaart welke Europese fondsen relevant zijn en bereid je voor op de nieuwe mogelijkheden en voorwaarden.
Voorbereiden op het nieuwe MFK begint voor decentrale overheden niet met het zoeken naar financiering, maar met het scherp krijgen van de eigen positie, prioriteiten en kracht binnen het bredere regionale ecosysteem. De Europese voorstellen bouwen nadrukkelijk voort op haar bestaande economische, maatschappelijke en innovatieve sterktes. Dat vraagt om een strategischere blik op Europese financiering: decentrale overheden moeten daarom redeneren vanuit de vraag waar lokale en regionale ambities aansluiten op Europese prioriteiten. Juist in de aanloop naar 2028 ligt er dus ruimte om deze aansluiting te versterken en gericht voor te sorteren op toekomstige kansen.