Het EU Office Cities Northern Netherlands vertegenwoordigt de Noord-Nederlandse steden Groningen, Leeuwarden, Assen en Emmen in Brussel. Samen met HNP sprak KED met Pieter Faber onder meer over het ontstaan van het kantoor, de meerwaarde van een Brusselse vertegenwoordiging en de thema’s die de komende jaren centraal staan.

Hoe is het EU Office Cities Northern Netherlands ontstaan en hoe ben jij hierbij betrokken?
“In 2010 begon ik bij de gemeente Assen, eerst als projectleider en later als hoofd Economische Zaken. Groningen, Leeuwarden, Assen en Emmen werkten toen al intensief samen op economie. Tijdens werkbezoeken in andere regio’s, onder andere in Eindhoven, zagen we hoe effectief zij Europese fondsen benutten. Toen realiseerden we ons dat wij als Noord-Nederland kansen lieten liggen. Vanuit dat inzicht is het EU Office ontstaan en werd ik gevraagd om het op te bouwen.”
“De focus lag in het begin vooral op het verbinden van uitdagingen van innovatieve bedrijven en kennisinstellingen aan Europese kansen. In de jaren daarna is dat verbreed naar stedelijke opgaven in de volle breedte. Tegelijk zie je ook dat prioriteiten in Brussel verschuiven. Na een periode met veel nadruk op groen en klimaat is er nu weer meer focus op economie, en dat vertaalt zich ook in onze projecten.”
“Sinds 2015 ben ik als hoofd van de EU Office eindverantwoordelijk voor wat we in Brussel doen en voor de samenwerking met de steden richting Europa. In Brussel werken we met een compact team van vier personen. In elke stad zijn daarnaast een EU-coördinator en een projectadviseur betrokken. In Groningen is dat vanwege de schaal iets uitgebreider georganiseerd, met extra coördinatie en ondersteuning.”
Wat is het doel van Cities Northern Netherlands?
“Onze algemene doelstelling is het verbinden van de uitdagingen in onze steden met Europese ontwikkelingen en kansen. Dat doen we via projecten en steeds vaker via strategische beïnvloeding. We werken bewust bottom-up: we beginnen bij het ophalen van de concrete uitdagingen per stad en maken scherpe keuzes. Als iets niet Europees relevant is, of beter nationaal of regionaal geregeld kan worden, dan doen we het niet in Brussel.”
Wij realiseerden ons dat wij als steden in Noord-Nederland kansen lieten liggen. Vanuit dat inzicht is het EU Office ontstaan.
Steden hebben soms verschillende prioriteiten. Hoe voorkom je concurrentie en hoe werk je toch effectief samen in Brussel?
“Vanaf het begin hebben we gewerkt met vier individuele agenda’s per stad. Ongeveer tachtig procent van ons werk gaat naar die eigen agenda’s. De overige twintig procent gebruiken we voor gezamenlijke thema’s, zoals bijvoorbeeld betaalbaar wonen en de positie van middelgrote en kleine steden in Europese programma’s. In de praktijk ervaren we nauwelijks concurrentie. De steden hebben elk een eigen karakter. Eén keer was het spannender, toen zowel Groningen als Leeuwarden meededen aan Innovation Capital. Toen dachten we wel even, hoe gaan we dit doen? We hebben dit opgelost door beide steden te ondersteunen met onze Brusselse expertise. Dat werkte erg goed, want ze zijn tweede en derde geworden.”
Wat maakt het waardevol om als steden in Brussel vertegenwoordigd te zijn?
“Het belangrijkste is dat je dicht op het Europese speelveld zit. Je kunt een deel van de Europese projectontwikkeling prima vanuit je eigen gemeente doen, maar ons werk zit vooral in het voortraject. Wij schrijven de projecten niet zelf. We halen in de steden de opgaven en ideeën op, verbinden die aan Europese ontwikkelingen, zoeken passende programma’s en leggen contact met mogelijke partners. Voor dit voorbereidingswerk is aanwezigheid in Brussel echt belangrijk. Veel relevante partijen zitten dichtbij, zoals andere stad- en regiokantoren, Europese netwerken en de Europese Commissie. Daardoor kun je sneller schakelen en makkelijker afspraken maken. Als je vanuit Noord-Nederland moet komen, vraagt het reizen en plannen, en dan mis je soms precies het moment waarop je erbij moet zijn. Als je in Brussel werkt, organiseer je je agenda ook echt rondom Brussel. Op het gemeentehuis wordt je agenda sneller overgenomen door de waan van de dag. Bovendien gebeurt veel in de wandelgangen. Je komt mensen tegen, je voert korte gesprekken en daaruit ontstaan kansen.”
We verbinden de uitdagingen in onze steden met Europese ontwikkelingen en kansen.
Waarom is het zo belangrijk om actief te zijn in Europese netwerken?
“Omdat je niet alles zelf kunt. Als je het grofweg verdeelt, gaat zo’n veertig tot vijftig procent van ons werk op aan Europese netwerken. Netwerken hebben capaciteit om kennis te bundelen, workshops te organiseren, partners samen te brengen en gezamenlijke standpunten uit te werken. En als je invloed wilt uitoefenen richting de Europese Commissie, sta je sterker namens een grote groep steden dan alleen met vier. We doen dat wel selectief. We zoeken onderwerpen die echt bij onze steden spelen en kijken dan met welke netwerken en partners we het meeste effect kunnen bereiken.”
Heb je een concreet voorbeeld van een project dat mede lukte door jullie aanwezigheid in Brussel?
“Een concreet voorbeeld is Groningen, met het LIFE-project Cool Square rond het Damsterplein. De gemeente wilde het plein vergroenen, maar dat bleek technisch ingewikkeld doordat er een parkeergarage onder ligt. In onze projectsessie kwam die knelpuntvraag naar voren. Wij hebben vervolgens gekeken welk Europees programma hierbij past. LIFE bleek geschikt, omdat het juist gaat om klimaatadaptatie in complexe stedelijke situaties. We hielpen bij het maken van een goede projectpitch en het zoeken naar partners. De gemeente heeft de aanvraag vervolgens zelf uitgewerkt. Het resultaat is dat Groningen extra middelen heeft gekregen om het Damsterplein echt goed aan te pakken. Zonder die Europese route was het waarschijnlijk bij een kleinere ingreep gebleven. Nu wordt het een zichtbaar project met innovatieve oplossingen, waarbij ook studenten van de Hanzehogeschool onder andere aan meewerken.
“De zichtbaarheid richting inwoners vinden we belangrijk. Europese projecten moeten niet alleen op papier bestaan, maar ook in de stad voelbaar worden. Een mooi voorbeeld is Assen, dat recent de titel European Green Leaf heeft gekregen. Dat levert niet alleen erkenning op, maar ook een programma met activiteiten waarbij inwoners actief worden betrokken.”
We zoeken onderwerpen die echt bij onze steden spelen en kijken dan met welke netwerken en partners we het meeste effect kunnen bereiken.
Op welke thema’s zoeken de steden het meest ondersteuning vanuit Brussel?
“De energietransitie blijft heel belangrijk, maar de nadruk verschuift naar betaalbaarheid. Denk aan energiearmoede, betaalbare woningen en energy communities. Daarnaast spelen circulaire economie, digitalisering en gezondheid een rol. Ook zien we veel projecten rond mobiliteit. Groningen richt zich vooral op slimme mobiliteitsoplossingen, terwijl Leeuwarden sterk inzet op actieve mobiliteit, zoals fietsen en wandelen. Een concreet voorbeeld is Spoordok, het gebied achter station Leeuwarden dat de komende jaren van bedrijventerrein naar woongebied transformeert. Daar worden wonen en een gezonde inrichting van de openbare ruimte direct aan elkaar gekoppeld. Die integrale aanpak sluit goed aan bij het New European Bauhaus-initiatief.”
“Door de sterkere economische focus in Brussel werken we meer aan industrie en concurrentievermogen. Voor Emmen sluit dat direct aan op het chemiecluster en de maakindustrie, met koppelingen naar Europese initiatieven rond schone industrie. Daarin positioneren we de Greenwise Campus als innovatief cluster voor de groene chemie en circulaire plastics. We werken daarbij ook nauw samen in Chemport Europe verband voor Noord Nederland. In alle vier de steden gaat het daarbij om het versterken van de innovatie-ecosystemen, door onderwijs en bedrijven beter te verbinden. In Assen speelt veiligheid bijvoorbeeld een nadrukkelijke rol via de Veiligheidscampus, met thema’s als preparedness, safety en security.”
Wat ligt er nu voor de komende jaren qua kansen op het gebied van Europese programma’s voor de noordelijke steden?
“We zijn nu vooral bezig met wat er uit het nieuwe Meerjarig Financieel Kader komt. Voor Noord-Nederland is het belangrijk dat in de nationale plannen ruimte blijft voor innovatieclusters en campussen, zoals de Greenwise Campus in Emmen, de Watercampus in Leeuwarden en de Veiligheidscampus in Assen. Daarnaast zien we dat Brussel sterker stuurt op concurrentievermogen, waarbij Horizon meer verschuift richting fundamenteel onderzoek en het Competitiveness Fund zich richt op het nog sterker maken van grote hightechspelers. Dat is voor ons lastig, omdat we geen ‘ASML’ in Noord-Nederland hebben. Daarom lobbyen we ervoor dat er ook ruimte blijft voor toegepast onderzoek en concrete toepassingen, zodat kleinere innovatieve bedrijven niet tussen wal en schip vallen.”
“Ook betaalbaar wonen is een thema waar we de laatste tijd veel op hebben ingezet. We hebben samen met andere steden en regio’s een position paper opgesteld en dit bij de Commissie onder de aandacht gebracht. Onze boodschap is dat betaalbaar wonen niet alleen speelt in grote metropolen, maar ook in kleinere en middelgrote steden, waar bouwen en voorzieningen relatief duur zijn en de opbrengsten lager. Daarvoor zijn vaker extra publieke middelen nodig, en daarover zijn we in gesprek met de Commissie.”
Mijn ervaring bij de gemeente helpt vooral omdat je daar dagelijks merkt waar je het voor doet.
Wat voor kennis van het decentrale veld neem je mee in je huidige functie?
“Mijn ervaring bij de gemeente helpt vooral omdat je daar dagelijks merkt waar je het voor doet. Je werkt direct voor inwoners en voor de mensen die de stad gebruiken, waaronder ook bedrijven. Daardoor kijk ik ook in Brussel steeds naar de praktische uitwerking. Daarnaast herken ik door mijn gemeentelijke ervaring echt een verschil tussen gedeputeerden en wethouders. Een wethouder wordt in de stad direct aangesproken door inwoners en kijkt daardoor vaak heel praktisch naar beleid en resultaten. Waar een gedeputeerde makkelijker kan praten in strategische lijnen, vraagt een wethouder sneller: wat heb ik hier concreet aan voor mijn stad? Ik vind het heel erg leuk in mijn werk dat ik het echt voor het lokale niveau mag doen.”
Als je advies zou kunnen geven aan andere Nederlandse steden die ook overwegen om een vertegenwoordiging in Brussel op te zetten, wat zou dat advies dan zijn?
“Bedenk goed waarom je een vertegenwoordiging in Brussel wilt. Doe het niet omdat anderen het ook doen. Het geeft pas meerwaarde als je vanuit je eigen organisatie duidelijke opgaven of kennisvragen hebt waarbij Europa echt kan helpen. Investeer daarnaast eerst in je eigen capaciteit. Een persoon in Brussel neerzetten werkt alleen als je organisatie het vervolgens ook kan oppakken. En tot slot: overweeg om het samen te doen met andere steden of sluit aan bij bestaande samenwerkingsverbanden. Voor Groningen alleen had dit nooit gewerkt, onder andere vanwege de kosten. Met vier steden kun je investeren en de lasten verdelen.”